Als je me ziet

Als je me ziet

admin  

-1-

‘Je raadt het nooit,’ roep ik uitgelaten in mijn telefoon. ‘Ik ben toegelaten!’ Ik houd mijn linkerhand tegen mijn oor om het ronken van de bussen tegen te gaan, en met mijn andere hand druk ik zowat mijn toestel in mijn hoofd om verstaanbaar te zijn. De akoestiek is hier vreselijk. Het busplatform staat bekend als een tochtgat en iedere dag van welk jaargetijde dan ook loeit de wind onder de dakplaten door.  Tussen mijn benen houd ik een enorme shopper geklemd omdat de wind er anders mee vandoor gaat. 

‘Bas?’ 

Aan de andere kant van de lijn blijft het verdacht stil.

‘Jaja,’ mompelt hij. ‘Ik was even bezig, wat zei je?’

Hij zit waarschijnlijk posts te kijken op Instagram, maar ik heb nu de energie niet om er iets van te zeggen. Ik ben veel te blij met het nieuws dat ik zojuist heb gekregen. ‘Ik ben toegelaten,’ zeg ik nog een keer voor het geval hij het niet gehoord heeft. In de verte komt mijn bus al aan. Hij stopt eerst bij platform A om de passagiers eruit te laten, wacht daar een minuut of twee en komt dan later deze kant op, naar platform B, zodat iedereen kan instappen. 

‘Waar ben je toegelaten?’

‘West. End. Stage.’ Ieder woord zeg ik afzonderlijk, zodat hij het niet verkeerd kan horen. ‘The Summerschool in Londen waar ik het overhad. De workshops worden gegeven in de Guildhall school of Music and Drama.’ Ik kan gewoon nog steeds niet geloven dat ik ben toegelaten.  Het liefst doe ik een rondedansje hier op het platform. Maar ja, als je normaal doet, doe je al gek genoeg. Bovendien kost het jurkje dat ik zojuist heb opgehaald in de winkel net zo veel als een halve maand werken, dus is het maar beter dat ik spreekwoordelijk een gat in de lucht spring. 

‘Was dat niet ergens in augustus?’

‘Klopt.’ Ik knik enthousiast, wat dom is want dat ziet hij toch niet. ‘De tweede week van augustus.’

‘Daar was toch geen auditie voor?’

‘Nee, maar het was even afwachten of ik mocht komen, omdat ik natuurlijk een foreign student ben en ze misschien geen plek hadden.’ 

‘Zolang je betaalt, hebben ze altijd wel plek.’

‘Het is hoe dan ook een unieke kans.’ Ik ben veel te opgewonden om mijn vrolijke bui te laten vergallen door zijn donkere wolken van cynisme. ‘Misschien kun jij ook komen, dan plakken we er een weekend Londen aan vast.’

‘Lieve.’ De zucht die Bas slaakt aan de andere kant van de lijn is bijna te voelen tussen de bussen door. ‘Hier hebben we het al eerder over gehad. Bovendien, volgende week hebben we een gesprek met de arts en wie weet is het in augustus al zover.’

‘Maar dit is West End,’ fluister ik. ‘Aan het einde van de week treden we op in het West End Theatre, we krijgen les van professionele acteurs. Dit is een enorme kans.’

‘Een kans waarop, Lieve?’

Ik hoor aan de manier waarop hij zijn woorden zegt dat hij zijn hoofd schudt en met zijn duim en wijsvinger over zijn ogen, of net daarboven, strijkt. Als het even tegenzit, maakt hij straks nog een opmerking dat hij teleurgesteld is. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. ‘Ik wil dit echt ontzettend graag,’ zeg ik.

‘We hebben het er nog wel over.’ Bas zucht nog een keer. ‘Love you.’ Hij maakt nog een smakgeluid alsof hij een kus geeft, en dan verbreekt hij de verbinding. Even overweeg ik om mijn telefoon voor de bus te gooien, als een theatrale uiting van hoe ik omga met iedereen die mij tegenhoudt, maar als de bus stopt bij platform B kan ik niets anders dan instappen. Net als de rest van de passagiers die stonden te wachten. Mijn telefoon heb ik nog steeds in de hand. Geërgerd laat ik me op een van de stoelen achterin zakken. Waarom kan hij niet gewoon blij voor me zijn? 

Het piepen van mijn telefoon doet mijn hart weer opspringen. Bas staat er op het scherm. Het is een sms.

Hee Lieve, is dit echt een kans voor je of is dit het najagen van een tienerdroom? Het voelt voor mij een beetje als vluchtgedrag en dat snap ik ook wel. Het is heel logisch dat je bang bent, ik vind het zelf ook heel spannend, maar we mogen nu niet opgeven. Laten we ons maar focussen op een meer realistische toekomst. 

Het liefst wil ik mijn telefoon alsnog een gooi geven, maar de kans bestaat dat ik iemand raak en dat is ook weer zo lullig. De meeste mensen die instappen op dit punt ‘ken’ ik onderhand wel. Ze zijn net als ik vermoeid na een dag werken, al had ik vandaag maar een halve dag omdat ik nog even de stad in moest om mijn cadeautje op te halen.

Net op het moment dat de bus wil wegrijden, komt er nog iemand aangesneld. Hem miste ik al. Jack Sparrow. Zo noem ik hem altijd vanwege de dreads in zijn haar, en zijn toch wel wat bijzondere uiterlijk. Niet dat hij loopt alsof hij een halve fles rum achter de kiezen heeft, maar hij is echt zijn eigen persoon. Iemand die zich van niets of iemand iets aantrekt en zijn eigen ding doet. Ik mag dat wel in mensen. 

Zijn jeans is gescheurd en zijn trui zit vol met gaten. Zijn ogen zijn heel lichtblauw en die lange wimpers doen vermoeden dat hij mascara draagt. Dat zie ik Bas nog niet zo snel doen. Pas als al zijn grote voorbeelden het ook doen, gaat hij overstag, maar Bas zou nooit iets dragen wat uniek is, of anders dan normaal. Het is hoe hij is, en dat is goed, maar soms vind ik het ook een beetje jammer omdat je jezelf zo tekortdoet door niet je eigen smaak te proeven.

Jack, zo noem ik hem maar even, is ondertussen ingestapt en haalt zijn OV-kaart langs het apparaat. De chauffeur knikt hem vriendelijk toe. Er zijn nog maar een paar plekjes vrij, maar de vrouw die een paar banken voor me zit, zet demonstratief haar tas op de lege zitting. Een andere jongen gaat breeduit zitten. Iemand anders hoor ik zeggen dat haar collega bij de volgende halte instapt. 

Ondanks het feit dat het ronduit schofterig is, krijgt iedereen een begripvolle glimlach van ‘Jack’. Bij de vierde afwijzing gaat hij in dat speciale middengedeelte staan. Zijn tas, die er best zwaar uitziet, zet hij tussen zijn benen. Zoals altijd kijkt hij mijn kant op en glimlacht dan net ietsje breder dan naar de andere mensen. Of nou ja, dat beeld ik me waarschijnlijk in. De meeste mensen die mij zien, glimlachen uit medeleven. 

Ik glimlach terug en draai me dan om om te zien of er nog een plekje achter me is. Meestal gaat hij een bankje of twee achter me zitten, maar daar is nu ook geen plek. De harde wind, die de beginnende zomer wat herfstachtigs geeft, heeft iedereen het openbaar vervoer in geblazen. 

Alleen naast mij is nog plek. Zou ik het durven? Ik vind het altijd wel fijn om alleen te zitten. Als het echt moet, schuif ik wel op, maar dan wel zo dat degene naast me niet te veel van mijn gezicht ziet. Door mijn lange haar kan ik dat ook altijd wel voorkomen, maar ik ben bang dat als hij naast me gaat zitten, ik hem automatisch aan wil kijken. Of dat hij tegen me gaat praten. Zo’n type lijkt het me wel. En praten betekent oogcontact, en daarvoor moet ik dan toch echt mijn gezicht naar hem toedraaien. Dat gaat hem echt niet worden.

Lees verder

Vergelijking staat gelijk aan diefstal…

Vergelijking staat gelijk aan diefstal…

admin  

Het haalt namelijk de lol uit de mooie dingen van het leven als je continu het idee hebt dat een ander het anders en daarom ook beter doet dan jij. En soms is dat ook gewoon zo. Haalt een ander betere cijfers, scoort een ander veel hoger, krijgt een ander meer recensies, maar is dat een reden om bij de pakken neer te zitten of kun je door te vergelijken ook de angel uit je eigen ‘falen’ halen. Want stiekem voelt het namelijk als falen als je het ‘minder’ doet dan een ander.

Van appels en peren…

Kun je best leren. Al is het alleen maar om te kijken hoe een ander sinterklaas-rijm naar een hoger level brengt J Jezelf vergelijken met een vleugje van afgunst naar de ander of jezelf toe is nooit goed. Moet je ook absoluut niet doen want voor groene monsters is het leven veel te kort, maar als je gewoon nuchter kan kijken naar de resultaten van een ander en dit naast die van jezelf legt, kan dat best wel eens verhelderend zijn.

Zeg doei tegen je inside-Calimero en omarm je inwendige kleuter…

Nee, niet in de zin van ‘schreeuwend op de grond gaan liggen in de supermarkt’, maar op het gebied van nieuwsgierigheid Een van de meest gehoorde woorden hier in huis zijn namelijk ‘waarom’. Als je jezelf gaat vergelijken met iemand anders dan zijn er drie waarom-vragen die je jezelf best eens mag stellen. Allereerst:

Waarom schrijf je? 

Deze vraag heb ik zelf op de bodem van mijn schrijversput gezet, zodat ik altijd even kan relativeren als ik weer eens zit te mokken. Waarom ben ik eigenlijk gaan schrijven? Vanwege the famethe fortune of zat er toch wat anders achter? Het kan namelijk zijn dat je schrijf-intenties betekenen dat je soms buiten de lijntjes kleurt en dat je daardoor niet helemaal past binnen bepaalde (verkooptechnisch gunstige) richtlijnen. 

Of dat je je niet prettig voelt bij wat commercieel gezien goed loopt, en daardoor voor een ander pad kiest. Of dat je bewust voor een genre kiest wat gewoon anders wordt gelezen qua aantallen.

Wat je beweegredenen ook zijn om te gaan schrijven, het is altijd belangrijk om dit als een soort basis voor jezelf neer te zetten zodat je altijd stevig staat. Als je namelijk weet waarom je het doet, heb je een duidelijk doel voor ogen, en brengen tegenslagen je wat minder snel van je stuk.

Waarom scoort een ander beter?

Ook dat is best een interessante vraag. Er is natuurlijk niet altijd een vinger op te leggen waarom dat is, maar soms kom je al een heel eind als je kijkt naar ‘meetbare’ zaken zoals genre, schrijfstijl, promotie, manier van doen op social media etc.

Zit je daarin op een gelijke lijn of is daar een duidelijk verschil in te vinden. Hoewel ik redelijk actief ben op social media, scoor ik toch niet zo hoog als een andere auteur die nauwelijks iets plaatst. Maar als ik naar mijn eigen schrijven kijk, heb ik soms de neiging om heel veel zaken erbij te betrekken en om mijn eigen licht cynische kijk op het leven aan de personages mee te geven. Dat zet een bepaalde toon. Daarnaast is mijn schrijfstijl misschien een beetje ‘obtuse’ en iets te veel gericht op het associatief denken waardoor je als lezer heel goed op moet letten wat er tussen de regels door bedoeld wordt. En dat is soms lastig lezen, daar ben ik me van bewust.

Full of high sentence, but a bit obtuse;

At times, indeed, almost ridiculous—

Almost, at times, the Fool.

T.s Eliot The Lovesong of J.Alfred Prufrock

Waarom doet het je wat?

Dat is misschien nog de beste vraag van allemaal: why care? Zonder gelijk je hele psychische constitutiebeeld te ontleden, is het best goed om je af te vragen waarom je reageert zoals je reageert. Van reflecteren kun je blijkbaar alleen maar leren, dus neem een pas op de plaats en vraag je af ‘waarom ben ik ervan onder de indruk’? Ervan uitgaande dat je onder de indruk bent, natuurlijk. 

Als natuurtalent dramaqueen deed het mij zeker wel wat toen ik zag wat de cijfers bij andere auteurs waren. En ja, natuurlijk ik kon het heus wel verklaren waarom ik ‘minder’ scoorde, maar man, man, man ik was wel meer dan een paar uur niet te genieten en heel de wereld was tegen me. Waarom dacht ik dat ik überhaupt kon schrijven. En zo huilde ik even door, want ik wilde dat soort cijfers en reacties stiekem ook wel.

Niet vanwege het geld, ontdekte ik, of de erkenning, maar wel omdat ik heel graag wat wil vertellen en verhalen over levens wil laten zien die misschien net even anders zijn, maar het wel waard zijn om verteld te worden. 

En, mevrouw Stemband, wat heeft u hiervan geleerd?

De mensen van mijn generatie, weten nu naar welke show ik refereer 😉 Maar als je gaat reflecteren is het natuurlijk de bedoeling dat je er wat van opsteekt. En het leuke is, je hoeft er alleen wat mee te doen, als je dat zelf ook wil. 

Maar stel, dat wil je, dan is het leerzaam om te kijken hoe je je werkwijze kan verbeteren en/of aanpassen zonder je doel uit het oog te verliezen. Wat doet een ander anders (en misschien daarom dan wel ‘beter’) en hoe kan je dat implementeren in je eigen schrijven. Van copy/paste is niemand beter geworden, dus ga dat absoluut niet doen. Je eigen stem is namelijk de enige manier om authentiek te blijven, en authenticiteit scoort toch wel het hoogst. 

Schrijven is een ongoing proces. Het stopt nooit en ieder verhaal is weer een stap in je ontwikkeling. Dat kan een grote stap vooruit zijn, een kleintje stap vooruit, een pas op de plaats, of misschien zelfs een halve stap terug, maar je bent altijd bezig om van A naar Beter te gaan… (heb ik me op de valreep toch nog even schuldig gemaakt aan copy/paste ;))

Benieuwd wat ik ervan geleerd heb en hoe ik dat ga toepassen? Hopelijk kan ik je dat laten zien als mijn volgende boek uitkomt 😉

De geur van thuis

De geur van thuis

admin  

Top 8. Finale Lemniscaat schrijfwedstrijd Scriptplus

-1-

Nederland ruikt naar modder en soms naar natte hond. Yazim kauwt op zijn potlood en denkt nog eens goed na. Misschien kan hij beter iets anders verzinnen. Hij kijkt eens goed om zich heen. Wat ziet hij nou eigenlijk? Een weiland, en nog één en nog één, en nog één zover als dat je kunt kijken. Er lopen koeien, schapen en paarden. Allemaal op hun eigen stukje land. Hij moet grinniken om een schaap dat probeert een hek open te krijgen. Het metaal tikt steeds harder tegen de houten paal waar het hek aan vast hoort te zitten. Twee witte paarden kijken toe, hun halzen mooi gebogen, hun oren naar voren. Het zijn Arabieren, volbloed, dat ziet hij zo. Zijn oom in Abu Kamal had een stoeterij. Arabieren zijn geen paarden, het zijn Mohammed’s zielsverwanten. Volgens zijn oom dan, die was gek op paarden. 

Naast het weiland met de paarden staan stallen. Een man met een staartje loopt heen en weer met een kruiwagen. Hij haalt één voor één de stallen leeg, gooit het vieze stro in een put en komt dan weer terug met schoon stro. 

Nederland ruikt ook een beetje naar gras. Nat gras, waar de warmte van de zon net niet bij kan. Yazim miste zon en de geur van de stenen. De olijfboom die bloeide en de takken die knisperden als papa ze in de fik stak. 

De man met het staartje steekt zijn hand op, Yazim zwaait terug. Het schaap duwt harder en harder tegen het hek en dan springt het slot open. De paarden kijken met grote ogen toe, het schaap kijkt suf om zich heen en dan, alsof ze allemaal tegelijkertijd een seintje krijgen, zetten ze het op een lopen. Het schaap de ene kant op, de twee volbloeden naar het andere land. De rest van de schapen kijken op, beseffen dat er een feestje aan de gang is en besluiten vrolijk mee te doen. Ze rennen van hot naar her, kriskras door elkaar. De paarden dansen er tussendoor. Ze briesen, stampen, houden hun staarten fier omhoog en de grootste van de twee steigert als een trotste krijger.

De man met het staartje vloekt. ‘Stelletje rotschapen. Kom hier!’ Hij rent naar een hek toe en klimt er overheen.

‘Hulp nodig?’ vraagt Yazim. Hij stopt zijn pen en papier terug in de rugzak en loopt naar de man toe. Eigenlijk mag hij hier niet komen van zijn moeder. Voorbij de barakken is verboden terrein en praten met andere mensen heeft ze nadrukkelijk verboden. Zeker met mensen uit het dorp. Sommige zijn wel aardig, maar de meeste zijn niet blij met Yazim en zijn familie. Alsof hij erom gevraagd heeft hier naartoe te komen. Hij traint liever met Rami voor het WK over tien jaar. Als er niet geschoten wordt, is hun straat het beste trainingsveld. Niet dat ze goed kunnen voetballen, maar ze moeten toch wat.

‘Als jij het hek open wilt houden, jaag ik die bolletjes wol naar de overkant.’ roept de man en wijst naar het hek dat door de wind open en dicht wordt gedaan. Hij heeft een tatoeage in zijn nek en heel veel inkt op zijn arm. Dit zijn mannen die ’s nachts brand stichten, hoort hij zijn moeder fluisteren in zijn gedachten. 

‘Oh en kijk uit voor het zijne majesteit en co.’ Hij wijst naar de twee volbloeden en rent dan de wei op.

Geen van de schapen hebben zin om mee te werken. Telkens gaat er wel weer één de verkeerde kant op. Yazim moet zijn lach inhouden als de man een snoekduik maakt richting een schaap, maar op een wolletje na mist. Op het achterland hebben de koeien ook door dat er iets aan de hand is. Ze steken de paarden aan met hun enthousiaste gebok en gekolder, waardoor de schapen, die al wel op het goede stuk land staan, weer de verkeerde kant op rennen. 

De man laat zich met een zucht tegen het hek aan vallen. Hij slaat het gras van zijn broek.

‘Lust je wat te drinken?’vraagt hij.

‘En de dieren dan?’

‘Ach, het gras is toch overal hetzelfde. Zolang ze elkaar de hersens niet inslaan, vind ik het best.’

Nederland ruikt naar modder en natte hond

De man met het staartje heet eigelijk Seth en hij woont in een camper naast de stallen. Het hangt er vol met foto’s van paarden. Allemaal arabieren. Eén foto is gemaakt in de woestijn. Seth zit op een grote zwarte arabier, en heeft een sjaal om zijn gezicht tegen het zandstuiven. 

‘Trektocht te paard naar de heilige stad Petra,’ zegt hij en pakt twee glazen uit een kastje. Hij houdt een pak chocomelk omhoog en een fles limonade. Yazim knikt naar het gele pak. Chocomelk hebben ze thuis nooit. 

‘Zijn dit uw stallen?’

‘Zeg maar je hoor. De stallen huur ik. De twee witte volbloeden zijn filmpaarden, ik ben hier tijdelijk voor opnames.’

‘Filmpaarden?’

‘Acteurs op vier benen.’ Seth schenkt een glas chocolademelk in en zet dat voor hem neer op een klein lang tafeltje dat tussen twee banken in staat. 

‘Komen ze in een film?’

‘Morgen zijn er weer opnames, als je wilt, mag je mee.’

Hoofdstuk 2

Voor het eerst sinds weken heeft Yazim vanwege iets leuks wakker gelegen. De laatste keer dat hij  op zijn wekker keek, was het vier uur. Iedere keer als hij zijn ogen sloot zag hij weer die witte volbloeden voor zich. Hengsten. Onhandelbaar, alleen Seth kon ze aan. Uiteindelijk viel hij dan toch in slaap. Hij droomde dat hij naar Petra reed, op een grote witte hengst, toen hij terugreed was hij thuis. Rami wachtte hem op met een voetbal en zij waren nog de enige twee die schoten.

Om tien uur zou Seth vertrekken en dus zit Yazim om acht uur al aan het ontbijt. Zijn vader drinkt koffie en leest zijn lokale krant vanaf de I-pad. Zijn moeder zit, zoals iedere ochtend, met de lokale krant van hier, een woordenboek en een aantekeningenschrift. 

Zonder te zeggen waar hij heengaat rent hij de deur uit, springt op zijn fiets en racet naar Seth toe. Het is al bijna negen uur. Een grote paardentrailer staat bij de stallen. De twee hengsten worden ingeladen. Seth loopt in het midden en heeft aan iedere hand een volbloed. Een andere man staat hoofdschuddend bij de trailer.

‘Typisch Seth, onze paardenfluisteraar.’

‘Hij is wat?’ Yazim moet zijn hand boven zijn ogen houden anders schijnt de zon in zijn gezicht. De man is bijna net zo groot als de paardentrailer zelf.

‘Grapje,’ lacht hij. Er steekt een tandenstoker tussen zijn tanden. Dat is best gevaarlijk, denkt Yazim. Als zijn moeder hier was geweest had ze het allang uit zijn mond gehaald. 

‘Ben je klaar Seth?’ De reus slaat tegen de trailer en stapt achter het stuur. Seth loopt een rondje om te trailer, controleert alle sloten en houdt dan de deur voor Yazim open aan de passagierskant.

‘Jij eerst.’

De studio is niet ver rijden. Op het voormalig vliegveld, waar Yazim ook woont in de barakken, staan twee enorme hangaars. Vroeger stonden hier Orions, vliegtuigen die ze gebruikten om onderzeeërs op te sporen op zee. Tegenwoordig hebben ze daar ander apparatuur voor, vandaar dat alle vliegtuigen verkocht zijn aan andere landen waar ze nog wel oorlog voeren. Seth kan goed vertellen. Zijn opa ging in de oorlog met een bootje naar Engeland. Dat was spannend want halverwege lag er een mijnenveld. 

‘Heeft hij het gered?’

‘Tuurlijk,’ grijnst Seth. ‘Anders zat ik hier niet.’ Hij springt uit de auto en haalt weer in zijn eentje allebei de paarden tegelijkertijd uit de trailer.

‘Waarom help jij hem niet?’ vraagt Yazim aan de reus die geduldig wacht tot Seth met de paarden richting de hangar loopt.

‘Ik help hem toch?’

‘Ik bedoel met de paarden.’ Hij wijst richting Seth en ziet nu pas dat hij geen van de twee paarden vast heeft. Ze lopen rustig achter hem aan.

‘Alleen hij kan dat,’ zegt de reus geheimzinnig.

‘Hoe dan?’

‘Niets is mysterieuzer dan de vriendschap tussen een man en een paard.’ De reus knipoogt en doet de laadklep weer omhoog.

Binnen in de hangaar is er een dorp gebouwd van alleen maar daken en schoorstenen. Het ruikt er naar verf en koffie. Een grote gele maan hangt aan een onzichtbaar koord en boomtoppen steken uit de grond. Het is net alsof iemand alle huizen tot de zolderverdieping de grond in heeft gestampt. Hier en daar steekt een lantaarnpaal omhoog. 

Achterin de hangaar staat Seth naast een tafel waar twee grote spiegels op staan. Een vrouw loopt met driftige stappen om hem heen en helpt hem in een lange witte jurk. Daarover heen gaat een paarse overgooier en dan komt er nog een rode cape overheen. Een andere mevrouw, iets jonger dan het driftige geval, plakt een baard op zijn gezicht. Hij krijgt een pruik op, en een grote rode puntmuts.

‘Waarom ga je verkleed?’ De onderjurk leek op die van zijn vader. Maar die rode mantel en dat ding op zijn hoofd, zag er dan weer raar uit. ‘Kom jij ook in de film?’

Seth grinnikt. ‘Ik kom heel vaak in de film, maar dan niet herkenbaar.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ben stuntman en doe het werk van die man daar,’ hij wijst naar een andere meneer met baard en rode mantel.

‘Kan hij dat zelf niet dan?’

‘De stunts niet. Ik ben de enige die op de paarden kan rijden.’ 

‘Ga je ze alle twee tegelijk rijden?’

‘Nee hoor, omstebeurt. Abdullah kan beter op de loopband, maar Amal is de beste als het op steigeren aankomt.’ 

‘Oh.’

‘Kijk gewoon maar.’ Hij tikt het meisje met het blauwe haar op de schouder. ‘Lucy, wil je ervoor zorgen dat mijn kleine vriend hier de beste plek heeft?’

‘Tuurlijk,’ ze knikt en gebaart dat hij mee moet komen. Seth lijkt niet meer op zichzelf. Eerder op een hele oude man, met helder groene ogen. 

Helemaal aan de andere kant van de hangaar staat een grote tafel met drie computerschermen. Een man gebaart druk tegen nog twee andere mannen. Hij wijst naar de grond en naar de grote witte parasols die naast de grote lampen staan. Nu pas ziet hij dat op de grond een rails ligt. 

‘Is dat voor de trein?’

Lucy lacht. ‘Nee joh, voor de camera. Die gaat op wieltjes langs de daken. Seth rijdt straks met zijn paard achter de daken langs en dan gaan we dat filmen, maar omdat Abdullah nogal hard rent, hebben we een hele snelle camera op wieltjes nodig om hem bij te houden.’

‘En die parasols?’

‘Dat is om het licht te sturen, zodat de camera het beste beeld krijgt.’

‘Oh.’

‘Ga hier maar zitten. Dat is de regisseur.’ Ze tikt de man die driftig stond te gebaren op zijn  schouder en stelt Yazim aan hem voor. De man zegt niet veel, maar wijst op de schaal met koekjes. Yazim mag zoveel pakken als hij wil. Iemand geeft hem een koptelefoon zodat hij kan horen wat de regisseur tegen Seth zegt. 

De camera’s worden in ‘positie’ gezet en als de regisseur ‘actie!’ roept, komt Seth met Abdullah. Zijn cape wappert achter hem. Yazim houdt zijn adem in. Als zijn oom dit paard had gezien dan had hij het willen hebben. ‘Arabieren lopen niet.’ Hij hoort het hem zo zeggen. ‘Arabieren dansen.’

Seth stuurt Abdullah op de loopband, hij galoppeert aan en de camera volgt. Het lijkt snel te gaan, maar Abdullah komt nauwelijks vooruit. Op het scherm ziet het er gaaf uit. Net alsof hij over de daken rent. 

Seth moet het een aantal keer overdoen. Daarna is Amal aan de buurt. Die komt beter in beeld omdat hij alleen maar mag steigeren. Hij maait met zijn benen wild in de lucht. Door een grote blaasmachine worden zijn manen omhoog geblazen. Het meisje dat Seth een baard opdeed, heeft ook allemaal rode en bruine strepen op Amal gezet. Het is net of hij heel erg gewond is.

Pas als ze weer terug op stal zijn durft hij aan Seth te vragen waarom Abdullah en Amal geverfd zijn. Ze staan vast aan het hek met een halstertouw en hebben allebei een grote emmer met voer voor zich. Seth gooit er nog een handje wortels bij.

‘Het zijn acteurs, die worden geschminkt.’

‘Net als jij?’

Seth knikt. ‘Ik word alleen verkleed, soms schmink, maar meestal gaat het niet om mijn gezicht.’ Hij snijdt een appel aan stukken en geeft het aan Yazim.

‘Wat moest je voorstellen dan?’

‘Sinterklaas.’

‘Sinterklaas?’

‘Nouja, de slechte versie. Geef Amal maar een appel, dat lust hij wel.’ 

Yazim heeft geen idee wie Sinterklaas is en al helemaal niet wat de verkeerde versie moet voorstellen. De man die ze regisseur noemen heette Maas en had het over dat dit de engste Sint ooit was. Hij geloofde het allemaal wel. De koekjes waren lekker en de paarden prachtig. En nu had Seth hem een appel gegeven voor Amal.

Voorzichtig voert hij hem één voor één de stukjes. De warme mond van het paard gaat over zijn handen. Hij aait voorzichtig zijn neus. Amal heeft de stukjes op en wil meer. Hij ruikt aan Yazim zijn armen, langzaam omhoog, duwt tegen zijn borst. Yazim duwt hem zachtjes terug. Amals neus kietelt. 

‘Wil je hem poetsen?’

‘Mag dat?’ Yazim kijkt met grote ogen naar Seth.

‘Tuurlijk, hij mag je wel.’

Yazim mag hem ook wel. Amal ruikt naar aarde en gras in de lente. 

Hoofdstuk 3

3

Iedere dag racet Yazim naar de stallen om Seth te helpen. Samen mesten ze de stallen uit, geven de paarden water en leggen extra voer op het land omdat het gras te droog wordt in de zomer. Hij mag Amal poetsen en op het land zetten. Sinds pas staat er ook een zwarte kleine pony. Seth noemt hem De Hulk. 

‘Wil je op hem rijden?’ vraagt Seth op een dag. ‘Dat ga je aan de lange lijn en geef ik je les.’ 

‘Ik heb geen rijbroek.’ Yazim wijst naar zijn korte broek. Hij had ooit een keer op een paard gezeten in een korte broek en dat deed hij nooit meer. 

‘Weet ik, daarom heb ik wat voor je.’ Seth loopt naar de camper. Nieuwsgierig gaat Yazim achter hem aan. 

Op de tafel staat een grote doos ingepakt in sinterklaas papier. Seth gebaart dat hij die open moet maken. Er zit een zwarte rijbroek in, een paar rijlaarzen en een cap.

‘Is dat voor mij?’

‘Probeer maar aan. Ik zie je zo buiten, dan zadel ik De Hulk op.’

Trots kijkt Yazim in de spiegel die achter de deur hangt. De broek is iets te groot, maar de laarzen passen en de cap zit ook precies goed. Op het prikbord achter hem hangen de foto’s waar hij de eerste keer ook naar had staan kijken. Misschien gaat hij ooit ook wel op trektocht naar de heilige stad Petra, hij gaat nu immers leren paardrijden. Er hangt nog een foto waar Seth met zijn arabier voor de stad Petra staat. Een andere ruiter staat er naast.

‘Wie is dat?’ vraagt hij als Seth weer binnenkomt.

‘Mijn allerbeste vriend.’

‘Waar is hij nu?’

‘Helaas niet meer hier.’

‘Mis je hem?’

‘Ja,’ Seth kijkt verdrietig naar de grond.

‘Ik mis mijn vriend ook,’ Yazim weet niet goed hoe hij het moet zeggen. Hij mist Rami meer dan wie dan ook. ‘We trainen voor het WK, maar Rami kan helemaal niet zo goed voetballen en ik eigenlijk ook niet.’

Seth moet hardop lachen. Yazim lacht met hem mee. Waarom weet hij eigenlijk niet, maar dit gaat hij naar Rami schrijven. Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest. Rami kan daar wel om lachen.

Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest

Na weken weet hij eindelijk wat hij wil gaan schrijven in zijn brief naar Rami. Hij zal wel meerdere kantjes nodig hebben. Hij gaat hem vertellen van de filmopnames, en van De Hulk waar hij op mag rijden en natuurlijk van Amal die hij iedere dag mag poetsen en al zonder hulp van Seth naar het land mag brengen. Over Seth gaat hij ook wat zeggen, maar hij weet nog niet precies wat. Iets leuks en vrolijks. 

Hij gooit zijn fiets op de grond en rent naar binnen. Het eten is zo te ruiken bijna klaar. Misschien heeft hij nog even tijd voor zijn brief. 

‘Yazim?’ Zijn vader klinkt streng. Hij zit op de bank, met mama naast hem. Haar ogen zijn rood van het huilen. Dat is de laatste tijd vaker zo, maar nu krijgt hij er een knoop van in zijn maag. 

‘Is het waar?’ Vader kijkt hem strak aan. Hij is boos, maar Yazim heeft geen idee waarom.

‘Wat is waar, papa?’

‘Bezoek jij die man?’

Heeft hij het over Seth? En waarom zou hij daar boos over zijn. Seth is zijn beste vriend. Zijn moeder begint harder te huilen en zijn vader begint te schelden. Hij zegt dingen die niet waar zijn. Seth is geen gemene man. Hij doet niemand kwaad en zeker Yazim niet.

‘Hij is mijn vriend!’ stampvoet hij. ‘Hij praat met paarden en Mohammed zal nooit zijn zielsverwanten laten praten met een slecht iemand.’

Zonder zijn vaders reactie af te wachten rent Yazim naar zijn kamer. Het liefst had hij de deur op slot gedaan, maar hij deelt het met zijn broer dus dat gaat niet. Huilend laat hij zich op bed vallen. In avondeten heeft hij ook geen trek meer. 

Als het al donker is gaat de deur open. Het is zijn broer. Yazim doet net alsof hij slaapt. Talha praat zachtjes tegen iemand. Voorzichtig opent Yazim zijn ogen om te zien of er iemand bij hem is, maar hij praat tegen de telefoon in Arabisch. Hij heeft het over wraak, en dat niemand ongestraft aan kinderen mag zitten. Yazim snapt er niets van.  Hij blijft net zo lang doen alsof hij slaapt totdat Talha weer de slaapkamer uitloopt. Het is al over middennacht. Vader en moeder slapen al. Talha sluipt het huis uit. Yazim gaat hem achterna. 

Buiten bij het hek wachten vier jongens hem op. Yazim herkent Furkan, maar die andere twee kent hij niet. Ze zien er ouder uit dan Talha en hij weet zeker dat ze niet hier in de barakken wonen. Dit zijn de jongens uit het dorp. Als mama hoort dat Talha met hen op stap gaat wordt ze helemaal woest. Hij twijfelt of hij het haar wakker zou maken, maar de jongens stappen op hun brommers en rijden weg. Yazim heeft geen tijd meer om zijn fiets te pakken. Iets zegt hem dat hij weet waar ze naar toe gaan. Zo hard als dat hij kan, rent hij ze achterna. De achterlichten dansen in het donker. Het fietspad is onverlicht en hij kan ze goed volgen. Hij ziet al precies waar ze stoppen; bij de stallen van Seth. Eén van de jongens heeft een jerrycan bij zich. 

‘Nee,’ roept Yazim zo hard als dat hij kan. ‘Seth!’

De jongen gooit de jerrycan leeg tegen de schuurdeur waar het stro achter ligt en steekt het aan. De vlammen grijpen om zich heen. Ze likken aan het hout en trekken zich op omhoog. De camper gaat open. Seth rent naar buiten. Hij heeft alleen een broek aan, zijn haren zitten in de war. Hij roept de jongens te stoppen, maar niemand luistert. Yazim ziet hoe Furkan een stalen buis van de grond pakt en die hard tegen het gezicht van Seth slaat.

‘Nee!’ Yazims woorden sterven weg in de wind. Hij blijft roepen, maar niemand reageert. Furkan slaat nog een keer en een andere jongen begint te trappen. Talha staat erbij en filmt. Dit keer is het bloed echt en zijn de acteurs nep. In de verte hoort hij Seth roepen, het zijn maar flarden, maar hij herkent de namen. De paarden!

Yazim klimt snel over het hek, zet het andere hek naar het land open en rent naar de schuifdeur van de stallen. Het vuur is hier nog niet gekomen, maar het duurt niet lang meer. Hij rent naar binnen en gooit één voor één de staldeuren open. De Hulk gaat als eerste naar buiten, Abdullah vlucht erachteraan. Amal komt nieuwsgierig naar hem toe.

‘Ik heb geen appels, je moet gaan.’ Hij voelt zijn tranen branden. Het vuur komt dichterbij, hij voelt de hitte van het hout. Buiten hoort hij Seth schreeuwen. ‘Je moet gaan Amal, je loopt gevaar. Ze hebben je baas. Seth heeft pijn.’ Hij aait Amals neus. ‘Je moet hem helpen.’

Amal richt zijn hoofd op, alsof hij het heeft gehoord. In volle galop rent hij naar buiten. Yazim vlucht met hem mee. Er klinkt nu weer geschreeuw, maar niet van Seth. Dit is Furkan. 

Amal staat voor ze. Hij maait met zijn voorbeen, slaat er een paar keer hard mee op de grond. Furkan probeert hem te slaan met de stalen buis. Seth ligt roerloos op de grond.

‘Doe het,’ fluistert Yazim. ‘Doe het.’ 

En dan verplaatst Amal zijn gewicht naar zijn achterbenen, zijn voorbenen komen van de grond. Hij maait in de lucht en haalt met een gerichte beweging uit naar Furkan. Amals hoef raakt hem vol tegen zijn borst. Hij wankelt en valt dan achterover. De andere jongens kijken angstig toe. Amal landt weer op de grond, steigert dan nog een keer en haalt ook nu weer uit met zijn voorbeen. Talha kiest eieren voor zijn geld en blijft roerloos staan. De vierde jongen zit al op zijn brommer.

Amal duwt zachtjes zijn neus tegen Seth aan. In de verte klinken er sirenes.    

Hoofdstuk 4

Nederland ruikt eigenlijk een beetje hetzelfde als thuis, maar dan anders. Natter. Alsof de zon ontbreekt. Yazim ademt diep in. De zon ontbreekt niet. Het schijnt alleen niet overal even fel. Net als thuis. Gek genoeg, voel je ook hier in de schaduw de warmte het sterkst. 

Amal slaat met zijn staart een vlieg weg. Die hebben ze hier ook. Alleen zijn ze dikker en vervelender. Yazim leunt tegen de hals van de volbloed aan. Hij weet nog steeds niet wat hij zijn vriend thuis zal schrijven. Zijn ouders zijn zo boos op Talha, dat ze hun woede naar Seth zijn vergeten. Het is ook een beetje hun schuld, maar dat zegt hij niet tegen hen of tegen Rami. 

‘Wat sta jij te dromen?’ Seth zet een grote baal hooi neer op het land. Hij heeft een pleister boven zijn oog en loopt een beetje mank. Paardrijden kan hij voorlopig niet. ‘Moet je Amal niet poetsen?’

Yazim haalt zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik Rami moet schrijven.’

Seth denkt even na. ‘Soms is denken al genoeg. Als je de woorden in je hart voelt, dan hoort je vriend ze daar ook.’

Yazim fronst. Het ‘ongeluk’, want zo noemde de politie het, is nu al twee weken geleden maar Seth heeft zo te horen nog steeds last van een hersenschudding. 

‘Zo werkt het ook met paarden. Ze verstaan onze gesproken taal niet, maar wel wat we denken in ons hart.’ 

‘Praat je zo ook met jouw beste vriend?’

Seth knikt. ‘We konden helaas niet zo vaak samen zijn, maar ik wist precies wanneer hij aan me dacht en andersom.’

‘Beetje vaag is dat wel.’ 

Amal hinnikt instemmend. 

‘Net zo vaag als oefenen voor een WK als je allebei niet goed kan voetballen,’ zegt Seth met een knipoog en loopt weer naar de camper. ‘Ijs?’

‘Lekker.’ Yazim geeft Amal nog een klopje op zijn hals en brengt hem dan naar het weiland.

Eindelijk weet hij wat hij naar Rami gaat schrijven. 

Nederland ruikt naar Amal, mijn vriend hier. Een volbloed Arabier. We praten via ons hart met elkaar. Dat kan, heeft Seth mij verteld. Hij praat zo ook met zijn allerbeste vriend, die hij niet zo vaak meer ziet. Zij kunnen ook niet voetballen, maar trainen wel voor een WK. 

Hij tekent er een lachend gezichtje bij. Rami zal dit wel snappen. Eigenlijk is Nederland hetzelfde als thuis. Ook hier schijnt in de schaduw de zon en ruikt het naar zomer. 

Burning Hill

Burning Hill

admin  

Burning Hill is just down the road,’ roept de taxichauffeur en wijst me de richting die ik op moet om bij het restaurant te komen. Ik knik een ‘dank je wel’ en dan zie ik het in zijn ogen. Alsof hij wil zeggen: ach meisje, waar begin je toch aan? Zou ik in zijn ogen de zoveelste toerist zijn die Australië denkt te kunnen redden? Hij moest eens weten. Ik ben hier heel egoïstisch voor mezelf, om mijn eigen wereldje te redden.

Een egoïstische klootzak, dat ben je!

Ik hoor het mezelf nog steeds schreeuwen. Samen met al die andere woorden die ik zei en die Lucas echt niet verdiend had. Geen wonder dat hij wegging. Ik was zo onredelijk, en waarom? Omdat ik een bangerd ben? Daar hoeft Lucas dan toch niet onder te lijden. Hij verdient iemand die wel met hem het avontuur durft aan te gaan. Een maatje die zonder hysterisch te worden gewoon in het vliegtuig springt om de wereld te redden.

‘Kom op, Juul, sunny side up,’ moedig ik mezelf aan. De eerste twee belangrijke stappen heb ik al gezet: ik ben in een vliegtuig gestapt en ik heb aan mezelf toegeven dat ik fout zat. Nu moet ik het alleen nog hardop tegen hem zeggen.

Ik bind mijn haar in een staart, slinger mijn rugzak over mijn schouder, en neem een flinke slok van mijn water. Ik heb letterlijk en figuurlijk de smaak van roet in mijn mond. De lucht om me heen zindert, alsof er onweer gaat komen. Of misschien wel erger, dat de hel deze keer echt gaat losbarsten. In de verte zie ik dikke rookpluimen dreigend mijn kant opkomen. Het vuur laat zich door niets en niemand tegenhouden.

In mijn hoofd galmt het liedje van Billy Lockett: why burn it down, to build it up better? Ze zeggen dat je soms alles moet platbranden om weer opnieuw te beginnen. Dat de grond vruchtbaarder is na een brand. Ik vraag me af of het met relaties ook zo werken?

‘Vooruit dan maar,’ verzucht ik. ‘Wie A zegt moet ook de rest van het alfabet opdreunen.’ Ik zet er stevig de pas in, maar na een aantal meter heb ik al door dat mijn schoenen mooi zijn op een plaatje, maar niet geschikt zijn om hier in de warmte te lopen. Ik voel de blaren bij wijze van al branden, en ik weet dat als ik straks mijn schoenen uittrek, ik ze nooit meer wil aandoen. 

         ‘Als het wringt kun je maar beter afstand nemen van elkaar,’ filosofeert dat duiveltje op mijn schouder. ‘Net als bij relaties.’ Ik wil hem wegslaan. Het wrong helemaal niet tussen Lucas en mij. Of heb ik de signalen over het hoofd gezien, en is deze hele onderneming bij voorbaat al mislukt.

Was niet mijn angst de reden dat Lucas wegging, maar creëerde hij met opzet een situatie waardoor ik uit mijn doen zou raken en hem van me af zou duwen.

Was dat wat hij juist wilde?

Ik schud mijn hoofd om dat gepieker te stoppen. Het houdt me al drie weken bezig en er is maar één manier om erachter te komen waarom Lucas deed wat hij deed. Ik moet doorzetten.

Just down the road blijkt nog een behoorlijk eind lopen en het zweet gutst van mijn lijf alsof ik een uur lang ben afgebeuld in de sportschool. Uiteraard met het bijpassend ‘tomaten-hoofd’. Zo’n overrijp, niet-meer-geschikt-voor-consumptie-exemplaar. Het lukt me daarom ook niet meer om een rondedansje te doen als ik mijn bestemming in het vizier krijg:

Burning Hill.

Tot voor kort was het een normaal, zelfs een beetje shaby, wegrestaurant dat vooral door backpackers werd gevonden. Nu lijkt het wel omsingeld door hulptroepen. Overal staan politieauto’s, brandweerwagens en speciale Vet-Vans, van die Landrover jeeps waarin dierenartsen rijden. Zou Lucas er nu ook zo’n eentje hebben? In Nederland reed hij in een tweedehands Opel, met een metalen kast in de laadruimte waar hij al zijn spullen in bewaarde. Hij spaarde voor een nieuwe, maar als jong koppel is het lastig sparen.

Ik slik de brok in mijn keel door. Het is nooit mijn bedoeling geweest om hem te beperken in wat hij wil, maar volgens mij sta ik op het punt om dat weer te doen. Aarzelend stap ik Burning Hill binnen. Ik weet niet goed hoe Lucas gaat reageren als hij mij ziet. Van mezelf weet ik het ook niet. 

Hoe begrijpelijk zijn actie achteraf ook is, hij is wel degene die alles achterliet. Zomaar zonder overleg. Alsof onze toekomst samen helemaal niets voorstelde. Daar moet ik niet te lang over na denken anders sta ik binnen no time te janken. Dat heb ik al genoeg gedaan, bovendien hebben ze hier andere zorgen aan hun hoofd.

Binnen is het druk, waarschijnlijk omdat het lunchtijd is. Brandweerlieden, politieagenten, hulpverleners, dierenartsen, maar ook lokale bewoners zitten verspreid door het restaurant. Sommige zijn zichtbaar aangeslagen, anderen lijken wat meer ontspannen. Met nadruk op lijken, want wat ik tot nu toe heb gezien op televisie en in de korte periode dat ik hier ben, gaat niet in je koude kleren zitten. Ik zou niet weten hoe ik zou reageren als ik alles in vlammen op zie gaan. Al kan ik me dat natuurlijk wel een beetje indenken op dit moment, maar dat is nog steeds figuurlijk gesproken. 

Een bekende geur prikkelt mijn neus, en nu komen wel de tranen. Subtiel haal ik mijn neus op. De geur wordt sterker. Het ruikt naar thuis op zaterdagmiddag: Lucas die groentesoep met ballen maakt. Het is een traditie die is ontstaan in onze studententijd. Lucas vroeg of ik bij hem wilde eten, ik zei zonder twijfelen ja, en proefde die avond voor het eerst de soep à la Lucas. Het is ook ongeveer het enige gerecht dat hij maakt, maar dat terzijde.

Ik speur het restaurant af, maar zie Lucas nergens. Het lijkt me logisch dat hij in de keuken staat. Wie ik wel zie is Brent. Een schoolvriend waarmee Lucas na het vwo-examen is gaan backpacken door Australië. Ze hebben altijd het plan gehad terug te keren na hun studie. Lucas als dierenarts, Brent om een restaurant voor backpackers op te zetten. Het kwam er nooit van. School, werk, relaties en andere verplichtingen gooiden constant roet in het eten. Tot het lot bepaalde en Australië vlamvatte. Na hun rondreis ging Lucas in Utrecht studeren, en Brent in Maastricht. Ik heb hem nog nooit in het echt ontmoet, en verwacht ook niet dat hij mij herkent als hij voor me staat.

Help wanted of help giving?’ vraagt hij met een onmiskenbaar Nederlands accent. 

‘Ik zoek Lucas,’ antwoord ik.

‘Hee, die taal spreken we hier ook! Lucas is op dit moment even de kok.’ Hij gebaart dat ik hem moet volgen naar de keuken. We banen ons een weg door de mensen heen en Brent maakt her en der een praatje. Het gaat over de bosbranden, het vuur dat oprukt en al die dieren die geen kant op kunnen. Ik luister naar het verhaal van een vrouw wiens dochter samen met haar hond op zoek gaat naar dieren in nood. Terwijl ze praat haakt ze driftig door: sokjes voor dieren met verbrande pootjes. Op de binnenplaats zijn speciale schaduwdoeken opgehangen waaronder verzorgers zitten met dieren die gered zijn uit het inferno.  

‘Weet Lucas dat je komt?’

Ik schud mijn hoofd. Dat Brent mij niet herkent, betekent dat Lucas het helemaal niet over me heeft gehad. Duidelijker kan hij wat dat betreft niet zijn.

‘Gaat het?’

Ditmaal laat ik mijn hoofd op- en neergaan. ‘Het gaat,’ zeg ik met een zachte stem. In mijn hoofd schreeuw ik dat het niet gaat. Dat ik zo ongelooflijk stom ben geweest en dat ik hier eigenlijk weg wil. En ook weer niet. Dus ga ik Brent achterna. Hij houdt twee kleine klapdeurtjes open waardoor we achter de bar komen. Het doet me denken aan zo’n Amerikaanse Western, alleen dan met lichte kleuren. De keuken is afgescheiden van het restaurant door middel van een plastic vliegengordijn. 

‘Lucas,’ roept Brent. ‘Visite, voor jou.’ Hij duwt me de keuken in waar het nog een tikje warmer is. Lucas kijkt verschrikt op. Hij staat achter een enorm fornuis te roeren in een grote pan. Verder doet hij niets. Niet dat hij type is dat een rondedansje van blijdschap doet in wat voor situatie dan ook, maar op dit moment kijkt hij me aan alsof hij me niet ziet, of wil zien. Kippenvel verspreidt zich over mijn lichaam. 

‘Hi,’ weet ik er net aan uit te persen. ‘Ik…’ Maar eigenlijk weet ik niet meer wat ik wilde zeggen. Hoewel hij duidelijk peentjes zweet, ziet Lucas er goed uit in zijn sleeveless en zijn korte broek. Zijn donkere krullen zijn iets langer, hij lijkt iets gespierder, en er is nog iets. Hij is veranderd. Hoewel hij hier moet leven in een gigantische stressvolle situatie, ziet hij er content uit. Content in de zin dat hij hier echt op zijn plek is. Iets waar ik al bang voor was. Lucas gaat niet met mij mee terug naar Nederland. Ik wil weer mijn mond opendoen, Lucas zo te zien ook, maar het moment is voorbij als de achterdeur openvliegt en er een knappe meid van een jaar of twintig tevoorschijn komt.   

‘Hiya Luc, Ze zijn terug. Kom je?’ Haar grote bruine ogen zijn alleen op hem gericht. Ik hoef zelfs geen moeite meer te doen om door de grond te zakken, zelfs nu ik recht voor haar sta lijk ik te zijn opgelost. 

Lucas knikt, hij kijkt vragend naar Brent en die kijkt op zijn beurt weer moeilijk.

‘Het is lunchtijd, Luc. We komen al handen te kort, iedereen heeft honger, en als ik de keuken ook nog moet overnemen…’ Hij klinkt wanhopig en dat snap ik ook wel. Het is binnen echt druk.

‘Ik wil wel helpen,’ stel ik voor. 

‘Top,’ bromt Lucas en gaat dan achter Miss Universe aan. Het lijkt alsof hij iets van ‘hoi’ mompelt, maar dat kan ook mijn verbeelding zijn.

Samen met Brent blijf ik achter in de keuken. De warmte kruipt weer terug in mijn huid, maar het is geen aangenaam gevoel. Het is alsof ik flauw ga vallen. Dit was het dus. Na drie weken radiostilte en kilometers vliegen, zijn we nu definitief uit elkaar. De fysieke afstand maakt niet meer uit. De emotionele afstand is onoverkomelijk. 

‘Kom, dan geef ik je even een werkshirt,’ haalt Brent me weer uit mijn mijmeringen. ‘Heb je vaker geserveerd?’        

‘Ja, het is de enige echte baan die ik heb gehad,’ mompel ik. Brent kijkt me vragend aan. ‘Freelance journalist,’ verklaar ik. ‘Met de horeca heb ik mijn studie betaald.’

‘Carrière-tijger,’ zegt hij met een knipoog. In een klein hok vol met schoonmaakmiddelen naast de keuken geeft hij mij een shirt en de instructies hoe ze te werk gaan in Burning Hill. Al worstelend met het ‘one size only’ shirt hoor ik hoe het concept hier in zijn werk gaat. Het is simpel. Er is koffie, thee, citroenlimonade en gewoon water. Als lunch is er soep met een broodje en tussendoor kan men een snack krijgen of wat fruit. Alles is gratis en wordt mogelijk gemaakt door sponsors.

‘Maar we moeten zuinig zijn,’ legt Brent uit. ‘Geen idee hoelang dit nog allemaal gaat duren. En of we het vuur überhaupt kunnen tegenhouden.’ De droefheid klinkt in zijn stem. Hij probeert het weg te krijgen met een glimlach, en schiet vervolgens in de lach als hij naar me kijkt. 

‘Wat?’ Maar ik weet heus wel dat het door het shirt komt, dat alles behalve comfortabel om mijn lijf heen plakt.

‘Niets,’ grinnikt hij. ‘Ik moest even denken aan Wrap, een van onze patiënten buiten.’  

‘Juist.’ Geen idee wie hij hiermee bedoelt, maar ik ga er geheid achter komen. 

Na een korte rondleiding waar alles staat, ga ik aan de slag en doe ik mijn best om net als de andere vrijwilligers iedereen te voorzien van eten en drinken. Ik luister naar de verhalen en hoe meer ik hoor, hoe meer ik snap van Lucas bewonder dat hij zomaar alles opzij heeft gezet om zich hierin te zetten. 

Als ik even pauze kan houden, zie ik hem buiten druk in de weer met de dieren die zojuist zijn binnengebracht. Hij bekijkt een koala aandachtig en dept dan iets op de pootjes. 

Alsof hij voelt dat er naar hem gekeken wordt, draait hij zich om. Ik glimlach, en hij trekt even zijn mondhoeken op. Miss Universe is zijn assistente en vraagt zijn aandacht door haar hand op zijn onderarm te leggen.

Hij is van mij, wil ik zeggen. Maar is dat wel zo?

De rest van de middag en avond ben ik druk in de weer. Er is genoeg te doen en gek genoeg geeft het me ook energie. Bovendien leidt het me van Lucas af. Als het wat rustiger is in het restaurant, help ik in de keuken met de voorbereidingen voor de volgende dag. Lucas heeft zijn soep-repetoire uitgebreid en voor morgen staat er een goed gevulde maaltijdsoep op het menu. Ik snij de groente terwijl ik luister naar Brent en zijn wilde verhalen over zijn rondreis met Lucas, zeven jaar geleden. Ik hoor voor de verandering de dingen die Lucas eerder niet wilde vertellen, en ik snap eigenlijk niet waarom, want het is best grappig. Al snap ik ook wel dat Lucas, die meestal de serieuze zoon van een dierenarts uithangt, niet wil dat zijn blunders wereldkundig gemaakt worden. En hij heeft er best een aantal op zijn naam staan. 

‘… gaat ‘ie op dat paard zitten met zo’n gezicht van “ik heb verstand van dieren, want mijn vader is dierenarts en mijn moeder dressuurruiter”, bleek het een hengst te zijn. Bokken dat ding, ging helemaal uit zijn frietpan. Lucas gillen, joh. Echt ik pieste in mijn broek,’ hikt Brent alsof hij het weer voor zich ziet. 

‘Altijd nog beter dan op een ezel stappen en denken dat het een volbloed is,’ klinkt het achter ons. Lucas doet zijn best om boos te kijken, maar ik zie dat hij er moeite voor moet doen. Ik ken hem langer dan vandaag. Hij wil glimlachen, maar is te koppig. Over ezels gesproken.

Zonder me een blik waardig te gunnen pakt hij een stuk wortel van het aanrecht en gaat naast Brent staan. 

‘Kun je zo helpen met water geven?’ vraagt hij aan zijn beste vriend. ‘Dan ga ik eten.’

Brent knikt. ‘Doen we.’

‘We?’ Ik kijk vragend naar Brent, en meen zelfs iets van irritatie bij Lucas te zien. 

Zou hij het vervelend vinden dat ik Brent ga helpen? Dat neigt naar jaloezie, en ik voel me erdoor gevleid tot ik haar de keuken in zie lopen met twee bordjes in haar handen.

‘Luc, zullen we in de camper eten?’ vraagt ze. ‘Daar is het lekker koel en kunnen we rustig zitten.’

Na drie weken radiostilte en kilometers vliegen, zijn we nu definitief uit elkaar. De fysieke afstand maakt niet meer uit. De emotionele afstand is onoverkomelijk. 

‘Wanneer ben jij geland?’ vraagt Brent terwijl hij me een blikje fris overhandigt. We zitten tegen een boom op de binnenplaats en hebben net alle dieren voorzien van vers water en fruit of groente. Ik weet nu ook wie Wrap is: een kangoeroe met een soort gaasverband om zijn bovenlijf waardoor het net lijkt alsof hij een rollade is. Nu snap ik waarom ik erop lijk, maar het deert me niet. Dankbaar pak ik het blikje aan en neem er een slok van. 

‘Vanochtend op zeven uur landde ik.’

‘Dan heb je al een lange dag achter de rug. Ben je niet moe?’

‘Het gaat,’ antwoord ik. Zolang ik overeind blijf voel ik het niet. Net als met die blaren waarvan je weet dat ze er zijn, maar die je nog niet echt voelt totdat je je schoenen uitdoet. Dan begint de pijn pas echt. Het idee dat ik straks nog een slaapplaats moet zoeken, staat me tegen. Helemaal omdat ik dan, zodra ik alleen op de kamer ben, voel hoe echt de pijn is. Al die tijd heb ik nog een beetje hoop gehad dat Lucas wel bij me terugkomt, of dat ik sorry kan zeggen tegen hem en alles weer goed is. Dat is een illusie. Sommige dingen gaan kapot en worden nooit meer heel.

‘Lucas zei dat je vliegangst had. Viel het toch mee?’

Ik haal mijn schouders op. Als ik ongedaan kon maken wat ik gezegd heb tegen Lucas, en hoe ik onze relatie heb verbroken, door nog tien keer in een vliegtuig te stappen, dan zou ik het voor de zekerheid twintig keer doen. Zelfs naar Australië.

‘Ik heb niet echt vliegangst,’ begin ik. ‘Het is iets anders. Mijn broer ging in de zomer van 2014 naar Australië, samen met zijn vriendin. Ze zouden eerst naar Indonesië gaan en van daaruit verder reizen, maar ze hebben hun bestemming nooit bereikt.’

Brent laat een zucht ontsnappen. ‘Je broer zat op vlucht MH 17?’ 

Ik knik. Vechtend tegen mijn tranen. ‘Het is dus niet zo zeer dat ik een hekel heb aan vliegen, het is gewoon het idee dat je weggaat, en nooit meer terug kan komen.’

Misschien wil ik daarom ook wel dat er niets veranderd aan mijn vertrouwde leven. Nieuw staat gelijk aan anders, staat gelijk aan onbekend. En dat beangstigt me. Want een reis naar het onbekende kan best wel eens een enkeltje zijn.

Brent legt even zijn hand op mijn schouder. ‘Sorry, dat wist ik niet.’ 

‘Zijn jullie klaar?’ Weer klinkt er die brommende stem van Lucas achter ons. Hij kijkt ook nog steeds niet blij. Zijn knappe assistente staat in de deuropening met een verhit gezicht naar ons te kijken. ‘Kun je even helpen, Brent? Juul moet haar spuit, en Lana durft haar niet vast te houden.’ Hij maakt een hoofdgebaar naar zijn assistentie die onze kant op komt lopen. Nu weet ik hoe ze heet, maar dat is niet de naam waarover ik me verbaas.

‘Juul?’ Vragend kijk ik van Brent naar Lucas. Ze kijken beiden blanco terug. Al meen ik rode vlekken op Brents zijn gezicht te zien en doet hij volgens mij heel erg zijn best om niet in de lach te schieten.

‘Die valse koala heet zo,’ antwoordt Lana voor ze. 

Stomverbaasd kijk ik toe hoe het drietal wegloopt naar de kooien achter het gebouw. Juul. De valse koala. 

Ze hebben verdorie een valse koala naar mij vernoemd. Dat doet de deur dicht. Woedend spring ik op van mijn plek en loop stampend naar binnen. Dat er stoom uit mijn oren komt, heeft niets meer te maken met de hitte die hier onder je huid kruipt. Waar haalt hij het lef vandaan om mij zo te vernederen. Wie weet wat hij allemaal over me verteld heeft. 

Vechtend tegen mijn tranen kijk ik nog één keer achterom en zie ik hoe Brent de koala in zijn armen houdt terwijl Lucas heel voorzichtig de injectienaald inbrengt. Hij doet het echt op de Lucas manier: zorgzaam en lief. En toch ben ik ongelooflijk boos op hem. Ik slik mijn verdriet weg. Het is voorbij. Wij zijn voorbij. 

In het schoonmaakhok wurm me uit mijn werkshirt. Blijkbaar is er een band ontstaan tussen mij en het kledingstuk de afgelopen uren want ik krijg het ding met geen mogelijkheid uit. 

‘Gaat het?’ klinkt het achter me. Ditmaal hoor ik een vleugje amusement door zijn gebrom heen.

‘Nee, Luc, het gaat niet,’ sneer ik. ‘Maar maak je om mij maar niet druk. Ik red me wel.’ 

‘Ben je echt helemaal alleen komen vliegen?’

‘Nee, er was ook nog een piloot bij,’ hijg ik als ik eindelijk dat shirt uit heb en mijn eigen, met oud zweet doordrenkte, T-shirt weer aantrek. ‘Oh, en halverwege zijn we uitgestapt om even de benen te strekken, want vierentwintig uur vliegen is echt verrotte lang.’ 

Hoe boos ik ook ben, Lucas verblikt of verbloosd niet. Het lijkt net alsof hij al zijn emoties heeft uitgeschakeld.

‘Waarom kom je dan ook? Niemand dwong je.’

En daarmee doet hij definitief de deur dicht. 

‘Nou, sorry hoor dat ik de moeite heb genomen,’ bries ik. ‘Ik snap het ook niet helemaal. Maar ik dacht, misschien kan ik hiermee ons redden. Want het ene moment zijn we bezig met een nieuw huis in Delft Zuid, en  hebben we het zelfs over een bruiloft, en het andere moment heb jij je koffers gepakt om je aan te sluiten als vrijwilliger in Australië. Dus vergeef me dat ik zo warrig ben, maar die wending zag ik niet helemaal aankomen.’ Ik draai me snel van hem weg zodat hij de tranen in mijn ogen niet ziet. Buiten zit Juul, de valse koala, rustig op een stengel te knagen.

‘Juul.’ Lucas legt zachtjes zijn hand op mijn onderrug. Het is een aanraking die ik eigenlijk niet wil, maar ik ben zo moe ineens dat ik de kracht niet meer heb om hem van me af te schudden. ‘Zullen we anders even naar mijn kantoor gaan? Dan kunnen we wat rustiger praten.’ Hij duwt me voor zich uit naar buiten. Bij de brandtrap blijf hij staan.

‘Na jou.’ Hij wijst naar boven en ik ga hem voor de metalen trap op. Even lijkt het alsof hij met mijn vinger langs mijn kuit gaat. Ik durf niet te kijken. Het zullen wel de muggen zijn die in de schemer tevoorschijn komen. Het is nog steeds warm.Niet alleen van de dag, maar ook de hitte van het vuur dat een eind verderop steeds weer een stuk bos tot zich neemt zindert voort in de nacht.

Het kantoor van Lucas heeft zo te zien meerdere functies: opslagplaats, rommelhok, kleedkamer, en achter het bureau zie ik ook nog een bed staan. Op een prikbord aan de muur hangen schema’s, uitdraaien van uitslagen, een stappenplan om brandwonden bij dieren te verzorgen en een evacuatieplan. In het midden prijkt een krantenartikel. Brent, Lana en Lucas staan erop. Lucas heeft een koala in zijn armen alsof het een grote knuffel is. Dan pas zie ik waar ik de hele dag al bang voor ben geweest. Ik zie het aan de manier waarop Lana naar Lucas kijkt.

We zijn nog geen drie weken uit elkaar en hij heeft zijn geluk alweer opnieuw gevonden terwijl ik de scherven van zes jaar samen bij elkaar heb verzameld en een poging wil doen om het te lijmen.

‘Sorry,’ fluistert hij. Met zijn billen leunt hij tegen het bureau. Zijn armen heeft hij over elkaar hij geslagen. Hij ziet er verslagen uit. Ik voel me precies hetzelfde. Als ik had geweten dat ik hem voorgoed zou kwijtraken, dat zes jaar samen nooit meer zouden worden, dan had ik al die dingen die ik zei nooit gezegd. Dan had ik me lachend over al mijn principes gezet en was met hem meegegaan. Maar had hij dat wel gewild? 

‘Je komt niet meer terug naar Nederland he?’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Voorlopig niet, Juul. Dit is wat ik altijd gewild heb. Vanaf het moment dat Brent en ik op die ranch waren zeven jaar geleden wist ik dat ik hier dierenarts wilde zijn.’

‘En ik hield je al die jaren tegen?’ Ineens komen zijn woorden ook weer boven. Ik was misschien degene die onze relatie in brand stak, maar hij gooide nog een paar blokken op het vuur die ene avond. Met een beetje olie erbij.

‘Ik had dat allemaal niet moeten zeggen,’ gaat Lucas verder. Hij wrijft zuchtend over zijn wangen. Het geluid van zijn handpalm over zijn ongeschoren wangen doen de haartjes op mijn arm overeind staan. Ik mis hem zo erg.

‘Je had gelijk toen je zei dat ik hier wilde helpen om vooral mezelf te helpen.’ Hij kijkt me nog steeds niet aan. Mijn hele lijf trilt van vermoeidheid en spanning. Ik laat me op zijn bed zakken waar ik word aangestaard door een bekend gezicht. Op het nachtkastje staat een foto. Van mij. Ik lach in de camera. Het was een van mijn mooiste momenten tijdens onze vakantie in Griekenland. Toen durfde ik nog wel met het vliegtuig weg. Lucas’ verwijt galmt weer door mijn hoofd.

Door jou roest ik vast.

‘Het was zo makkelijk om jou en je vliegangst de schuld te geven,’ gaat hij verder. ‘Mijn dromen dreven steeds verder bij me vandaan en ineens was daar Brent met zijn plan om ons in te zetten voor Australië. Hij in het wegrestaurant vrienden die hij aan onze trip had overgehouden, en ik als dierenarts. Het was een schitterend plan. Iedereen zou het begrijpen, zelfs bewonderen, en als we er eenmaal waren zou alles wel op zijn plaats vallen, dacht ik.’

‘Is dat niet zo dan? Jullie dan hartstikke goed werk.’ 

Lucas schudt zijn hoofd. Ik heb hem nog niet vaak zien huilen, maar zelfs zonder zijn gezicht goed te kunnen ziet weet ik dat de tranen uit zijn ogen glijden. Hij verbijt zich. Ik hoor het aan zijn ademhaling.

‘Hee lief,’ zeg ik als ik naar hem toe loop en voor hem gaan staan. Met mijn duim veeg ik een traan weg. ‘Het is niet erg.’

‘Jawel, dat is het wel.’ Hij wil zijn handen voor zijn gezicht slaan, maar ik houd hem voorzichtig tegen door mijn handen op zijn wangen te leggen. ‘

Ik schaam me dood, Juul. Pas toen ik het vliegtuig uitstapte, besefte ik wat je in je woede had geschreeuwd.’

‘Dat je een egoïstische klootzak in een humanitaire midlifecrisis was en dat je beter koffie kon gaan schenken in een bejaardenhuis omdat ze daar ook vrijwilligers te kort komen?’

Lucas lacht door zijn tranen heen. Als het had gekund, had ik hem gezoend. Maar dat is nu niet het moment. Of dat ooit nog gaat komen… ik weet het niet.

‘Het was meer dan alleen je vliegangst waarom je zo boos was, hè? Je was bang om ook mij kwijt te raken. Net als je broer.’

Daar hoef ik geen antwoord op te geven, want ik weet dat hij het in mijn ogen kan lezen. 

‘En ik zag het niet, egoïstische klootzak dat ik ben. Niet op dat moment. En iedere dag hier besefte ik het een beetje meer, en ik nam me voor om je te bellen, maar ik durfde niet meer terug. Bang om je echt kwijt te zijn. Dus hield ik me voor dat het was goed wat ik hier deed, en dat op een dag het wel helemaal goed zou komen.’

‘En toen was daar Juul de koala. Beter kan het niet.’

Hij lacht en hoewel het verdriet nog in zijn ogen staat ben ik blij dat er meer lucht lijkt te zijn in het gesprek.

‘Waarom vernoem je eigenlijk een valse koala naar mij?’

‘Ze is niet vals, Lana kan gewoon niet met haar overweg, en Juul kan er niet tegen dat Lana zo achter me aanloopt.’

Ik voel ineens een sterke band met mijn naamgenoot de koala. 

‘Wat doen we nu, Juul?’ Lucas kijkt me onderzoekend aan. Ik herken de twijfel in zijn gezicht. Alsof het vuur aan de ene kant steeds dichterbij komt, maar de zee aan de andere kant je afschrikt.

‘Oh, burn it down and bring it back stronger,’ zing ik zachtjes. ‘Ik hoorde dat liedje van Billy Locket toen ik in de taxi zat,’ beantwoord ik zijn vragende blik. ‘We kunnen twee dingen doen. Terug naar Nederland, waar we ons weer in een keurslijf dwingen. Jij in de praktijk van je vader die je ooit tegen je zin in gaat overnemen, en ik altijd op jacht naar een betere opdrachtgever, of we blijven nog even hier en we zien wel wat de tijd ons brengt.’

‘Dat kan best lang zijn.’

‘Als we samen zijn, vind ik dat niet erg,’ fluister ik. Voor het werk dat ik doe, hoef ik niet per se in Nederland te zijn. Ik kan als tekstschrijver overal werken. Ook hier.

‘Meen je dit echt, Juul?’ Zijn ogen fonkelen weer. Ontroering, liefde en nog iets. Heel even ben ik bang dat hij het gaat ‘relativeren’ en met allerlei doemscenario’s komt waardoor ik toch even ga twijfelen, maar als hij zijn lippen op de mijne drukt weet ik dat we blijven.

‘Heb ik al gezegd dat ik van je hou,’ mompelt hij tussen zijn kussen door. 

‘Je hebt niet eens “hallo” gezegd,’ zeg ik semi-mokkend. Ik duw hem van me af en kijk hem streng aan. Voor zover dat me lukt.

‘Dat meen je niet?’ Geschokt kijkt Lucas me aan, nu schiet ik wel in de lach. Vooral als hij overal om me gezicht kust. ‘Dat gaan we dan eens snel rechtzetten.’ Hij legt zijn handen onder mijn billen en tilt me moeiteloos op. Van schrik sla ik mijn benen om zijn middel. De laatste keer dat we dit thuis deden, verloor hij zijn evenwicht en zaten we een half uur later op de eerste hulp.

‘Ik heb geoefend met kangoeroes,’ verzekerd hij me. Die brutale grijns van hem doet me smelten, maar kan de stomp tegen zijn bovenaan niet voorkomen.

‘Kijk uit hoor, anders slaap je maar bij je koala vriendin.’

‘Ik heb de afgelopen dagen niet anders gedaan,’ lacht hij terwijl hij me op het bed neerlegt, en me dit keer wel helpt met het uittrekken van mijn shirt. ‘Juul redde mijn leven. Ik vond haar op een dag dat ik het echt niet meer zag zitten. Ik wilde naar huis, maar durfde niet en daar zat ze langs de kant van de weg. Verzwakt en gewond. Ze liet niemand in de buurt, behalve mij. Ik verzorgde haar wonden, sliep bij haar omdat ze ieder uur haar medicatie nodig had en langzaam bloeide ze op. Ze is echt leuk.’

Met een glimlach kijk ik naar de man die ik bijna aan de horizon had laten verdwijnen. Hij kleedt zich expres langzaam uit. Buiten kleurt de nacht zich met vlammen van het vuur.

‘Denk je dat het snel onder controle is?’ vraag ik als naast me komt liggen. Zijn warme lijf vertrouwd tegen me aan. 

‘Blijkbaar moet iets volledig uit de hand lopen om controle terug te krijgen. Er wordt nu hard gewerkt aan brandpreventie om dit in de toekomst te voorkomen.’

‘Een toekomst waar we samen aan gaan werken.’ Ik druk mijn neus in zijn hals en verlies me in zijn geur. Een beetje zweterig, maar voornamelijk Lucas. Mijn Lucas.

Wil jij ook je steentje bijdragen? Kom net als Lucas en Juul in actie en steun het Wereld Natuurfonds.

Red me #3

admin  

De rest van de tour voelde als een thuiswedstrijd. Bij iedere kamer kwam er weer een herinnering in me op alsof ik door een fotoalbum bladerde. Ik zag mezelf zitten in de grote stoel bij de haard, of aan de tafel met het schaakbord. Sebàstian liet me altijd winnen door me telkens weer een herkansing te geven als ik bijna schaakmat stond. 

In de kamer die vroeger van Sebàstians zus was, laat de gids me een geheime deur zien achter een wandkleed en verteld me dat deze pas ontdekt is nadat het huis werd overgedragen aan het National Trust. Sebàstian stierf op een respectabele leeftijd van vijfenzeventig jaar. Niet veel later overleed zijn zus. Het huis heeft in de oorlog nog gediend als hospitaal, maar kwam daarna leeg te staan tot de notaris het overdroeg aan het National Trust.

Het was dat er nog veel meer op het programma stond, anders was ik gewoon gebleven om te zien waar die geheime deur naartoe leidt. Maar ik heb een plan.

Bij iedere kamer kwam er weer in een herinnering in me op alsof ik door een fotoalbum bladerde

Het duurt niet lang voordat iedereen slaapt. Een dag lang slenteren door drie (!) landhuizen, een wandeltocht over de Moors en Chinees eten met heel veel bier, staat garant voor een diepe slaap. Maar niet voor mij. Na middernacht sluip ik in mijn pyjama naar beneden. Angstvallig kijk ik naar buiten. Nog geen lichtje te zien. De vorige keer kwam hij op de wond in mijn arm af, maar die wond was niet echt. Die droomde ik. Het lijkt me een beetje vergezocht om nu een scherf in mijn arm te steken in de hoop dat Sebàstian me dan komt redden. En wat als het allemaal echt een droom is, wie weet verbeeld ik het me wel en is er helemaal niets, alleen mijn verbeelding. 

Dan zie ik in de verte op de heuvel een lichtje.

Hij is er.

‘Right, actie Jesse.’ Ik trek de deur open en stap naar buiten. ‘Sebàstian! Ik ben hier.’ 

Het lichtje verdwijnt achter de heuvel. 

‘Shit.’ 

Ik draai me om zodat ik mijn jas en schoenen kan pakken, maar de deur achter me zit dicht. Hoe kan dat? Ik heb helemaal niets gehoord. Ik wil al iets duns pakken zodat ik de hendel omhoog kan duwen, zoals hij dat gisteravond ook deed met zijn mes, maar de keukendeur heeft een heel normaal slot. Er is helemaal geen ouderwets metalen hendel. Het lukt me voor geen meter om de deur open te krijgen. Er zit geen beweging in. Zal ik kloppen of aanbellen? Als ik me omdraai zie ik weer dat lichtje dansen in de verte. Er zit maar één ding op: ik ga er achteraan. 

Ik ben geen held, laat ik dat vooropstellen, en dat ik beef heeft niet alleen met de kou te maken. Er is nog een ander gevoel dat me overspoelt. Ik ken het van een aantal jaar geleden. Het gevoel van wanhoop en machteloosheid, dat je uiteindelijk in een steeds dieper wordende kuil duwt. Tot je maar één uitweg ziet. Die avond gebruikte ik een scherf van een bierflesje dat ik kapot had geslagen. 

In mijn handen voel ik ineens iets scherps en kouds.

Hoe komt dat nu daar?

Flitsen schieten er in mijn gedachten voorbij. Het ene moment loop ik met mijn blote voeten op het natte gras en het andere moment sta ik in de badkamer. Mijn hart bloedt omdat alles waarnaar ik verlang buiten mijn bereik lig. Ik proef zijn lippen weer op de mijne, en ga onder in die rust die eindelijk over me heen kwam omdat waar ik op dat moment was, thuis was. Bij hem in zijn armen. Maar zodra we elkaar loslieten wisten we allebei dat we ons doodvonnis hadden getekend. Wij samen was geen toekomst.

De scherf in mijn hand gaat steeds dieper in mijn pols. Ik wil dit niet, maar kan het niet tegenhouden. Het duister heeft me overmand. Met mijn ogen dicht duw ik door. Ik moet op mijn lip bijten om het niet uit te gillen. Dit keer ben ik te diep gegaan. Het pulseren van mijn hart is terug te zien in de straal die uit mijn arm vloeit. Nog voor ik goed en wel heb kunnen bedenken wat ik moet gaan doen overvalt een duizeling me en zak ik door mijn knieën. Vlak voordat ik de grond raak, weet ik dat dit niet de oplossing is.

Ik proef zijn lippen weer op de mijne, en ga onder in die rust die eindelijk over me heen kwam omdat waar ik op dat moment was, thuis was.

‘Dit is niet de oplossing, Jess.’ Sebàstian heeft zijn hand op mijn pols die in het verband zit. Hij zit naast me op het bed. Het vuur in de openhaard knispert geruststellend. ‘Je hebt me laten schrikken. Het spijt me als ik je in verlegenheid heb gebracht. Ik dacht dat je…’ Hij haalt zijn hand door zijn haren en pakt dan het kommetje met water. ‘Heb je dorst?’

Ik schud mijn hoofd. Deze riedel gaan we niet weer afdraaien. ‘De mannen van het dorp hebben ons gezien.’ Het komt allemaal weer bij me terug. ‘Ik deed het niet omdat ik schrok van wat je deed. Ik hou van je, maar…’ weer is daar de paniek die me samen met die machteloosheid overvalt. Alsof je ineens beseft dat je een beslissing hebt genomen die onomkeerbaar is. We zijn gezien. Dit kan onze dood worden.

‘Doe de deur niet open als er straks wordt geklopt. We moeten vluchten.’

Sebàstian schudt zijn hoofd. ‘Je moet rusten.’

‘Nee.’ Ik schud driftig mijn hoofd, maar kan hem niet tegenhouden. Hij geeft me een kus op mijn voorhoofd en staat dan op. Ik wil hem naar me toe trekken, de kus verlengen en verdiepen. Oh god, ik wil met hem het bed delen.

Zoals we al vaker gedaan hebben.

Oké, we zijn dus wel heel erg ‘strafbaar’ bezig geweest, en ik zie geen oplossing meer. Sebàstian sluit de deur achter zich. Mijn hersenen maken overuren wat betreft het zoeken naar een uitweg. Over enkele minuten staan de mannen van het dorp voor de deur. Ik kan doen alsof ik hier gewoon een gast ben, of misschien zelfs de geliefde van Sebàstians zus, maar dat kunnen we geen maanden volhouden. 

Mijn eigen dood in scène zetten is ook tricky. Wat als ze denken dat Sebàstian dat heeft gedaan? Dan gaat hij vervolgens ook nog voor moord achter de tralies. Of erger. In deze tijd zijn ze wat minder ethisch met de straffen die ze uitdelen. 

Net als alle vorige keren stap ik uit bed, pak de kaars die op het kastje ernaast staat en loop de gang op. Alsof ik mijn dood tegemoet ga, loop ik langs de schilderijen, tot ik bij de trap ben. In mijn droom liep ik naar het portret. Nu sluip ik naar de kamer aan de andere kant van de overloop. Het is de kamer van Sebàstians zus. 

Annabella.

Zodra ik de deur opendoe zie ik het. Onze gids van vanmiddag lijkt als twee druppels water op de jonge Annabella.

‘Jessmond, wat doe jij hier.’ Ze is overduidelijk gestrest, niet door mijn binnenkomst, maar omdat ze weet wat er gaat gebeuren want door de gordijnen heen is te zien dat er een stoet deze kant opkomt. De zwarte koets met de paarden ervoor zien er angstaanjagend uit, net als de vele fakkels die eromheen dansen. ‘Er staat jullie een verschrikkelijke toekomst te wachten.’

‘Niet als er geen bewijs gevonden wordt,’ zeg ik. Het plan is me ineens helemaal helder. Ik zoek naar de deur achter het wandkleed. ‘Yes,’ Het ornament dat de gids me vanmiddag aanwees, dient als deurknop. Ik druk het in, en de wand gaat open. Annebella kijkt me verbijsterd aan.

‘Hoe wist je dat dat er was?’

Ik schud mijn hoofd dat ik geen tijd heb om dat uit te leggen. ‘Vertel iedereen dat ik gevlucht ben naar Europa, Bella. En zeg ze nadrukkelijk dat het mijn fout is, dat ik Sebàstian heb verleid en dat jullie me hebben weggestuurd.’

‘Maar waar ga jij dan heen?’

‘Ik ga naar het geheime gedeelte van het huis. Dat wordt mijn nieuwe thuis.’ Verder kan ik weinig uitleggen. Er wordt hard op de voordeur gebonsd, en we horen hoe Sebàstian de deur opendoet.

De rest van het verhaal ken ik. Het scheurt mijn hart uiteen als ik de arrestatie hoor. Het gaat er niet zachtzinnig aan toe. Annabella duwt me de geheime gang, huilt dat ik moet gaan en rent dan haar slaapkamer uit. Ik loop in het donker een houten wenteltrap op. Het gaat hoger en hoger tot ik op de zolderverdieping ben. Het is ingericht als een woonverblijf met oude meubels en een bed dat in de hoek van de kamer staat. Klein ramen zijn mijn enige toegang naar de buitenwereld. Ik zie hoe de stoet wegrijdt van het huis. Op naar Dartmoor Prison, terwijl ik zojuist een ander soort gevangenis ben binnen gegaan. Als ik hier blijf, en als ik mijn plan doorzet, betekent het dat ik nooit meer buiten gezien mag worden. Dit is nu mijn wereld. Maar ik weet hoe het is om jarenlang zonder hem verder te moeten. Om dwalend door het leven te gaan, op zoek naar hem.

Als ik hier blijf, en als ik mijn plan doorzet, betekent het dat ik nooit meer buiten gezien mag worden. Dit is nu mijn wereld.

Het duurt vier weken eer ik bekende voetstappen op de wenteltrap naar zolder hoor. Al die tijd zette Annabella eten voor me neer bij de deur, en al die tijd zat ik hier alleen. Tot vandaag.

‘Jessmond?’ Sebàs staat voor me en kijkt me verbijsterd aan. ‘Wat doe jij hier? Ze zeiden dat je gevlucht was, dat jij mij gedwongen had.’

‘Je hebt ze toch niet tegen gesproken?’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Annabella zei dat ik daar akkoord mee moest gaan. Dat het zo was gebeurd. Ik dacht dat ik je kwijt was.’

‘Nooit meer,’ zeg ik. ‘Nooit meer ben je me kwijt. Ik blijf voor altijd bij je.’

 ‘Je hebt me gered,’ zegt Sebàstian. Hij loopt langzaam mijn kant op.

‘Ik denk eerder dat jij mij hebt gered. Als jij me die avond niet gevonden had…’

‘Ik zei toch dat ik over je zou waken? Dag en nacht.’ Zijn hand voelt vertrouwd op mijn wang. ‘Ik ben blij dat je eindelijk weer thuis bent.’

‘Ik ook,’ beantwoord ik zijn lippen. Eindelijk voel ik me thuis. 

En mocht je op de Moors zijn en toch een dwaallicht zien, kijk dan eens goed. Dan zal je zien dat het er twee zijn. Sebàstian en ik, die samen een wandeling in de nacht maken. Ongezien, maar voor eeuwig samen. 

Red me #2

admin  

‘Hee, Rukker! We hebben je alter ego gevonden.’ 

Kevins geblèr doet mijn hoofdpijn geen goed. Ik heb totaal geen idee meer wat er vannacht is gebeurd. Blijkbaar ben ik in de badkamer uitgegleden en ben met mijn kop tegen de wasbak geknald. Waarover ik ben uitgegleden is een raadsel, maar wel de reden tot speculatie en hilariteit, vandaar mijn nieuwe bijnaam. Er zat geen glas in mijn arm, en het raampje van de badkamer zat netjes dicht. Volgens de eigenaresse van het B&B kon het niet eens open. 

Onze begeleider heeft direct mijn tas gecontroleerd op drugs en hoewel hij niets kon vinden, heeft hij toch bedacht dat hij me geen moment uit het oog mag verliezen. Ik moest mee met de excursie van vandaag: Dartmoor Hall. Een afgelegen landhuis – wat ligt hier niet afgelegen – dat alleen maar bereikbaar is via een smal kronkelpad waarvan we het laatste stuk nog moeten lopen omdat de landheer de laatste jaren van zijn leven hier geleefd heeft als een kluizenaar en niemand op zijn land wilden. 

‘Als een soort Heathcliff,’ had de tourguide gezegd met een diepe zucht, waarna ze vervolgens een kwartier bezig was om een groep tieners uit te leggen wie in godsnaam Heathcliff was. Ik heb er weinig van meegekregen, er is zoveel ruis is dit huis dat het gewoon zindert in mijn lijf. Alsof ik een gebied vol hoogspanning ben binnengelopen. Mijn schedel lijkt langzaam uit elkaar te barsten, terwijl de druk op mijn borstkas oploopt. Ik ben in het huis van mijn dromen met een onheilspellend gevoel hijgend in mijn nek. De laatste keer dat ik hier was, liep het niet goed af. Wat tegelijkertijd ook weer onzin is, want ik ben hier nog nooit eerder geweest.

Toch?

‘Het is echt net Jesse,’ giechelt Noor. Ze wijst naar een portret dat op een dressoir staat in de zogenaamde smoking room, de ruimte waar ze na het eten nog een brandy dronken met een sigaar. De mannen dan.

‘Had je soms familie hier wonen?’ roept Kevin weer. 

Eigenlijk heb ik geen zin in een prank, maar toch slof ik hun kant op. Het portret waar ze op doelen, doet me schrikken. Alsof ik in mijn eigen ogen kijk. 

‘Wie is dat?’ stamel ik.

‘Volgens het boekje “een neef” van de heer des huizes.’ Noor houdt haar handen nog even in de lucht nadat ze die aanhalingstekens heeft gemaakt. 

‘Een neef?’ kopieer ik haar.  

‘Er staat hier dat Jesmond Odell zeer regelmatig in Dartmoor Hall logeerde. Hoewel er geen aantoonbare bloedband is, wordt hij als neef genoemd in de biografie.’

‘Spooky…’ fluistert Kevin geheimzinnig in haar oor. Ze giechelt wéér en samen lopen ze verder. 

Ik wil iets zeggen, maar mijn stem blijft hangen in mijn keel. Zoveel toeval is toch niet gezond? Nieuwsgierig en ook wel een beetje angstig voor wat ik nog meer ga tegenkomen volg ik de rest van de groep naar boven. 

De enorme trap bestaat uit twee delen en heeft een soort tussenverdieping waar een portret hangt van Lord Sebàstian Kenton. Nachtwaker staat eronder en een jaartal; 1854. Geschokt kijk ik naar zijn gezicht.

Hij is het.

Zijn ogen zijn net zo groen als dat ik me herinner. De lach om zijn mond komt overeen met mijn beeld van hem, en ik proef de wijn op zijn lippen. In de schalkse blik die hij me toewerpt ligt een vraag waarvan ik weet dat ik het ga beantwoorden. Een golf van warmte spoelt door mijn lijf.

Oh shit, hij is het echt. De man van mijn dromen.

‘Prachtig portret, is het niet?’ De tourguide, Bella heet ze, is geruisloos naast me komen te staan en kijkt me onderzoekend aan. Ze is al wat ouder aan haar grijze haar te zien, maar haar blik heeft nog iets jeugdigs. Ze komt me bekend voor, maar ik weet niet waarvan. Ik knik langzaam. Prachtig is niet het juiste woord om dit portret te omschrijven, maar wat het wel is kan ik nog niet zo goed onder woorden brengen.

‘Wat betekent het onderschrift?’

‘Geen idee, het staat achterop het schilderij geschreven, vermoedelijk door de kunstenaar gedaan. Sommige bronnen vermelden dat Sebàstian ’s nachts over de Moors doolde omdat hij niet kon slapen. Maar anderen beweren dat hij ’s nachts waakte over zijn neef die leed aan ernstige nachtmerries, alleen de aanwezigheid van Sebàstian maakte hem rustig. Het gerucht gaat dat zijn neef dit portret heeft gemaakt.’

‘Die “neef” Jessmond?’

‘Die inderdaad.’

Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk. Als ik heel goed kijk, is de techniek die gebruikt is voor dit schilderij nagenoeg hetzelfde als mijn eigen techniek. Er komen steeds meer vragen in me op. Hopelijk kan Bella me verder helpen.

‘Maar dat was toch geen neef?’

‘Nee, wie of wat hij wel was, is een mysterie, maar vermoedelijk is hij de reden dat de heer des huizes in Dartmoor Prison heeft gezeten op beschuldiging van sodomie.’

‘Sodomie?’ Dat is natuurlijk een woord waar Kevin direct op afkomt. ‘Was die engerd een holbewoner?’ 

‘Wat is een holbewoner?’ hikt Noor giechelend.

‘Dat ben je als je hem graag in iemands poeperd duwt.’

‘Ieeehwl!’ Ze slaat haar handen voor haar mond. Kevin sleurt haar gelukkig bij ons vandaan. De pijn in mijn buik wordt erger. Waarom zeg ik hier niets van? De vrouw van de tour herpakt zich als eerste, maar wel met rode wangen.

‘Als dit zogenaamd normale reacties zijn in een tijd waarin homoseksualiteit redelijk geaccepteerd lijkt, dan snap je wel hoe moeilijk het was voor twee jongens in de negentiende eeuw om verliefd te zijn.’

‘Maar ging je daarvoor naar de gevangenis?’

‘Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd homoseksualiteit legaal hier in Engeland.’

‘Serieus?’ Maar dat is amper vijftig jaar geleden. ‘Twee jongens die van elkaar houden doen toch niemand kwaad?’ Ik vind die reactie van Kevin al kapot irritant, en een reden om niet hardop voor mijn gevoelens uit te komen, maar stel dat je niet alleen belachelijk wordt gemaakt maar ook nog wordt opgesloten in een gevangenis. Ik heb één nacht vastgezeten vanwege vandalisme en omdat ze me een lesje wilde leren, maar dat was terecht. Maandenlang in de gevangenis, waar je in die tijd echt niet fijn behandeld werd, omdat je je hart wilde volgen is de zwaarste vorm van onrecht.

‘En Jessmond? Wat is er met hem gebeurd?’

‘Dat weet niemand. We weten uit de dagboeken van Sebàstians zus dat Jessmond een ongeluk had gehad en hier in Dartmoor Hall verbleef zodat Sebàstian hem kon verzorgen, maar Jessmond is nooit meer gezien na de avond van de arrestatie. Volgens een passage in het dagboek is hij naar Nederland gevlucht, maar er is nooit bewijs gevonden dat hij daar ook is aangekomen. Sommige geschiedkunidgen beweren dat hij die avond op de Moors is verongelukt en dat Sebàstian sinds zijn vrijlating uit Dartmoor Prison over de Moors dwaalt. Hij schijnt er nog steeds te lopen.’

‘Op zoek na Jessmond?’

‘Op zoek naar jou…’ Ze knipoogt. ‘Ik bedoel Jessmond.’ 

Lees verder

Red me

Red me

admin  

Ik ben geen held. Laat ik dat vooropstellen. Dat ik nu over de Moors dwaal in mijn eentje – en in mijn pyjamabroek – heeft alles te maken met wat ik gisteren heb gezien. Al zolang ik me kan herinneren word ik uit mijn slaap gehouden door dezelfde droom. Tot voor kort bleven de beelden vaag, maar ze worden steeds sterker en sinds we gearriveerd zijn in Dartmoor lijkt het net alsof de realiteit naar een droom vervaagd en wat ik altijd gedroomd heb, echt wordt. 

Mijn voeten op het natte gras herken ik uit alle nachten dat ik wakker werd met het gevoel alsof ik iets heel stoms had gedaan. Meestal werd ik dan ook schreeuwend of huilend wakker. Nu stelt het me gerust. Ik ga ergens naartoe.

En als ik op de heuvel sta en in de verte het water bij de brug zie glinsteren in het maanlicht weet ik dat ik er bijna ben.

Nu stelt het me gerust. Ik ga ergens naartoe

Ieder jaar wordt er vanuit het jongerenwerk bij ons in de gemeente een vakantiereis georganiseerd voor jongeren die wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Met mijn zeventien en elf maanden, ben ik nog net zo’n ‘jongeren’. Als schoolvoorbeeld van hoe een systeem dat wel wil, maar niet kan, heb ik wel meer dan een steuntje in de rug nodig, maar het is leuk om er even tussenuit te zijn. Ik heb geen ouders waarmee ik op stap kan, en ook is er geen enkel familielid dat zich over me kan ontfermen. Ik weet niet eens of ik familie heb. Zoals ik al zei, ik ben het schoolvoorbeeld van hoe jeugdzorg faalt, ondanks het feit dat ze knetterhard hun best hebben gedaan. Jongens zoals ik zijn moeilijk te plaatsen. En zo voel ik me ook altijd: alsof ik nergens thuis hoor.

Tijdens de reis is dat ook niet heel veel anders. Er is me weleens gezegd dat ik niet goed genoeg mijn best doe, maar als je geen talent voor voetbal hebt, kom je ook nooit in het eerste. Ik heb geen talent voor mensen. Ik heb wel een grote bek, maar dat is meer om de lachers op mijn hand te krijgen. Niets is zo erg als ingedeeld worden bij het groepje ‘stille losers’. Maar zeggen waar het echt om gaat, of wat me dwars zit, kan ik niet. Zo interessant ben ik ook weer niet. Al denk ik dat wat ik in Dartmoor Prison heb gezien iedereen wel zou interesseren, mits ik het natuurlijk op een sappige manier vertel.

Met een zucht draai ik me om in bed. Het houten frame kraakt zoals zo’n beetje alles in deze B&B. In de verte klinkt een zacht getik, maar Kevin, de jongen die in het bed naast me slaapt, snurkt er vredig doorheen. Het is geen vervelend geluid en als ik er zo over nadenk zou ik er best aan kunnen wennen. Kevin draait zich om. Het licht van de gang valt op zijn gezicht.

‘Doe normaal, Jess.’ Een aangenaam gevoel kietelt onder mijn navel en ik draai me driftig op mijn buik. Ik probeer me te concentreren op dat vervelende getik in de verte. Misschien leidt het mijn gedachten af van vanmiddag en val ik alsnog in een ondiepe slaap. 

Eentje zonder dromen graag, want ze worden steeds heftiger en ik word er een beetje angstig van. Net of ik op het punt sta iets te besluiten wat onomkeerbaar is. De dood bijvoorbeeld. Zo voelt het namelijk als ik wakker word: alsof er iemand is doodgegaan. 

Misschien ben ik in een vorig leven wel een heel slecht iemand geweest. Een moordenaar ofzo. En word ik nu de rest van mijn leven geteisterd door de zielen van de mensen die ik om het leven heb geholpen.

‘Onzin Jesse.’ Trouwens, er is maar één gezicht dat steeds vaker terugkomt in mijn dromen. Het begint altijd hetzelfde. Ik loop door een lange gang in een landhuis, met mijn vingers ga ik langs de lambrisering. Ik ben niet bang, maar blij. Ineens klinken er harde stemmen. Iemand roept mijn naam en schreeuwt dat ik moet vluchten. Dan word ik wel bang. Ik vlucht het huis uit, de nacht in. Ik struikel, val en dan ineens is hij er en word ik wakker.

Ik draai weer op mijn rug. De gebeurtenis van vanmiddag zit me in de weg. Met al mijn macht probeer ik het te verdringen maar het kruipt weer onder mijn huid. Ik voel me uitgeput en rusteloos tegelijk. Heb ik hem gedroomd of was hij daar echt?

Hij zat in Dartmoor Prison. Omdat een groep pubers niet snel onder de indruk van een vervallen gebouw, had de tourguide bedacht dat we in het verboden gedeelte van de Victoriaanse gevangenis mochten. Echt indrukwekkend was het niet, eerder deprimerend. Vooral de authentieke cellen. Gruwelend van de benauwde ruimtes liep ik door de smalle gang. Bij de achterste deur stond het luikje open, ik gluurde naar binnen en schrok me vervolgens de pleuris. 

Hij zat er.

De man die ik zag in mijn dromen. Zijn baard bedekte grotendeels zijn gezicht en zijn halflange haar zat in een staartje. Hij had een brede neus, volle lippen en een lijf van een landwerker. Zo leek het tenminste, of het was die lange zware jas die hem zo breed maakte. Mijn geschokte ademhaling deed hem opkijken. Het groen van zijn ogen brandde in de mijne. Ik voelde een tinteling in mijn onderbuik, sloot mijn ogen en toen ik weer keek zag ik niemand meer.  

Dat was nog het engste. Dat hij er niet meer was. Had hij er nog gezeten, had ik er hard om moeten lachen en er verder niet meer bij nagedacht. Het had me niet verbaasd als het een acteur was geweest. Maar nu was hij weg. Als een geestverschijning die in mijn hoofd bleef spoken. 

Het getik wordt steeds harder. Net als de wind om het huis. Waarschijnlijk is het raampje in de badkamer opengewaaid, en klappert het open en dicht. Er is maar één manier om het irritante geluid te stoppen. Slapen gaat het nu toch niet meer worden. Ik zwaai mijn benen over de rand en rol uit bed. Op mijn blote voeten schuifel ik over de vloerbedekking. Ik voel de slijtplekken. In de badkamer knip ik het licht aan en zoek naar het raam. Een koude windvlaag, gevolgd door een harde knal is het antwoord.

‘Shit.’ 

Het badkamerraam is helemaal opengewaaid en knalt tegen de buitenmuur aan. Om erbij te komen moet ik half uit het raam hangen. Met een beetje pech – of misschien ook weer niet – val ik straks nog te pletter. 

Balancerend op de wc-pot rek mijn arm zover mogelijk uit. Bijna ben ik met mijn vingers bij het vermolmde kozijn als ik op de heuvels van de Moors een lichtje zie flikkeren. Blijkbaar ben ik niet de enige die wakker is. Het lichtje komt dichterbij en ik zie de schim die erachter loopt. Hij, aan zijn figuur gok ik dat het een hij is, draagt dezelfde lange jas als die man in Dartmoor Prison vanmiddag. Ik strek me nog iets verder uit. Hij komt deze kant op. Steeds dichterbij. Hij zoekt iets of iemand, want ik hoor hem roepen.

‘Jess. Jess!’

Oké, nu moet het ophouden. Zo ver als ik kan leun ik naar voren om dat verrekte kozijn te pakken, en net op dat moment kijkt hij mijn kant op.

‘Shit.’ Zijn groene ogen doemen weer in mijn herinnering op. 

Van schrik donder ik op de grond. Het raam valt met een klap dicht en net op tijd kan ik mijn armen voor mijn gezicht doen ter bescherming tegen het rondvliegende glas.

‘Auw!’ Ik bijt op mijn andere hand om het niet uit te schreeuwen. Een glasscherf steekt als een ninja ster uit mijn pols. Al dat bloed is niet goed voor mijn tere zieltje. Het zweet staat op mijn voorhoofd en ik begin te trillen. Ik kan niet tegen bloed. Snel kijk ik van de wond weg en overweeg mijn opties. De jongens op de slaapzaal wakker maken is voor mietjes. Dat doe ik niet. De begeleider laat ik ook maar slapen. In de keuken ligt een verbandtrommel. Daar kan ik vast wel mee uit de voeten.

Als ik het haal.

Trillend op mijn benen stommel ik de trap af, en sleep me door de gang heen naar de keuken. Het is eigenlijk een soort bijkeuken aan de achterkant van het huis. Er zijn twee grote ramen die als zwarte gaten staren in het niets en de buitendeur heeft verrassend veel overeenkomsten met een gammele schuurdeur. De wind heeft vrij spel om binnen te komen. Ik ril. Misschien had ik toch maar beter iemand wakker kunnen maken. Het bloeden gaat gestaag door. Ik kan het mij verbeelden, maar het lijkt alsof het er in kleine golfjes uitkomt. Zou ik een slagader geraakt hebben?

‘Open up!’ klinkt het buiten. De kreet gaat gepaard met een paar luide bonzen op de deur. 

‘Dat meen je niet.’ Die gek is hiernaartoe gekomen. Het liefst kruip ik onder de keukentafel, maar bedenk net op tijd dat die plek nog iets veiliger is met een wapen. Mijn bloed druipt ritmisch op de grond. De kou wordt meer intens, het kruipt in mijn botten, en ik moet regelmatig knipperen om de zwarte vlekken voor mijn ogen weg te krijgen.

‘Please!’

‘Rot op met je, please!’ 

Er ligt niets bruikbaars voor handen. In een van de lades vind ik wel een kurkentrekker, geen idee of ik er iets aan heb, maar mijn gemoed wordt wanhopig door de metalen punt die langs de deurpost naar binnen steekt. In ons dorp gebruiken inbrekers een pinpas om het slot open te krijgen, maar hier in het land waar de tijd chronisch heeft stil gestaan gebruiken ze blijkbaar een antiek mes. Het duurt niet lang voor hij bij de grendel is. Hij wrikt, ik twijfel en dan vliegt de deur open. 

‘There you are!’

De angst is weg. Een vreemd gevoel van rust overvalt me. Dat hier iemand uit het begin van de negentiende eeuw de keuken in komt stormen lijkt me allerminst te verbazen. Hij grijpt mijn arm, kijkt naar het glas en pakt het voorzichtig tussen zijn wijsvinger en duim. 

‘Don’t do this.’

Ik voel zijn andere hand om mijn arm. Zodra het glas mijn lichaam verlaat, zak ik weg. 

Ik voel me uitgeput en rusteloos tegelijk. Heb ik hem gedroomd of was hij daar echt?

Ik word wakker in een groot houten ledikant naast een wand met boeken. Op het nachtkastje staat een kaars. Het vlammetje danst op en neer. 

Raar, denk ik. Wie zet er nu een kaars naast zijn bed? Maar dan voel ik iemand op het bed zitten.

‘Je liet me schrikken.’ Met zijn vingers raakt hij voorzichtig mijn hand. De lange mantel is weg en in plaatst daarvan draagt hij een wijd overhemd dat netjes in zijn broek zit. Hij ziet er minder woest uit dan net. Ik gok dat hij maar een paar jaar ouder is dan ik. Zijn groene ogen fonkelen ‘Het was niet mijn bedoeling om je te laten schrikken.’

‘Waar ben ik?’ 

‘Dartmoor Hall.’

De naam komt me niet bekend voor, maar als hij had gezegd dat ik thuis was, had ik het ook geloofd. Zo voelt het tenminste. 

‘Heb je dorst?’ Hij houdt een kommetje met water omhoog. Ik knik, wil naar het kommetje grijpen, maar hij zet het al aan mijn lippen en houdt voorzichtig zijn andere hand onder mijn kin om het morsen te voorkomen. Aandachtig houdt hij zijn ogen gericht op het kommetje en mijn mond. Als ik klaar ben, veegt hij de druppel die langs mijn kin kruipt weg. De beweging is te traag en de reactie in mijn lijf is absurd. Onze blikken raken. Geen idee wat er aan de hand is, maar er lijkt een kortsluiting te ontstaan in mijn hoofd. Ik wil lachen en huilen tegelijk.

‘Sorry, als ik je – ’ De hand die net nog op mijn kin lag, haalt hij nu door zijn haar. ‘Ik dacht dat je, net als ik –  Het spijt me, ik wilde je niet in verlegenheid brengen.’ Alsof hij door iets gestoken wordt, staat hij op, veegt zijn handen af en zet het kommetje met water op een toilettafel. 

‘Rust maar uit, ik zie je morgen bij het ontbijt. Goedenacht.’ Hij geeft een kort knikje en stapt dan met korte stappen de kamer uit.

Right. Daar lig ik dan in een kamer die beter past in de vorige eeuw, of zelfs die daarvoor. Is dit echt, of wordt er een geintje met me uitgehaald. Ieder jaar doen ze iets zogenaamds lolligs met de gasten voor wie de trip de laatste keer is. Dit jaar is het dus mijn beurt. Het is alleen spooky hoe dicht ze in de buurt zijn gekomen van mijn eigen demonen.

 Ik werk me het bed uit, en zie tot mijn verbazing dat ik een lang overhemd draag als een soort nachthemd. Heeft die woesteling mij uitgekleed?

Nou ja, daar ga ik maar niet al te lang over na denken want ik merk dat ik het geen vervelend idee vind.

Met het kaarsje van het nachtkastje verken ik de kamer. Aan de muur hangen portretten en schilderingen van landschappen. Het parket voelt warm onder mijn voeten. In de gang gaat het parket gewoon door, maar in het midden ligt een lange loper. Ik blijf echter staan in de deuropening omdat ik deze plek herken.

Dit is de gang uit mijn dromen. Net als in mijn nachtmerrie ben ik op dit moment niet bang. Nog niet, maar het voelt alsof er een allesverwoestende storm aankomt. Toch stap ik over de drempel, de gang in. De wand hangt vol met schilderijen en tekeningen. Ik herken houtskool, potlood en een etstechniek. Een tijdlang blijf ik staan voor een potloodschets van een landschap met een klein stenen bruggetje.

‘Dit is bizar.’

Het bruggetje is een van de oudste bruggen die er hier in de omgeving te vinden is. Het is een Romeins bouwsel en hoewel het slechts een fietsbrug lijkt, kan er een vrachtauto – niet een heel brede uiteraard – overheen. Ik weet het, want ik heb thuis een foto van deze brug, en ik heb die vaak gebruikt als voorbeeld voor mijn tekeningen. In mijn tekenmap op de woongroep ligt precies dezelfde tekening als die hier aan de muur hangt.

‘Bizar.’ Ik buig wat dichterbij. De initialen JO, van Jesse Oden, zijn lachwekkend goed nagemaakt, en nu weet ik zeker dat dit een prank is. ‘Goed gedaan hoor, mensen,’ roep ik in willekeurige richting. Waarschijnlijk zitten ze allemaal te grinniken in de huiskamer. Met mijn vingers langs de lijsten volg ik de kunstwerken naar een grote overloop. Op de landing, waar de grote houten trap een draai maakt, hangt een portret van landheer. Zijn groene ogen lijken feller. 

Toch bizar dat ze een acteur hebben kunnen vinden die exact lijkt op de man uit mijn dromen. Voor zover ik weet heb ik er nog nooit iemand over verteld, maar dat wil niet zeggen dat ik me niets heb laten ontglippen op de moment dat ik dankzij de drank of drugs niet helemaal van deze wereld was.

Ik wil het van dichtbij bekijken, want de techniek is echt bijzonder, maar het open- en dichtslaan van een deur doet me stilstaan.

‘Jessmond!’ Vanuit een van de kamers komt een jonge vrouw mijn kant op. Haar lange jurk komt net tot haar enkels en haar kamerjas hangt er los overheen. Mijn vragende blik, zal wel de reden zijn voor de ongerustheid in haar ogen. Zij is wel heel bizar authentiek.

‘Heb je weer een nachtmerrie?’

‘Sorry?’ 

‘Sssst.’ Ze houdt haar vingers voor haar mond. Met haar hoofd iets schuin, luistert ze aandachtig naar de geluiden beneden. Ik doe met haar mee, maar heb geen idee wat ik moet horen.

Dan is er weer dat geschreeuw dat ik herken uit mijn dromen. Er klinkt gebons op de deuren en ramen alsof er een leger naar binnen wil.

‘De mannen van het dorp. Je moet vluchten Jessmond. Je moet. Als ze je hier vinden is alles verloren. Papa is woest en jouw vader is… het spijt me maar hij is meedogenloos.’ Ze trekt me aan mijn arm de gang in. ‘Het is gewoon niet eerlijk.’ 

‘Wat niet?’

‘Dat weet je best. Jij en Sebàstian.’

‘Ik en… Wat bedoel je nou?’

‘Daar hebben we nu geen tijd voor, Jess. Neem de diensttrap. Via de werkkamer kun je naar buiten, kijk niet om en ren naar de brug. Zo hard je kan. Wacht daar op me. Morgenochtend kom ik je halen.’

Veel tijd om te protesteren heb ik niet. Beneden bij de deur klinkt er gebrul, de voordeur wordt opengebroken en Sebàstian kan ze zo te horen niet tegenhouden. Ik krijg een duw de gang in en ren weg. Pas na drie deuren heb ik de ‘diensttrap’ gevonden.

Buiten kijk ik nog één keer om. Er staat een hele menigte voor het huis. Vier ruiters te paard staan om een grote zwarte koets heen. De twee paarden die daarvoor staan, schrapen ongeduldig met hun voorbenen. Sebàstian wordt met zijn handen geboeid naar buiten gesleurd. Mannen met fakkels joelen luid.

Ik twijfel want weggaan voelt zo verkeerd, maar tegen zoveel macht kan ik niet op. Ik zet het op een lopen. Geen idee waar ik heen moet. In het donker ren ik de heuvel over. Het water glinstert in het maanlicht en tot mijn grote opluchting zie ik het bruggetje. Rillend van de kou hurk ik ernaast. Met mijn handen om mijn knieën wieg ik heen en weer. Zoals gewoonlijk waak ik door de nacht heen. Pas als de schemer opkomt, vallen mijn ogen dicht.

Lees verder

Sneeuwklokjes

Sneeuwklokjes

admin  

Hummer was ons excuus voor geen baby. Dat scheelde een hoop uitleg. Alsof iedereen het begreep. En ook nu is de hond mijn verweer. Ditmaal tegen mijn schoonzus die heeft besloten dat op reis gaan het beste voor mij is. Hier blijven doet mij geen goed en met ‘hier’ bedoelt ze niet het koffiehuis waar we zitten, maar het leven dat mij herinnert aan wat ik had. Ik staar uit het raam naar de mensen buiten, ieder onderweg naar ergens toe. Minireizigers in de gure lentewind. Met mijn ogen dicht zie ik het veld vol sneeuwklokjes. Annabel danst er middenin.

‘Reizen is zelfontplooiing en de weg naar acceptatie.’ Mijn schoonzus praat de laatste tijd in voorgedrukte quotes. ‘Door te reizen, vinden problemen vanzelf een bestemming.’ Haar wijsheden worden afgewisseld met haastige slokken cappuccino.  ‘Geloof me Milo, schuld houdt je hier en dat is niet juist.’ Haar hand voelt koud op de mijne. Ik denk dat ze het voornamelijk over zichzelf heeft. 

Door te reizen vinden problemen vanzelf een bestemming

Het sneeuwde die avond. Ik stond met mijn rug naar het bed en bekeek de vlokken die naar beneden dwarrelden. Alsof iemand in de hemel een deken van dons aan stukken scheurde. 

‘Je kan toch op z’n minst iets zeggen?’ Annabel zat op bed, haar linkerbeen onder zich gevouwen. In gedachte schetste ik het tafereel achter me. Inkleuren kon ik het niet meer. Ik kende haar contouren, de zachte lijnen van haar gezicht, haar borsten naar de vorm van mijn handen, de glooiing bij haar navel en het kleine streepje haartjes dat zo fijn kriebelde tegen mijn onderbuik. Ik kende het gevoel wat erbij hoorde, maar herkende het niet meer.

Hoe kon je? wilde ik zeggen, maar de woorden bleven hangen achter de velletjes op mijn lippen. Ik beet erop. Buiten werd de wereld steeds witter. Sneeuwvlokken dansten in het gele natriumlicht. Nog even en er zouden enkel witte vormen zijn. Ondefinieerbaar voor wie niet wist wat eronder zat.

‘Ik ga,’ zei ik uiteindelijk. Het laatste velletje scheurde van mijn lip af. Zonder jas en zonder sleutel deed ik de deur achter mij dicht.

In gedachte schetste ik het tafereel achter me.

‘Wil je nog koffie?’ Mijn schoonzus tikt zachtjes met het lepeltje tegen mijn hand. Ik knik en kijk hoe ze wegloopt naar de bar. Ze lijkt op haar zusje en toch weer niet. Alsof ze elkaars jas dragen die wel past, maar niet staat. Annabel was het type waar je in het eerste jaar van je studie voor werd gewaarschuwd. Alfa meisjes en beta jongens werden nooit wat. En Annabel was een op en top alfa meisje. Student rechten met pareltjes in haar oren, opgestoken haren en ongekreukte kleren. De ‘R’ rolde in haar keel. Maar ze doorbrak een gouden regel: ze sprak een wazige van sterrenkunde aan.

‘Ik mag bidden dat je dat ding van je vader hebt geleend,’ zei ze en wees op mijn ruitjes overhemd die het deze avond van mijn ‘vage rockband’ t-shirts had gewonnen. 

‘Kleren kunnen uit,’ antwoordde ik en nam snel een slok bier. Het had een opzetje moeten zijn voor een vakkundig ingestudeerde sneer. Iets over uiterlijk en innerlijk.

De volgende ochtend werd ik wakker met mijn handen strelend over een huid van amandelmelk, onze kleding gemengd op de grond. We besloten dat college kon wachten en doken onder in onze bubbel van donzen dekbed en ongeslapen matras.

Alsof ze elkaars jas dragen die wel past, maar niet staat.

‘Had jij er wat in?’ Mijn schoonzus schuift het metalen rekje met melk en suiker over de tafel naar me toe. Ik sla af. Suiker, daar begon het mee. De eerste keer dat Annabel zout in mijn koffie deed, lachte ze het weg. Het was een grapje omdat ik het gras niet had gemaaid. De keren daarna vergat ze waarom ze het was vergeten. Sindsdien doe ik geen suiker meer in mijn koffie. Aan de bittere smaak kan ik niet wennen.

‘Ik kan niet zomaar op reis, Syl. Hummer kan ik toch niet alleen laten.’ Ik ontwijk haar blik die mijn excuus zou kunnen ontkrachten. Annabel wilde een hond, ik liever een kat. Volgens zijn paspoort heette de chihuahua Hummer, maar zij noemde het dier steevast Beau, naar de hond die haar ouders vroeger hadden toen ze klein was. Na een paar maanden vergat ze het diertje steeds vaker uit te laten of eten te geven. Uiteindelijk vroeg ze wat dat beest in huis deed. Ik heb hem naar een vriend gebracht.

Sylvia roert zwijgend in haar kopje. Het lepeltje tikt de secondes weg tegen het porselein. Ik wacht tot ze iets zegt of vraagt, maar sinds die avond dat het sneeuwde lijkt niemand meer in staat tot een gesprek. Annabel en ik hadden al jaren geen echt gesprek meer, en soms vraag ik me af of we dat überhaupt wel eens gehad hadden. Ik kende Annabel als het meisje dat zich bediende van correct Nederlands, vooral als ze haar gelijk wilde halen, dat knorde als ze lachte en dat chocolade als de remedie tegen zo’n beetje alles zag. Er zou nog zoveel meer van haar zijn geweest als het niet was gaan sneeuwen in haar hoofd.

‘Vraag jij je nooit af of…’ Sylvia draait haar sjaal langzaam om haar nek. De ruimte om iets te zeggen wordt kleiner, ze twijfelt en staat dan op. Het is tijd om te gaan. Ook zij bijt op haar lip, draait zich van me weg, maar komt dan weer terug. 

‘Het is niemands schuld, Syl.’

‘Ze was zo anders de laatste tijd.’ Tranen vormen zich in haar ogen. ‘Die obsessie met het weer en dat gezeur dat alles ineens precies op tijd moest. Zo was ze nooit.’ De tranen vinden een weg naar buiten, ‘misschien was dat allemaal gewoon een roep om hulp en heb ik dat gemist.’ 

‘We hebben allemaal Annabel gemist.’ zeg ik en volg de sporen op haar gezicht. Troosten kan ik niet. Ik wil het ook niet.

Sylvia mompelt iets wat ik niet versta en met een luchtkus verdwijnt ze in de wind.

Er zou nog zoveel meer van haar zijn geweest als het niet was gaan sneeuwen in haar hoofd.

Ik slenter naar een veld vol sneeuwklokjes. Op mijn borst voel ik de brief van de gemeente die vanochtend op de mat viel. De aanvraag voor dagopvang is goedgekeurd, Annabel is van harte welkom op de afdeling Zonveld. Daarbij zat ook een kopie van de uitslag van het onderzoek vijf jaar geleden en een brief van de notaris. Ik heb ze diep weggestopt in de binnenzak van mijn winterjas.

Heel even heb ik overwogen om Sylvia alles te vertellen, maar wat moet ik zeggen? Frontotemporale dementie werd enkel door de arts uitgesproken. Zelf hadden we het er nooit meer over gehad. Alzheimer was immers iets voor na je pensioen. Voor ons werd het iets waar we niet meer omheen konden tot die avond dat het voor altijd zou blijven sneeuwen. Ze zat naakt op het bed, haar linkerbeen onder haar lijf. We hadden sinds tijden weer seks gehad. Niet echt met elkaar, maar als twee lijven die een behoefte hadden. Ik stond voor het raam en keek naar buiten. Haar plan lag zojuist gelezen op de vensterbank.

 ‘Het stopt ergens, Milo. Ik kan me niet eeuwig verschuilen achter een burn out of een onvervulde kinderwens depressie. Het sneeuwt ook binnenin. Mijn hoofd dwarrelt langzaam uit elkaar en de mist wordt steeds dikker. Nu is het nog mijn besluit.’ 

Ik hoorde haar woorden, maar ze gleden langs me heen. Ze vroeg me waarom ik niets zei. Ik wilde vragen hoe ze het kon doen. Hoe ze stap voor stap haar einde en ook haar crematie tot de komma had kunnen uitwerken. Alles had ze beschreven; de muziek, de kleding en zelfs de plek van uitstrooien, tussen de sneeuwklokjes, krokussen, pioenrozen of paddenstoelen, naar gelang het seizoen. Maar zo was Annabel. 

Ik wist niet hoe, waar en wanneer. Alleen dat ik die avond weg zou gaan en niet meer terug zou komen naar ons thuis. Dat was wat ze wilde. Ze had het zelfs opgenomen in haar plan voor het geval ze het zou vergeten. Die avond verliet ik thuis, ik vergat mijn sleutel, mijn jas met telefoon en portemonnee. Toen het bericht kwam dat de treinen niet reden tussen Leiden en Haarlem wist ik genoeg. Annabel had haar leven in eigen handen gehouden.

Die avond verliet ik thuis, ik vergat mijn sleutel, mijn jas met telefoon en portemonnee.

‘Milo?’ In de wind hoor ik mijn naam. Ik glimlach, haal de brieven uit mijn jaszak en verscheur ze. De snippers dwarrelen naar beneden. Het sneeuwt weer. Ik sluit mijn ogen, stap in het veld met sneeuwklokjes en dans samen met Annabel tot de wind ons meeneemt.

Ontworteld

Ontworteld

admin  

Gewoon een zwart notitieboekje. Meer was het niet. Dat hield ik mezelf voor. Natuurlijk wist ik wel beter, ik had al gekeken. Met iedere bladzijde die ik omsloeg brokkelde weer een stukje zekerheid van mijn bestaan af. Mijn broer was niet meer, al jaren niet. Het beeld dat ik van hem had was nu ook voorgoed kapot. 

 Het boekje schoof ik van me af, alsof ik daarmee ook afstand van de waarheid deed. Misschien kon ik het weer terugstoppen in de grond, waar het hoorde. Niemand wist er immers vanaf. Ik zou kunnen zeggen dat het leeg was, aangevreten door de tand des tijds of vol met schimmel en onbruikbaar. Er was maar één iemand die er weet van kon hebben. Nu snap ik waarom mijn broer altijd zei dat daar, bij de oude wilg, het zaadje in zijn hart was ontkiemd. Toen mijn vader de boom op een dag wilde omhakken, riep Ben theatraal dat dan zijn grote liefde voorgoed ontworteld zou zijn. Mijn vader liet het zo. De boom bleef staan. Na Bens dood werd het zelfs een soort van gedenkplek voor mijn ouders. 

Dat alles had ik natuurlijk meegenomen in mijn beslissing. Het punt was, die boom stond in de weg. Nu mijn ouders er niet meer waren, had voor mij de boom ook geen waarde meer. Ben woonde in mijn hart, niet in een boom.

alsof ik daarmee ook afstand van de waarheid deed

‘Je zou hem ook kunnen laten staan vanwege de schaduw,’ opperde Mero, de tuin- en klusjesman die hier zijn reïntegratie uitzat. ‘Vooral ’s zomers heb je er veel profijt van.’ 

‘En in de herfst en winter hebben we alleen maar troep van die boom. Bovendien door die wortels kan daar nooit een normaal terras komen.’

‘Dan doe je het terras toch ergens anders?’ Mero was een aparte. Geen idee waarvoor hij gezeten had, maar ergens in zijn leven had hij het idee opgevat dat planten, bloemen en bomen heilig waren. Onkruid zijn ook bloemen, was zijn meest gevleugelde uitspraak en ik verdenk hem ervan dat hij ergens, tussen al die tatoeages op zijn lijf, ook die tekst heeft staan in krullende inktletters.   

‘De boom gaat,’ was mijn conclusie en dus stonden we een paar dagen later toe te kijken hoe werklieden van de gemeente de boom vakkundig neerhaalden. 

‘Die boomhut had best leuk vermaak kunnen bieden aan de jongste bezoekers van de pluktuin,’ deed Mero een volgende poging de oude wilg te redden.

‘Die voldoet nooit aan de veiligheidseisen,’ was mijn antwoord. ‘Mijn broer heeft dat ding nog in elkaar getimmerd, zogenaamd voor mij.’

‘Dan moet je het juist bewaren. Als eerbetoon.’

‘Begin jij nu ook al?’

Hij mompelde iets onverstaanbaars. Van mij had hij niet hoeven komen. Aan zijn gezicht, en vooral zijn haar dat in donkere plukken aan zijn schedel plakte, was hij direct na zijn hardlooprondje naar de waterkant gekomen om de executie van de wilg te aanschouwen.

‘Mijn broer bouwde dat ding natuurlijk niet voor mij,’ zei ik na een tijd van ongemakkelijk zwijgen. ‘Hij wist ook wel dat mijn moeder me nooit in een boom liet klimmen.’

‘Dus hij bouwde dat ding dan maar voor de lol?’

‘Zijn eigen lol,’ verbeterde ik Mero. Ik stond op het punt iets te zeggen, wat ik nog nooit iemand had verteld. Behalve aan Ben, en hij liet me zweren dat ik nooit, maar dan ook nooit, zou vertellen wat ik wist. Dat was niet veel, maar voor een meisje van acht was het heel wat dat ze het geheimpje van haar grote broer had ontdekt. Voor zover ik iets had ontdekt. ‘De laatste zomer dat hij nog thuis woonde, ging hij iedere avond naar die boomhut. Voor een rendez vous,’ verklap ik.

‘Weet je ook met wie?’

Dat antwoord moet ik Mero schuldig blijven. ‘Ik gok Bente, de dochter van onze kok destijds. Ze keek altijd op een bepaalde manier naar hem.’ De eerste takken gingen neer onder luid gekraak. Ik wachtte tot de zagen stil waren en de touwen om de stam werden gewikkeld. ‘Ze huilde tranen met tuiten toen Ben zich verloofde met Bracha.’ Zelf keek hij ook niet al te blij destijds. Ik denk dat het meer een match voor mijn ouders was, dan voor hem. 

De wilg kreunde onder het gesjor van de mannen met oranje hesjes. Mero keek gelaten toe. Hij beet op de nagel van zijn linkerduim. Het is maar een boom, wilde ik zeggen. En de geheime ramptetamp-plek van mijn broer. Meer niet. Het is niet alsof hij daar zelf nog voortleeft. Het is maar een boom. Mero zette een stap achteruit toen de wilg omviel. De wortels die jaren standvastig in de grond grepen, strekten zich nu wanhopig uit naar de hemel. 

‘Er ligt een schat,’ riep een jongen die naar het spektakel was komen kijken.

‘Een schat?’ Ik haastte me naar de boom. Mero in mijn kielzog. Tussen de wortels zat een houten kistje. Gewoon blank eikenhout. Stevig, maar verder niets bijzonders. Het had een wijnkist kunnen zijn. Of zo’n bollenkist waar mijn broer vroeger zijn Erysimum-knollen in bewaarde. ‘Geef maar, dan neem ik het wel mee.’ Ik pakte het kistje aan. Niet wetende dat dit de doos van Pandora zou zijn voor mijn herinneringen. 

Het notitieboekje ziet er goed uit. Mijn broer had het extra verpakt in plastic. Op een lichte beschadiging na, is het nog helemaal gaaf. Behalve de binnenkant. Mijn broer hield van tekenen. Hij was een natuurtalent. Vooral portretten kon hij goed. Het verbaasde me daarom ook niets dat het notitieboekje gebruikt was voor schetsen en vormstudies. Op de eerste pagina’s waren het enkel abstracte figuren. Pas toen ik het portret zag, herkende ik de figuren op de vorige pagina als tatoeages. Hoewel mijn broer alleen HB potlood had gebruikt was de helderheid van de ogen niet te missen. Ik zag gewoon het blauw door het grijs heen. De bruine haren die tegenwoordig in halflange lokken om zijn hoofd hingen, dat gezicht, nog onbezorgd en jong, kwamen tot leven omdat ik hem bijna iedere dag zag. Het was een mooi portret, levensecht en ik vroeg me af waar Ben hem van kende. Of beter gezegd, in welke hoedanigheid. 

 Die vraag werd met nog meer vraagtekens beantwoord naarmate ik verder bladerde. Ben had het niet bij een portret gehouden. Het was een nauwkeurige studie geweest. Romp, armen, buik, benen, en meer, alles tot in detail getekend. Natuurlijk ontweek ik dat ene, bleef het in mijn hoofd een ‘studie’ noemen. Ben had hem waarschijnlijk als model gevraagd omdat hij graag tekende. Het boekje had hij begraven omdat hij wist dat mijn vader zou flippen bij het zien van die naaktportretten. Ik wilde mezelf voor de gek houden. Dit waren niet slechts naakttekeningen. Dit was meer. De erotiek droop tussen de potloodstrepen door en ergens, voorbij de helft van het boekje, op de laatste paar betekende pagina’s, zag ik het antwoord op de vraag die ik niet wilde stellen.

‘Een dummy noemde je broer het. Voor dingen die je graag zou willen doen, en niet zou moeten doen, zoals een agenda dicteert.’ Mero is onhoorbaar het huis binnengekomen. Hij staat in de deuropening. ‘Ik heb hem dat gegeven, voor zijn verjaardag.’

 ‘Waren jullie…’ Ik kan het woord niet uitspreken. ‘Hebben jullie…’ Ik draai de laatste tekening naar Mero toe. Hij glimlacht alsof hij de herinnering weer opnieuw proeft.

‘Sommige geheimen zullen voor altijd begraven blijven,’ antwoordt hij. ‘Zelfs als de boom er niet meer staat.’

Annette Rijsdam

Carelabel inside

Carelabel inside

admin  

Wel of geen label?


Pardon my French maar ik vond waslabel of gebruiksaanwijzing toch niet heel erg passen als het om mensen gaat. 


Carelabel: welke zorg heeft iemand nodig. Iedereen heeft zo’n label, soms zichtbaar, maar meestal diep weggestopt. Alleen zichtbaar voor wie dichterbij mag komen.


Pas als je mensen leert kennen, leer je ook het label lezen. Dat is vaak niet in een oogwenk gebeurd. En zelfs als je denkt te weten hoe de ander in elkaar zit, kan je er nog naast zitten want niemand voldoet aan het standaardbeeld.


Mr. Worth en Veerle in de roman Jij en ik… samengevat hebben allebei een complex ‘carelabel’, en zijn gebaseerd op echte mensen die zich vaak onbegrepen voelden. Omdat zij ook niet met het label op hun voorhoofd lopen, heb ik dat met Mr. Worth en Veerle ook niet gedaan.

Dat was best een klein risico, want hoewel Veerle nog wel herkenbaar overkwam, las ik over Mr. Worth dat hij afstandelijk was, weinig emoties toonde, en iemand noemde hem zelfs een pompeuze zak. Die deed wel even pijn. Aan de andere kant is het een oprechte opmerking want zo is hij ook bewust opgezet.

Het blijft moeilijk om een personage te laten zien, zonder dat je de lezer erop wijst waar naar te kijken. Net als dat het ook in het dagelijks leven moeilijk blijft om naar de ander te kijken met een open vizier. Hoe je het ook wendt of keert, je kijkt altijd met ‘bagage’. Wie ben je zelf, hoe sta je in het leven, maar ook waar kom je vandaan, wat heb je meegemaakt en wat weet je van de mensen die je kent.

Zo kreeg ik bij Liefde zonder toekomst de reactie dat Rowan zich sneller over zijn ’trauma’ heen moest zetten, want hij bleef er wel lang over door jammeren. En het is misschien ook vervelend lezen als een personage maar niet toe durft te geven aan zijn liefde voor de ander, maar met zijn verleden, stelselmatige mishandeling zowel lichamelijk als geestelijk, is het misschien ook wel verklaarbaar. Gelukkig maar dat het niet voor iedereen herkenbaar is, maar de mensen die er wel mee te maken hebben (gehad) dragen dit niet zichtbaar met zich mee.

Benieuwd naar Jij en ik… Samengevat?

In de feelgoodroman Jij en ik… samengevat van Annette Rijsdam treffen we Vera net op een baaldag. Ze werkt als junior beeldredacteur bij een toonaangevend literair tijdschrift en hield tijdens een vergadering een bezield betoog voor romanceboeken. Haar voorstel om meer aandacht te geven aan dat genre werd met harde hand van tafel geveegd door haar baas, de illustere Mr. Worth. Zo makkelijk geeft ze zich echter niet gewonnen en ze neemt zich voor hem hoogstpersoonlijk te overtuigen van de kracht van romantiek. Om haar nieuwe missie meer kans van slagen te geven, vraagt ze advies aan haar favoriete romanceschrijfster, Ann Gregory. Zal ze met de hulp van Ann een nieuwe kant van Mr. Worth leren kennen? Te koop op boekenwereld.nl

Dit artikel bevat affliatielinks, dat houdt in dat ik een klein percentage ontvang als je het boek Jij en ik… samengevat koopt via de link 😉