Hoofdstuk 3

admin  

Ben

Toen

‘Mijn vader heeft De ontdekking van de hemel liggen, die kun je toch kijken?’ Ember heeft haar lesboeken weer uitgestald op de tafel in de mediatheek van onze school. Als iemand mij zou vragen hoe ik mijn verkeringstijd met Ember tot nu toe zou samenvatten dan antwoord ik geheid: aan een tafel met de neus in de boeken. Voor iedere toetsweek moet ze blokken, en als er niets te leren valt, dan zijn er altijd wel verslagen die geschreven moeten worden, essays die moeten worden uiteengezet of gewoon de leeslijst moet verslonden worden. Je zou zeggen dat Ember alleen maar goede cijfers haalt, maar ze staat er dit jaar dramatisch slecht voor. De belangrijkste proefwerkweek in maart is cruciaal voor haar en ik vrees dat ik haar de komende zes weken weinig ga zien. Gek genoeg vind ik het niet eens heel erg. 

‘Het gaat erom dat je niet alleen de film kijkt, maar ook het boek leest dat erbij hoort. Een dikke pil zoals De ontdekking van de hemel zie ik echt niet zitten. Bovendien ik wil geen film kijken waarin mensen doodgaan.’

Ember trekt een gezicht dat twee dingen kan betekenen: A. ze heeft honger, B. ze is geïrriteerd. ‘Misschien hebben ze wel een film gemaakt van een songtekst,’ oppert ze met rollende ogen, waardoor ik weet dat we voor optie B. gaan. ‘Het schijnt dat daar tegenwoordig jouw interesses liggen.’

‘Tja.’ Ik doe maar net alsof ik de sneer tussen de regels door niet gehoord heb. We hebben binnenkort ons eerste optreden en dat vraagt gewoon de nodige voorbereiding. Het is alleen jammer dat niemand daar begrip voor lijkt te hebben. Dit weekend moet ik echt aan mijn wiskunde werken, maar eerst moet ik dat boekverslag af hebben. Met mijn nek al in de kramp van het schuinhouden, loop ik langs de boekenkasten op zoek naar een boek dat me aanspreekt en waarvan dan ook nog een film is gemaakt.

‘Ik heb Charlie and the Chocolate Factory gekeken,’ klinkt het achter me. ‘De Sik vond het bij ons gewoon goed.’

‘De Sik?’ Lachend draai ik me om. Maddy weet altijd wel iets te zeggen waar ik om moet lachen. ‘Noemen jullie die van Nederlands De Sik?’

‘Toen wij hem in de eerste kregen, wilde hij zijn baard laten staan, maar meer dan zo’n pluizig plukje dons werd het niet.’ Maddy haalt verontschuldigend zijn schouders op. Ik vind het eigenlijk wel grappig, vooral omdat onze docent Nederlands een enorm grote vent is, met blijkbaar toch een babyface.

Zoals altijd heeft Maddy een grote gebreide muts op zijn hoofd. Deze keer in de kleur rood. De rest van zijn kleding is wijd en zwart, maar zijn nagels zijn felroze. Het zijn echter die ijsblauwe ogen van hem die de aandacht trekken. 

‘Die Charlie-film mag dus ook?’ stamel ik. Bij Maddy in de buurt weet ik nooit echt goed wat ik moet zeggen. Lachen lukt me wel, vooral om alles wat hij zegt, maar echt een zinnig gesprek hebben we nog niet gevoerd. We kennen elkaar natuurlijk ook pas een paar maanden, en op de band na hebben we weinig overeenkomsten. 

Sjakie en de Chocoladefabriek is geschreven door een Engelse auteur,’ bemoeit Ember zich ermee. Ik sta in een ander gedeelte van de mediatheek, en er staan twee boekenkasten tussen ons in, maar blijkbaar heeft ze ons toch gehoord. ‘Dat mag niet.’

‘Jawel hoor,’ roept Maddy in een willekeurige richting. ‘De Sik is helemaal weg van Roald Dahl. Je mag mijn verslag wel lenen,’ voegt hij er wat zachter aan toe. Ik voel mijn wangen gloeien, huiswerk overschrijven is niet iets wat bij mij past, maar ik merk al een aantal weken dat ik sta te trappelen om van mijn veilige pad af te gaan. Het liefst met Maddy als tour guide.

‘Heb jij dan misschien ook de film?’

‘Ja, die staat bij ons op de harde schijf.’

‘Oh.’ Ik had gehoopt dat hij de dvd ergens had liggen. ‘Die harde schijf kan ik niet lenen natuurlijk. Misschien hebben ze hem in de bieb.’

‘Misschien,’ mompelt Maddy. Hij zet een stapje dichterbij. De neuzen van onze schoenen raken elkaar op een haartje na. ‘Je mag hem ook bij mij kijken,’ fluistert hij. Zijn blik houdt hij gericht op de grond en doordat hij zo zachtjes praat, trekt mijn lijf een aantal conclusies uit zijn vraag waar ik niet helemaal zeker van ben. Snel stop ik mijn handen in mijn zakken zodat hij niet ziet dat ik tril.

‘Lijkt me leuk,’ antwoord ik zachtjes zodat Ember het niet kan horen. Tenzij ze natuurlijk verdekt staat opgesteld achter de boekenkast. Ik zie haar er ook echt voor aan. ‘Zeg maar wanneer en hoe laat.’

‘Morgen tussen zeven en half acht?’ Maddy kijkt voorzichtig omhoog en ik begin direct te knikken.

‘Perfect, de hockeytraining gaat toch niet door vanwege het weer. Ze zeggen dat het gaat sneeuwen.’ Dat laatste zeg ik met hetzelfde enthousiasme als een klein kind dat naar een pretpark mag. Voor mij voelt zo’n witte wereld ook als een magisch pretpark. Als klein ventje was ik er al door gefascineerd en nog steeds heb ik het idee dat er een verborgen boodschap in die kleine sneeuwvlokjes ligt. Het is me alleen nog niet gelukt om die te doorgronden. 

Maddy kijkt me bedenkelijk aan. ‘Trainen jullie nog buiten? Het is januari.’

‘Alleen mietjes trainen binnen,’ klinkt het van achter de boekenkasten. ‘Echte mannen trainen buiten.’

Maddy kijkt me met grote ogen aan, hij bijt op zijn lip en ik doe mijn best niet in lachen uit te barsten. Stilletjes grinnikend neem ik afscheid van Maddy, zodat ik de laatste drie minuten van de pauze nog even Ember kan helpen met haar huiswerk.

De waarschuwing van de buschauffeur, dat de late bussen waarschijnlijk niet rijden vanavond vanwege het slechte weer en de dreigende gladheid, zit me niet lekker. Het zou betekenen dat de laatste bus al om negen uur rijdt, maar ik heb helemaal geen zin om tijdens het film kijken op de tijd te letten. Ik zou altijd nog een taxi kunnen bellen, of de chauffeur van mijn vader, maar dat laatste wil ik graag voorkomen als dat kan. Het klinkt overdreven, maar het woonerf waar Maddy woont is net zo groot als ons landgoed. Met dank aan oud geld en ouders die meer verdienen dan ze kunnen opmaken. Toch had ik liever wat vaker met mijn vader en moeder gezellig aan tafel gezeten dan twintig paar winterschoenen in de kast.  

Er staat geen auto op de oprit bij Maddy en ik vraag me af of zijn ouders dan wel thuis zullen zijn vanavond. Ondanks het dunne overhemd dat ik draag, krijg ik het ineens heel warm om vervolgens in een soort ijsbad te stappen. Wat is er toch met me aan de hand? Ik ga wel vaker bij een vriend een film kijken, en hoewel ik me dan niet zo druk maak om wat ik aan moet en hoe ik eruitzie, lijkt het me niet dat er iets mis kan gaan aan gewoon simpel naar een beeldscherm staren. Toch trilt mijn hand weer als ik aanbel. Achter de deur klinkt al gejoel en gejuich.

Maddy en ik zijn duidelijk niet alleen vanavond.

Is dat hem?

Mag ik naast hem zitten?

Of gaan jullie alleen op je kamer zitten?

Ik hoor allerlei verschillende kinderstemmen door elkaar, gevolgd door een luid ‘ooooeeeh’. Het lijkt wel alsof er een hele kinderklas aanwezig is. Uiteindelijk hoor ik een bekende stem erdoorheen mompelen.

‘Ga toch heen, stelletjes bemoeials.’ Na een paar klinken – waarschijnlijk moet de deur ook van het nachtslot – zwaait de deur open. ‘Hi. Kom binnen.’ Maddy stapt direct opzij om me binnen te laten. Het vrolijke gezicht dat ik van hem gewend ben, is nergens te bekennen. Zijn schouders hangen en hij heeft zijn mondhoek opgetrokken tot een vreemde grimas.

‘Het plan is iets gewijzigd.’ Zonder verder nog wat te zeggen loopt hij bij me vandaan. Ik gok in de richting van de keuken. Het is me niet helemaal duidelijk wat hij nu bedoelt. Een blik in de spiegel zegt me echter wel dat ik gigantisch overdressed ben met mijn halflange wollen jas, veterschoenen en nette pantalon. Er staan twee meisjes bij de vleugel die me met grote ogen aankijken.

‘Hij lijkt wel een directeur.’

En inderdaad, ik lijk net mijn vader.

Met het excuus al klaar dat ik niet al te lang kan blijven vanwege de bus die na negen uur niet meer rijdt, stap ik de keuken binnen waar het een drukte van jewelste is. Shanti herken ik meteen, en ik vermoed dat de man naast haar Ishaan is, Maddy’s pleegvader. Ze zijn druk in gesprek met een meisje van onze leeftijd met vuurrood haar. In een kinderstoel zit een peuter met een Danoontje en Maddy is met een kwaad gezicht neergeploft in de stoel bij het raam. Op de grond voor zijn voeten zitten twee jongetjes te spelen met een bak Duplo. Nog voor iemand iets heeft kunnen zeggen, stormen de twee meisjes binnen en gaan voor me staan.

‘Kijk uit hoor,’ mompelt Maddy. ‘Ze gaan je hypnotiseren.’ 

Ze zeggen inderdaad niets en kijken me nogal indringend aan. Het zijn hele schattige meisjes met twee van die vlechten, maar in horrorfilms zijn dat meestal degene voor wie je moet uitkijken.

‘We hebben taart gebakken,’ zeggen ze al springend in koor. Ze doen een gek wiebeldansje wat er wel komisch uitziet, maar ik durf er niet om te lachen. Maddy reageert slechts met luid afkeurend gesnuif.

‘Ik waarschuw je, Ben, ze proberen je om te kopen.’

‘Met wat voor doel?’ Het komt inderdaad een beetje bedreigend over. Vooral als ze allebei ook nog eens mijn hand vastpakken om daarmee te gaan staan zwaaien. Sta ik dan met twee van de minimeiden aan mijn zijde. Maddy kijkt nog steeds een beetje boos, dus blijkbaar is deze situatie niet om te lachen.

‘We willen naast je zitten,’ scanderen ze in koor. 

‘Naast me…?’ Ik snap echt even niet waar het over gaat, maar ik vermoed dat het gezellige filmavondje met Maddy definitief van de baan is. Als ik zijn kant op kijk, zie ik nog net hoe hij zich met rollende ogen achterover laat vallen.

‘Sorry, Ben,’ verzucht hij. ‘Maar je bent onderdeel van een familieavond.’

‘Een familieavond?’ Mijn hopeloze gezicht moet er heel komisch uitzien, want Shanti schiet meteen de lach.

‘Jij zei alleen dat je de film wilde kijken,’ zegt ze lachend tegen Maddy terwijl ze de peuter oppakt. ‘Wist ik veel dat je heel andere plannen had.’

Het ‘heel andere plannen’ veroorzaakt een kortsluiting in mijn hoofd, vooral omdat Maddy’s wangen ineens heel rood worden. In de keuken ontstaat langzaam een kakofonie aan geluid. De peuter begint te huilen, de kleuters krijgen ruzie om een auto en Ishaan is zeer verhit in een discussie met het meisje met het rode haar. De tweeling is ondertussen een soort van rondedans om me heen begonnen. Tussen alle chaos door zoek ik oogcontact met Maddy. Hij haalt glimlachend zijn schouders op.

‘Welkom in mijn familie.’

Ik moet toegeven dat ik het wel heel erg leuk vind om erbij te zijn. ‘De taart ziet er heerlijk uit,’ zeg ik en heb daarmee zo te horen definitief ingestemd met een filmavond met de hele familie. 

Hoofdstuk 2

admin  

Hoofdstuk 2

Ben

Januari vorig jaar 

‘En wie ben jij dan?’ Een man die me doet denken aan John Lennon kijkt op me neer vanuit het raam van ‘Het Kantoor’: het kraakpand waar Maddy woont. Het is een oud belastingkantoor – vandaar de naam – dat omheind is met een hoog hek. Hier en daar zijn er gaten in geknipt, dus echt een functie heeft dat hek niet. Het is me gelukt erdoorheen te kruipen zonder mijn kamgaren wollen jas te scheuren om zo de binnenplaats te bereiken, maar blijkbaar zijn er meer obstakels om te overkomen voordat ik naar binnen kan. Zoals die hippie-poortwachter bijvoorbeeld.

‘Ik ben Ben,’ antwoord ik. De miezerregen prikt in mijn ogen als ik omhoogkijk.

De hippie met het lange sluike haar begint te grinniken. ‘Ben jij Ben? Ben jij even de Sjaak.’ Hij vindt het zelf een heel geslaagd grapje want zijn lach rolt over de binnenplaats heen.  

‘Ben jij even grappig,’ mompel ik. Hij zit nog steeds hoog in zijn lachpiek, dus ik hoef geen moeite te doen om iets te vragen waar ik ook echt een antwoord op wil. In plaats daarvan wacht ik rustig af, mijn handen diep weggestoken in mijn jaszakken, want het is echt zo ontzettend koud dat ik de topjes van mijn vingers al voel tintelen. Met Driekoningen vriezen je ballen eraf, had Sam onlangs gezegd, en ik vrees dat dit een van de zeldzame keren is dat ik die gozer gelijk ga geven. Zelfs al is Driekoningen een paar dagen geleden, het is nog steeds freakin’ koud.

‘Maar uh,’ klinkt het uiteindelijk boven me als het gebulder is afgezwakt. ‘Ik vrees dat je te laat bent voor je nieuwjaarsborrel, meneer de directeur. Het belastingkantoor is al jaren gesloten, heur. Dit is nu een kraakpand.’ Hij begint weer te giechelen. 

‘Ik ben op zoek naar Maddy,’ roep ik voor hij in een extase van hilariteit verstrikt raakt. Het is al te laat, want al giechelend zakt hij weg. Ik gok dat hij op de grond is gaan zitten. Echt interessant vind ik het niet waar of hoe hij zit – al zit ’ie boven op een cactus – het enige wat ik wil weten is of Maddy binnen is. Hij is al dagen onbereikbaar en ik maak me zorgen. 

‘Wie ben jij dan?’ Een meisje met allerlei kleuren dreadlocks steekt haar hoofd uit het raam. Ze kijkt me fronsend aan. ‘Heeft ’ie weer wat uitgevreten? In dat geval is hij niet thuis. Advocaten en gepeupel van Jeugdzorg hoeven hier niet te komen.’

‘Maddy is zesentwintig, dus Jeugdzorg is niet in hem geïnteresseerd,’ antwoord ik met een zucht. ‘Het enige wat ik wil weten is of hij er is.’

‘Ja, boeiend. Wie ben jij dan?’

‘Ben.’

‘Jij bent Ben?’ Medusa begint ook te grinniken. Hoe houdt Maddy het in vredesnaam uit met hen? Ik weet dat hij met maar drie anderen een hele verdieping deelt in dit kraakpand, maar dit lijkt me toch behoorlijk vermoeiend. Het is te hopen dat hij hierna gewoon naar een normale woning verhuist. De studentenflat waar hij hiervoor zat, was ook niet alles, maar hier hoop ik niet vaak te hoeven komen.

‘Maar wat ben jij van Maddy dan, Ben?’

‘Ik ben…’

‘Ja, jij bent Ben, dat weten we nu wel.’ Haar gegiechel wordt bijgestaan daar een wat lager gegrinnik. Die hippie is er dus ook nog.

‘Ik wil graag Maddy spreken,’ zeg ik met een stemverheffing waar mijn hockeycoach jaloers op zou zijn. Ik gooi er zelfs een Gooische R doorheen. ‘Hij is mijn…’ Ik twijfel over dat laatste woord. Wat zijn we nu eigenlijk van elkaar?

We zijn toch wel gewoon vrienden? 

‘Maddy en ik spelen samen in een band, en ik wil hem graag zien.’

‘Ik dacht dat hij in een rockband zat, en niet in een boyband.’

‘Denken moet je aan paarden overlaten,’ kaatst ik terug voor ze weer in een lachstuip raakt. ‘En wil je nu gewoon de deur opendoen, mijn ballen vriezen eraf.’

‘Errrrug rock-’n-roll, hoor.’ Ze trekt haar hoofd weer terug en doet het raam dicht.

Oké, die poging is dus mislukt. Ik zou Maddy kunnen bellen, maar dat probeer ik al een week. Zonder resultaat. Nadat hij bij mij was weggegaan – lees: weggevlucht omdat ik blijkbaar iets stoms had gezegd over het beginnen van een relatie – heb ik hem niet meer gesproken. Mijn hart krimpt ineen als ik me zijn gepijnigde gezicht voor de geest haal. 

‘Blijf je daar staan of kom je nog?’

Ik kan niet goed bepalen waar de stem vandaan komt. Als er ineens een sleutelbos tegen mijn rechterschouder vliegt, zie ik nog net een hoofd vol dreadlocks boven een muurtje uit steken. Ze staat blijkbaar op een stenen trap die naar beneden leidt.

‘Gaan we via de kelder?’ Het is dat ik heel graag Maddy wil zien, maar anders had ik rechtsomkeert gemaakt. 

‘Dat is de enige ingang, maar troost je, er ligt geen water, dus je dure stappers blijven droog.’ Met een neerbuigend knikje wijst ze me op mijn leren veterschoenen waarvan de punten glimmen als wanhopige paradepaardjes. Ik draag ze nauwelijks, ze wringen en ik krijg er blaren van. 

‘Ik kom net bij mijn ouders vandaan,’ verontschuldig ik me.

‘Boeiend.’ Medusa haalt haar schouders op en gaat me voor. We lopen via de kelder naar een lange gang die door een soort spoelkeuken leidt en dan weer een trap op. 

‘Ik weet niet of Maddy aanspreekbaar is, dus stel je er niet al te veel bij voor,’ mompelt ze als ze de deur voor me openhoudt en we de volgende gang ingaan. Dit ziet er wat meer bewoond uit. Er is een kleine keuken, die tot mijn verbazing netjes is opgeruimd. Naast de keuken is een kamer en een eind verderop zijn nog twee deuren. Aan het einde van de gang zie ik twee toiletten. Het lijkt nog gewoon een verdieping in een kantoorgebouw, al beweren de posters van Bob Marley en Tarantino het tegenovergestelde. Voor de rest is het redelijk netjes. Ik had stapels bierkratten verwacht en lege flessen drank her en der. Het enige wat er op de grond staat is een grote kamerplant die er goed onderhouden uitziet. Misschien is Maddy daar wel verantwoordelijk voor, want bij Sam thuis verleent hij ook altijd Eerste Hulp aan Verwaarloosde Planten. Ik ben benieuwd of Maddy zelf veel planten heeft op zijn kamer.

‘Door de woonkamer, langs de douches, eind van de gang links.’ Medusa gebaart in de richting van wat ik als een gang had ingeschat, maar wat blijkbaar de doorgang naar de huiskamer is. In de woonkamer negeer ik de hippie die me een joint aanbiedt, en haast me naar de kamer aan het einde van de gang links. Dat is overigens nog een hele wandeling want die gang is ongeveer twee keer zo lang als die andere gang. Er zijn een stuk of zes kamers – voorheen kantoren, gok ik – die allemaal leegstaan. Helemaal aan het einde zie ik een streepje licht onder een deur vandaan komen. Zonder goed na te denken over privacy en dat soort zaken – een week geleden hebben we zo’n beetje iedere vezel van elkaars lijf verkend – open ik de deur om die vervolgens direct weer dicht te doen.

‘Oké.’ De woorden verlaten trillerig mijn mond. Ik weet niet zo goed wat ik precies heb gezien, maar hier word ik echt niet blij van. En ik maar denken dat hij er helemaal doorheen zit en mijn hulp nodig heeft.

Nou, zo te zien vermaakt Maddy zich prima en heb me ik me voor niets zorgen gemaakt. Het liefst wil ik schreeuwen, maar ik voel ook hoe mijn tranen langzaam opwellen. Ik moet mezelf herpakken, want na een ‘gezellige’ familiedag heb ik geen behoefte aan allerlei andere ingewikkelde zaken. Maddy is me niets verschuldigd, dus ik heb geen enkel recht van spreken dat hij zich nu prima vermaakt met iemand anders.

Het doet alleen wel verdomde zeer. 

Zo snel als ik kan loop ik terug naar de woonkamer, ik negeer de hippie, en ga bijna rennend door de gang naar het trappenhuis. Ik hoop dat mijn onderbewustzijn de route heeft opgeslagen en dat ik niet alsnog verdwaal in dit spookhuis. Ik haast me de trappen af, tot ik de gang naar de spoelkeuken herken. Mijn tranen zijn hopelijk van opluchting, maar ik huil wel. Het voelt alsof ik iemand ben kwijtgeraakt, terwijl er eigenlijk niets veranderd is. Het is goed zo. Waarom voelt het dan zo verrot pijnlijk? 

De hakken van mijn schoenen galmen door de kelder heen. Ik ben er bijna. Het licht van de buitenwereld gloort bij wijze van al aan het einde van de tunnel. Niet dat er echt veel licht is in deze tijd van het jaar. Het is stemmig bewolkt en met een beetje pech regent het nog steeds. Eenmaal buiten op de binnenplaats bots ik bijna tegen iemand op.

Iemand met heel lichtblauwe ogen, halflang steil blond haar en een huid waar Sneeuwwitje jaloers op zou zijn.

‘Maddy?’ 

Hij heeft alleen een T-shirt en een joggingbroek aan.

‘Het is tegen het vriespunt aan, man.’ Ik trek mijn jas uit en sla die om Maddy’s schouders. Hij maakt gelijk van de gelegenheid gebruik om zijn armen om me heen te slaan. 

‘Het is niet wat het lijkt,’ piept hij tegen mijn hals aan. ‘Het is echt niet wat het lijkt.’ 

‘Hé.’ Als vanzelf sla ik mijn armen om zijn middel en druk hem tegen me aan. ‘Het geeft niet. Je bent vrij om te doen wat je wilt.’ 

‘Ben ik?’

Nee! schreeuwt alles in mijn lijf en verstand, maar ik weet ook wel dat ik geen recht op hem heb. Dit is goed zo. In mijn hoofd herhaal ik het nog maar een keer om mezelf te overtuigen.

‘Het is allemaal zo verwarrend, Ben.’ 

‘Volgens mij is het juist heel simpel.’ Met moeite weet ik me los te maken uit Maddy’s omhelzing. ‘Ga nou maar naar binnen,’ zeg ik. ‘Ik kwam alleen maar even kijken hoe het met je gaat.’

‘Ik weet het niet.’ Maddy zet ook een stap achteruit zodat we elkaar aan kunnen kijken. ‘Ik weet echt niet meer hoe het met me gaat. Ik heb geen richting meer, alleen maar bestemming destruction.’

Dat vraagt om advies, maar ik weet niet precies wat ik moet zeggen. Als ik wist wat hem dwarszat, zou ik hem iets beter kunnen helpen. Nu weet ik alleen dat hij zegt in de war te zijn, mij al een week lang negeert, en het ondertussen heel gezellig heeft met Eden. ‘Ga nou maar terug,’ mompel ik. ‘Straks maakt Eden zich nog zorgen.’

Maddy krimpt ineen alsof mijn woorden hem stompen. ‘Het is niet wat het lijkt,’ fluistert hij zich. ‘Het is puur uit nood dat hij hier is. Eden heeft problemen thuis en hij kon nergens heen.’

‘Dan kun je nu het beste terug naar hem gaan. Hij heeft je hard nodig.’ Het is niet zo dat ik Maddy hier niet wil, maar zo te merken is mijn plek ingenomen door iemand anders. Maddy toont een glimlach door alleen zijn mondhoeken op te trekken.

‘Wat kwam je hier eigenlijk doen in je directeursoutfit?’

‘Ik had een familiedag,’ mompel ik. De blaar bij mijn hiel vlamt op, en eigenlijk zit die stijf gestreken pantalon ook niet lekker. Niets zit lekker vandaag, en daarom ging ik naar Maddy. ‘Ik wilde zeggen dat het me spijt.’

‘Het spijt je?’ Maddy knijpt zijn ogen tot spleetjes. Het venijn uit zijn woorden glinstert in zijn irissen. ‘Spijt het je dat je ware liefde laat lopen?’

Nu maakt hij het helemaal mooi. De boosheid in hem slaat ook door in mij. Dit is echt niet hoe we het nu gaan spelen. Ik heb de ware liefde niet laten lopen. Hij ging er zelf vandoor.

‘Ik word soms zo moe van jouw gedoe.’

‘Mijn gedoe?’

‘Ja, jouw gedoe,’ kaats ik terug. Mijn woorden zijn sneller dan mijn verstand. Ik wil geen ruzie met Maddy, en toch daagt hij me uit het mijnenveld in. ‘Hoe wil je het anders noemen? Betekende vorige week dan niets voor jou? Beteken ik dan niets voor jou?’ Met iedere hartslag komt mijn bloed dichter bij het kookpunt. 

‘Wil je echt weten wat je voor mij betekent?’ Maddy zet een stapje dichterbij. Spiegelen kan ik ook dus ik zet ook een stap zijn kant op. De glimmende punten van mijn kakkineuze schoenen raken zijn afgetrapte gympen. 

‘Dat zou ik wel graag willen weten,’ antwoord ik. Mijn opmerking tovert een speels lachje om zijn mond. Ik zie een fonkeling in zijn ogen die het vuur in mij weer aanwakkert. Ware liefde. Daar ben ik dan weer mooi klaar mee, maar ik kan niet ontkennen dat ik niet met heel mijn hart van hem hou.

‘Ik zal je eens vertellen wat je voor mij betekent.’ Hij buigt zijn gezicht iets dichter naar mij toe. ‘Je bent al tien jaar de ware voor mij, en dat blijf je tot in de eeuwigheid.’ Hij drukt zijn lippen op de mijne alsof hij op deze manier zijn belofte wil bezegelen. Die hele klotedag van vandaag verdwijnt naar de achtergrond bij dit gevoel. De kou stroomt weer over mijn lippen als Maddy van me weg stapt. ‘Heb alsjeblieft nog even geduld met me, Ben. Ik weet nog niet wie ik ben.’

‘Je weet nog niet…’

Maddy stopt mijn zin door opnieuw zijn lippen op de mijne te drukken. Het is een afscheidskus, ik voel het aan alles. ‘Ik moet gaan.’ Met mijn jas nog over zijn schouders holt hij naar een grote deur die ik helemaal over het hoofd had gezien. Medusa heeft me blijkbaar via de toeristische route binnengehaald, maar er is dus gewoon een hoofdingang. Niet dat ik me daar nu druk om maak. Voor de zoveelste keer glipt Maddy me door de vingers en ik had me toch echt voorgenomen dat zoiets me nooit meer zou gebeuren.

Lees verder

Hoofdstuk 1

admin  

Hoofdstuk 1

Ben

Hoe het begon

‘Wat was de reden ook alweer dat ik om drie uur op de oprijlaan moet staan?’ Ik herhaal de instructies van Kaz zo volledig mogelijk voor het geval Ember me weer eens niet begrijpt. Ze was erbij toen ik de orders van haar broer kreeg, en misschien snapte zij wel wat de clou achter zijn opdracht was.

‘Hij wil ergens met je naartoe,’ antwoordt ze terwijl ze haar schoolboeken uitstalt op de ronde keukentafel. Embers idee van een gezellig middagje samen zijn, valt altijd in dezelfde categorie als ‘huiswerk’ maken. Ik snap de link niet helemaal. Vooral niet omdat we dan steevast in de werkkeuken gaan zitten, waar hun kokkin bezig is om het avondeten te bereiden. Dat doet ze meestal al zingend, en ik kan je vertellen dat er in de wijde omgeving geen muis, rat of wat voor ongedierte dan ook meer te vinden is. 

‘Maar waar wil Kaz heen dan?’

Ember haalt haar schouders op. ‘Wat boeit mij dat nou? Zolang jullie maar op tijd terug zijn voor de hockey.’ Ze kauwt op haar potlood en staart naar de tekst in haar geschiedenisboek. ‘Het was iets met een band of zo. Volgens mij beginnen twee losers uit 4H een rockbandje. Zoals zo’n beetje iedere sneue alto op school.’

‘Jij hebt je dus nog niet aangemeld als zangeres?’

‘Waarom zou ik?’

Tja, daar heb ik natuurlijk geen gevat antwoord meer op, want het grapje is alweer voorbij. Timing is blijkbaar niet echt mijn ding. Of Embers ding, want ze doet wanhopig een poging om alle stof voor de toets morgen in haar hoofd te stampen. Vijf hoofdstukken is dan best veel. Ik vraag maar niet waarom ze niet eerder is begonnen met leren. 

‘Heb je tijdens de les geen uittreksel gemaakt dan?’

‘Ben,’ blaast ze. ‘Kun je even twee minuten je mond houden? Anders blijf ik geheid zitten.’

‘Oké.’ Met mijn handen in de lucht geef ik me over. ‘Dan ga ik wel alvast naar buiten.’ Het is onaangenaam koud voor november, maar alles is beter dan hierbinnen bij Ember. De proefwerkweek haalt altijd het slechtste in haar naar boven. Ik ken haar al mijn hele leven en sinds de zomervakantie zijn we, zoals iedereen dat blijkbaar al had verwacht, een stelletje. We kregen al maanden de vraag of we wat hadden met elkaar, en om min of meer van het gezeur af te zijn, hebben we maar ‘ja’ gezegd. Volgens mij was dat ook de eerste avond dat we met elkaar gezoend hebben. Echt spannend was dat niet, maar ik was dan ook een beetje dronken. In de weken daarna werd het wel wat leuker, tot school weer begon. School staat bij Ember gelijk aan martelen, en ergens heb ik het idee dat ze zelfs een beetje geniet van het stressen. 

De oprijlaan die bij het huis hoort, is ook echt een oprijlaan zoals je die voor je ziet als mensen het over enorme villa’s hebben. Er kunnen wel een stuk of zeven à tien auto’s parkeren, en achter het huis is ook nog een parkeerterrein voor een viertal auto’s. De SUV van Embers vader, zijn Jaguar, de Mini Cooper van haar moeder, en sinds kort staat Kaz’ Audi er ook bij. Op dit moment staat alleen de Jaguar er. Embers ouders zijn aan het werk, en Kaz moest eerst iets doen voordat hij me zou ophalen.

Het is vijf voor drie. Ik loop nog maar een rondje om het huis en maak wat random foto’s. Tot grote hilariteit van Kaz heb ik altijd mijn Coolpix-camera bij me, waarmee ik voornamelijk natuurfoto’s maak. Gewoon een bijzonder gekaderd blad of een bloem. De mist op de velden, of de middagzon die gebroken wordt door de takken van de bomen. Het landgoed rondom het huis biedt genoeg onderwerpen, maar de klank van metaal op metaal is het teken dat het gietijzeren hek opengaat en Kaz hoogstwaarschijnlijk in aantocht is. Ik kan me maar beter haasten om op tijd bij het hek te staan. 

‘Het punt is, zwagertje, dat we die kneuzen maar beter uit de brand kunnen helpen.’ Kaz heeft de reden van onze rit zojuist uit de doeken gedaan, en ik kan me niet helemaal vinden in zijn conclusie. Ook niet in zijn rijstijl, maar dat ligt volgens hem aan de overige weggebruikers.

‘Hoe kunnen wij twee leerlingen die een coverband willen beginnen “uit de brand helpen”?’ Ik speel piano, maar ben klassiek geschoold zoals mijn moeder dat altijd aan iedereen vertelt, en Kaz heeft volgens mij dezelfde muzikale talenten als hun kokkin. Ik denk niet dat wij de aangewezen personen zijn om advies te geven als het om muziek gaat. ‘Of zoeken ze een manager?’

‘Ha.’ Kaz grijnst breeduit. ‘Dat is misschien een beetje te vroeg gejuicht, maar ik wil me zeker beschikbaar stellen om ook die taken op me te nemen.’

‘En welke taken wil je dan nog meer op je nemen?’ 

‘Ze zoeken een zanger.’

‘Een zanger?’ herhaal ik zijn woorden langzaam. Dat is nog eens een wending. ‘Oké. Tof.’ Ik zeg maar niet wat ik er daadwerkelijk van vind. ‘En wie zijn die andere muzikanten dan?’

‘De dikke en de dunne uit de vierde. Je weet wel, die plofkip die een beetje ruikt, en die freak met die enge blauwe ogen.’

‘Oh, die.’ Ik denk dat ik wel weet wie hij bedoelt. Omdat ik zelf in 3-vwo zit, heb ik eigenlijk niet veel met de vierde klas te maken, vooral niet met de havoklassen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik niemand ken. De twee jongens over wie Kaz het heeft, ken ik ook niet persoonlijk. Ik heb ze volgens mij wel eens gezien in de gang. ‘Ze staan toch altijd in de hoek, bij het muzieklokaal?’

‘Waarschijnlijk op zoek naar connecties,’ zegt Kaz lachend. ‘Een maat van me gaf de flyer die ze hadden uitgedeeld. Het zag er echt te amateuristisch uit, dus ik denk niet dat er veel zangers op af zullen komen, maar ik help graag de hulpbehoevenden.’ 

‘Juist ja.’ Ik besluit er maar niet verder op in te gaan. Het is toch wel een beetje vreemd dat een jongen die al een jaar van school is, mee wil doen met een schoolband, want dat is het volgens mij. 

Zodra we een eenvoudige woonwijk in rijden, besef ik dat Kaz me voor de gek heeft gehouden. Dit is natuurlijk niet de plek voor een band om te oefenen. Geen van de huizen heeft een schuur of een garage, en ik zie ook nergens een aanbouw of iets anders wat een eventuele oefenruimte zou kunnen zijn. Deze huizen lijken me te klein om slaapkamers te hebben waar je met een band kunt spelen. 

‘Zijn je vingers een beetje opgewarmd?’ vraagt hij als hij een woonerf oprijdt met vier huizen en een wipkip met glijbaan. Er zat zo te zien ook nog een zandbak bij, maar die is leeggehaald.       

‘Waarom moeten mijn vingers opgewarmd zijn?’

‘Omdat je auditie gaat doen als toetsenist.’ 

De tijd om te vragen wat hij daar in hemelsnaam mee bedoelt, krijg ik niet. Met een grote grijns stapt hij uit en wandelt in de richting van de voordeur. Ik blijf nog even beduusd voor me uit zitten kijken. No way dat ik piano ga spelen voor mensen van mijn school. Ik weet al drie jaar een glansrijke reputatie in stand te houden, met dank aan mijn ouders en vriendschap met Ember, en die ga ik niet kapot maken door even een riedeltje Satie te pingelen.

‘Kaz,’ roep ik hem tot de orde. De voordeur is helaas al open en Kaz is in geen velden of wegen meer te bekennen. De enige die ik zie, is de leerling die ik al regelmatig ben tegengekomen in de gang. Iedere maandag en donderdag om precies te zijn, tussen het derde en het vierde uur. Ik loop dan van het Nederlandslokaal naar biologie, en 4H heeft dan net scheikunde gehad in het lokaal ernaast. Meestal passeren we elkaar ter hoogte van de bieb. Ik weet gek genoeg al precies wanneer hij eraan komt, nog voor ik hem heb gezien.

‘Hi,’ zeg ik terwijl ik naar de deur toe loop. ‘Ik had begrepen dat mijn zwager al binnen is?’

‘Ja, hij zit al in de keuken.’ Er glinstert iets in zijn helderblauwe ogen. Zijn blonde haar piekt onder zijn gebreide muts vandaan en gek genoeg draagt hij een mouwloos shirt op een skinny. ‘Ben jij de toetsenist?’ 

Ik knik.

‘Oh, dat is tof. Ik wist helemaal niet dat jij piano speelde.’ 

‘Er is wel meer dat je niet van me weet.’

‘Oh.’ Er verschijnen rode vlekken op zijn wangen. ‘Daar kom ik misschien binnenkort dan wel achter.’

‘Vast wel,’ hoor ik mezelf zeggen. Ik trek mijn mondhoeken op in een zeer vreemde grimas. Er is geen spiegel om het te checken, maar die grote geschokte ogen van de jongen voor me, zeggen genoeg. ‘Ik ben Ben, trouwens.’ Snel steek ik mijn hand uit, die aarzelend wordt aangepakt.

‘Hoi, ik ben Maddy.’

‘Maddy,’ herhaal ik alsof ik zijn naam wil inprenten.

‘Ben.’

We schudden nog een aantal keer elkaars hand. Pas als ik ernaar kijk, zie ik hoe gek het is, en lachend laten we los. We staan nog steeds in de gang, en wat mij betreft kan ik hier best nog wel een tijdje blijven staan. Maddy wijst echter naar de deur achter hem en vraagt of ik meega naar de keuken.

‘Waar jij ga, ga ik.’ Inwendig sla ik mezelf voor mijn hoofd vanwege deze opmerking. Wat bezielt me om dit soort onzin uit te kramen? Maddy moet er wel om lachen en gaat me voor naar de keuken. Aan zijn zwarte skinny heeft hij een ketting van enorme paperclips. Het rinkelt bij ieder stap die hij zet en stiekem wil ik eraan voelen om te checken of het niet heel zwaar is. Gelukkig is Kaz met zijn directeursstem, inclusief warme aardappel en Gooische R, een reality check en weet ik weer wat ik hier doe en waarom. Shit, ik ga echt niet op de piano spelen met Maddy in mijn buurt. Straks vindt hij me een loser eerste klas. En terecht, want ik speel echt niet goed.

‘Queen is echt een must voor het repertoire.’ Kaz zit al achteroverleunend op een van de houten keukenbanken, zijn enkel rustend op zijn knie. Het is zijn typische grote-bepaler-look, semirelaxed alsof niemand hem wat kan maken. Het tegendeel zal vast wel te bewijzen zijn, maar ik ben te erg afgeleid door de knusse keuken, de chocoladecake op de tafel en de vrouw in de keuken die een grote pot thee neerzet. Ze is het tegenovergestelde van Maddy met haar diepbruine ogen en haar zwarte haren, die ze in allemaal kleine vlechtjes draagt.

‘Lust jij ook?’ Ze gebaart naar het lekkers op de tafel.

Ik knik. ‘Graag.’ Dankbaar pak ik de enorme plak cake aan die Maddy voor me heeft afgesneden. Ik weet niet zo goed hoe ik hem moet bedanken, dus trek ik maar weer mijn mondhoeken op in een glimlach. Maddy kijkt me peinzend aan. Hij gaat tegenover me zitten op de andere houten bank. De keuken is zo ingericht dat je een groot U-vormig keukenblok hebt met vier barkrukken. In de hoek staat een grote tafel met twee houten banken eromheen en bij het grote raam is nog een soort uitgezakte relaxstoel met een voetenbank ervoor. Het lijkt me heerlijk om daar te zitten met een boek. Wij hebben thuis ook diverse zithoekjes, maar alles accessoires liggen daar ieder seizoen vast op hun plek. Volgens mij is de werkster de enige die de tijdschriften op de koffietafel aanraakt omdat ze daar stof moet afnemen. 

Naast Maddy zit een andere jongen die ik herken van school. Hij staat bekend om zijn postuur, en ik heb ook al wel de nodige opmerkingen gehoord over zijn lichaamsgeur. Hij snijdt nog een plak cake af en complimenteert Maddy’s moeder met haar baksel. Ik leer gelijk dat ze Shanti heet, en aangezien Maddy haar ‘ma’ noemt, gok ik dat ze zijn pleegmoeder is. Ik durf het alleen niet te vragen. Eigenlijk durf ik nauwelijks mijn mond open te doen. Zelfs de cake eten gaat lastig. 

‘Goed,’ zegt Kaz met de managergenen die hij van zijn vader heeft geërfd. ‘Ik denk dat het een duidelijke zaak is om een duidelijke lijn te trekken in wat onze uitstraling gaat worden en welk publiek we willen raken. Daarnaast is het van groot belang om een duidelijke taakverdeling tot stand te brengen.’

‘Dat is heel duidelijk,’ papegaait Maddy met een mond vol chocola. Kaz, immuun voor sarcasme, stort zich vol enthousiasme op zijn rol als frontman. Hij heeft zelfs een kladblok bij zich met voor ieder van ons een pen zodat we mee kunnen schrijven. Wat natuurlijk nooit gaat gebeuren. Ik bedoel, zelfs die staatscommandant van Nederlands krijgt ons niet aan het schrijven, waarom Kaz dan wel?

Net als op school, richt ik mijn aandacht naar buiten op de tuin. Die is bij lange na niet zo groot als die van mijn ouders, of die van Kaz, maar klein wil ik het ook niet noemen. Gezellig wel. Een grasmat, struiken en een border, meer heb je eigenlijk niet nodig. Er staat zo’n plastic speelhuisje op het gras, met een schommel ernaast, en tegen de muur van de schuur staat een konijnenhok waarop met grote roze letters ‘Silver’ is geschilderd. Erboven hangt een pindaslinger waar een koolmeesje gretig gebruik van maakt. Allemaal erg interessant, maar er is ook een andere reden waarom ik naar buiten kijk. Op deze manier kan ik namelijk ook af en toe naar Maddy kijken. Nog nooit heb ik iemand zoals hem gezien. Die lichtblauwe ogen, dat sluike blonde haar dat in een lok telkens voor zijn ogen valt en dan die huid, die bijna doorschijnend lijkt. Maddy zelf durf ik nauwelijks aan te kijken. Heel af en toe kijk ik zijn kant op, en dan krijg ik datzelfde gevoel in mijn buik als wanneer je denkt de laatste tree van de trap te hebben, maar er nog eentje moet, en dat je dan heel even zweeft in de onwetendheid of je goed terecht gaat komen of je enkel zeer gaat doen. 

‘Wat denk jij?’ Maddy kijkt me recht in mijn ogen aan. Ik kijk terug en ik weet het echt niet meer. Geen idee wat de vraag was, en geen idee wat er nu allemaal in mijn lijf gebeurt. Ik krijg het warm, koud en dan begint alles te tintelen. 

‘Uhm,’ stamel ik, zoekend naar iets van houvast. Ik voel een lachkriebel opkomen, maar ik denk niet dat dat de juiste reactie is.

‘De vraag was,’ verzucht Kaz met een uitgerekte zucht. ‘Of het in jouw schema past om twee keer per week te oefenen.’

‘Twee keer per week?’ Eén keer per week lukt mij al niet. Ik zou gigantisch in de war raken met mijn bijlesschema, en mijn ouders zouden zwaar teleurgesteld in me zijn. Dan heb ik nog de hockey waar ik twee keer per week voor train, omdat we ieder weekend wedstrijd hebben op hoog niveau, en eens in de maand heb ik de vergadering voor de jongerenraad van de lokale bank. Nee, een band past echt niet in mijn planning.

‘Slaap er nog een nachtje over,’ stelt Maddy voor. ‘We zien elkaar morgen toch weer op school.’

‘Ja.’ Het idee om Maddy morgen weer te zien op school, en aan te spreken, neemt hele gekke vormen aan in mijn hoofd. Mijn hart lijkt te stuiteren door mijn lijf, en het zweet breekt me uit. Het liefst zou ik ter plekke oplossen.

‘Mag ik van uw toilet gebruik maken?’ vraag ik aan Shanti in de hoop dat ik mezelf weer kan herpakken.

‘Tuurlijk, in de gang bij de trap.’ Ze wil met me meelopen, maar ik verzeker haar dat ik het zelf wel vind. Het is maar een klein stukje, net genoeg om de spanning van mijn zenuwen af te halen. Maddy’s blauwe ogen blijven door mijn hoofd spoken, en iedere keer als ik ze weer voor me zie, heb ik dat gekke gevoel in mijn buik. En het zijn niet alleen die ogen. Alles aan Maddy vraagt om bekeken te worden, alsof hij een nieuw te ontdekken soort is.

Het maakt niet uit hoelang ik mijn handen onder de kraan houd. Het koele water kan de hitte in mijn lijf niet verdrijven. Het maakt me blij en angstig te gelijk. Ik blijf nog even staan voor de spiegel in de gang. Ik zie er goed uit met mijn bruine guitige ogen, die paar sproetjes over mijn neus en mijn haar dat steeds donkerder en voller wordt, maar ik ben geen hunk zoals Kaz. Volgens vriendinnen van Ember heb ik iets ondeugends over me. Daarom kom ik ook altijd overal mee weg. Omdat ik schattig ben.

Schattig.

Niet echt geschikt voor een rockband. Zeker niet naast Maddy. Ik bekijk mezelf nog eens goed. Grote ronde bril, overhemd, chino en instappers. Het is gewoon hopeloos, en ik kan maar beter een excuus verzinnen om geen bandlid te worden, want het gaat voor iedereen een enorme teleurstelling worden. 

In mijn weg naar de keuken, valt me die grote vleugel in de woonkamer op. Het is een prachtig exemplaar. Mijn handen jeuken. Muziek is altijd mijn uitvlucht geweest en op dit moment heb ik wel even een uitstapje uit de realiteit nodig. 

Op de klep staan een aantal fotolijstjes. Een doodzonde in mijn ogen, want die klep hoort open te staan zodat je de klanken beter door de ruimte kan sturen. Het enige voordeel van deze foto’s is dat ik nu ongegeneerd naar Maddy kan kijken. Er is een foto van hem samen met een jongen op het strand. Ze houden allebei een surfplank vast. Is dat een vriend of de vriend?

En waarom vraag ik mezelf dat überhaupt af?

Naast die ene foto staat nog een gezinsfoto met alleen de kinderen. Maddy is er eentje van vijf en geen van de kinderen – drie jongens en twee meisjes – lijkt op elkaar. Behalve de twee meisjes die op de grond zitten en dezelfde jurk dragen. 

Mijn blik dwaalt weer af naar die ene foto. Maddy lacht en dat maakt het zomerse geheel nog iets stralender dan dat het al is. 

‘Dat was vorig jaar in San Sebastian,’ klinkt het achter me. Shanti staat met een kopjesdoek in haar handen en kijkt over mijn schouder mee naar de foto. ‘Maddy mocht met Eden mee op surfvakantie. Edens stiefvader is een fanatiek surfer en zijn vader is half Spaans, dus het was logisch dat ze daar ook hun vakantie vierden.’

Ik mompel iets onverstaanbaars omdat het in mijn hoofd een warboel aan informatie is. Normaal kan ik alles wel in het juiste vakje sorteren, maar nu wil dat om een of andere reden niet lukken. Een vader én een stiefvader. Eden en Maddy op vakantie. Ember en ik gaan dit jaar ook samen op vakantie. We gaan met onze ouders mee, maar toch. Het is praktisch hetzelfde, en ik snap nog steeds niet waarom ik me er druk over maak.

‘En deze foto?’ Ik wijs de gezinsfoto aan om de aandacht van dat surftafereel af te leiden.

‘Dat zijn onze pleegkinderen. Alleen Maddy en de tweeling, Fleur en Rosa, wonen hier op dit moment. Ties woont momenteel weer bij zijn moeder, netals Faye en haar broertje die je hier niet op de foto ziet. En dat is Jonathan, hij studeert en is op kamers gegaan, maar in het weekend komt hij nog regelmatig.’

‘Oh oké.’ Ik voel me ineens heel beperkt in mijn ontwikkeling. Natuurlijk ben ik al op veel plekken in de wereld geweest, en weet ik meer van het zakenleven dan menig andere puber van mijn leeftijd, maar pleegkinderen of gezinnen met twee vaders zijn een ver-van-mijn-bed-show. 

‘Je mag wel wat spelen, hoor.’ Ik voel even haar hand op mijn schouder. Weer mompel ik iets onverstaanbaars. Ik wil wel, maar ik word ook tegengehouden door het feit dat in de keuken een rockband-in-wording zit te vergaderen. Alles wat ik kan spelen, maak bij hen echt geen indruk. En dat is wel wat ik wil: indruk maken. Vooral op Maddy. 

Alsof ze mijn gedachten heeft geroken, loopt Shanti terug naar de keuken en trek de deur achter zich dicht. Mijn ogen dwalen weer af naar de foto’s, en ik probeer het gevoel dat ik erbij krijg te vangen. Tijdens mijn pianolessen improviseer ik graag, deels omdat ik niet zo goed de noten kan lezen en er daarom maar mijn eigen draai aan geef.

De piano heeft een fijne klank, en speelt heerlijk. Ik ga er zo in op dat ik in eerste instantie niet eens doorheb dat er iemand naast me is gaan zitten. Pas als ik zijn twee handen zie, besef ik dat we samen gaan spelen. Als vanzelf improviseren we met elkaar. Het klinkt steeds beter, tot we onderbroken worden door een luid applaus. 

Afkomstig van Kaz.

Wie anders?

‘Zo te horen kunnen we ons repertoire ook nog uitbreiden naar klassiek,’ zegt hij met een zwaar aangezette stem, alsof hij een directeur probeert na te doen. Eigenlijk is het heel onlogisch dat Kaz leadzanger wil worden van een rockband. Hij ziet het zelf als een act of rebellion, maar in principe is het gewoon sneu. Iedereen kan zien dat hij uiteindelijk zal eindigen als zijn vader: een zwetsende lapzwans in een directeursfunctie. 

‘Jij kunt echt vet goed spelen.’ Maddy stoot mijn schouder aan en haalt me daarmee weer terug naar de plek waar ik zit. Ik meen bewondering te zien in die heldere blauwe ogen. 

‘Jij ook,’ complimenteer ik terug. Ik houd mezelf voor dat mijn wangen gloeien vanwege het verhitte spelen. 

‘Maar gelukkig bespeelt hij de gitaar en jij de toetsen, zwagertje.’ Kaz slaat me met een zogenaamd broederlijke klap op de schouder. ‘En nu gaan we, want we moeten ons voorbereiden voor onze eerste oefensessie vrijdag.’

‘We? Dus ik zit ook in de band?’ Een beetje beduusd kijk ik van hem naar Sam en uiteindelijk naar Maddy die me met een brede grijns aankijkt. 

‘Supertof toch? Gaan we samen rocken.’

‘Ja,’ antwoord ik stomverbaasd. ‘Dat lijkt me heel erg leuk.’ Ik kijk alleen Maddy aan, en eerlijk gezegd weet ik niet goed of de vraag waarop ik antwoord gaf al wel gesteld was. 

Lees verder

Proloog

admin  

Driekoningen dit jaar.

Al maanden probeer ik een songtekst te schrijven waarin al mijn gevoelens passen. Dit is echter nog zo nieuw en onbekend voor me dat geen enkel woord de juiste diepte weet te raken van wat ik voel. Ben zou het waarschijnlijk vergeleken hebben met de dikke sneeuwwolken die zich langzaam boven het graf verzamelen. Het lijkt beangstigend – ik heb altijd een angst gehad voor laaghangende bewolking – maar uiteindelijk, onder de juiste omstandigheden, gebeurt er iets magisch: het gaat sneeuwen. Ben heeft altijd een fascinatie voor sneeuw gehad. Iets wat ik zelf nooit heb begrepen, maar ik hou van de sneeuw omdat Ben ervan hield.

In de verte hoor ik het gietijzeren hek piepen en kraken. De kerktoren slaat vijf uur. Waarschijnlijk begint straks de kerkdienst. Aan Driekoningen doen ze bij deze kerk niet, maar op zondag gaan de diensten natuurlijk gewoon door. Alles in het leven gaat gewoon door. Behalve Ben. 

Ik lig op mijn rug op de koude steen en staar naar de donkere lucht boven me. Ik hoop dat de weersvoorspellingen het deze keer bij het juiste eind hebben, en dat er daadwerkelijk een sneeuwstorm aankomt. In dat geval blijf ik hier liggen tot ik bedolven ben onder sneeuw en ijs. Koud genoeg om ook mijn graf in te gaan.

‘Ik mis je,’ fluister ik tegen de ijle lucht. Mijn stem klinkt vreemd en hol. Sinds april heb ik nauwelijks gesproken. Het doet er toch niet meer toe. Niets wat ik ooit nog ga zeggen, doet ertoe. Puur en alleen omdat ik alles wat ik had moeten zeggen, de dingen die echt belangrijk waren, niet uitsprak tegen degene die er nu niet meer is. En er ook nooit meer zal zijn. De tranen rollen als vanzelf weer over mijn gezicht. Het liefst zou ik hier blijven liggen. Voor altijd. 

‘Sam heeft me uitgenodigd om Driekoningen bij hem te vieren. Het was dit jaar sowieso zijn beurt.’

Dit jaar.

Ik slik weer een brok van woede, vermengd met allerlei andere emoties, door. Vorig jaar lag de beurt bij Ben. Onze eerste echte kus. De eerste keer dat we onszelf aan elkaar toevertrouwden. Waarom hadden we maar zo kort samen? Nog geen vier maanden. Met mijn vingers volg ik de letters die in het steen gekerfd zijn. Moderne, statige letters. Precies zoals de familie Schaackoord zich graag profileert, maar het is niet hoe Ben was. 

Ben, de liefde van mijn leven, maar ook mijn licht. Mijn alles.

Benjamin Schaackoord. Zodra ik langs de rug van de D ben gegaan, begin ik weer opnieuw. Ik kan iedere letter op de zwart granieten steen al dromen. Het citaat uit Openbaringen bovenaan, Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, zijn naam, zijn geboortedatum en de dag dat hij stierf. Twee maanden voor zijn zesentwintigste verjaardag. Het lijkt net of die ene fatale dag ieder moment weer kan plaatsvinden. Dat onheilspellende gevoel van naderend onheil wil maar niet uit mijn systeem. 

‘Ik hoop dat ik goed voor je ben geweest,’ fluister ik tussen mijn tranen door. ‘En ik hoop dat je mijn liefde hebt gevoeld. Dat je zag hoeveel ik van je hield.’ En nog steeds hou ik van Ben. Dat gevoel wat ik vorig jaar voor het eerst hardop uitsprak is onveranderd. Het enige wat veranderd is, is dat ik nu niet meer bang hoef te zijn dat ik hem kwijtraak. Onze liefde is gesmolten. We hebben mogen dansen in de sneeuw en ik hoop maar dat Ben er net zo intens van heeft genoten als ik.

‘Kon je me maar een teken geven.’

De wind trekt aan en de kou dringt tot diep in mijn botten door. De sneeuw komt eraan. Het liefst sluit ik mijn ogen en laat me meevoeren met de eeuwigheid. Het is goed zo.

‘Geef me alsjeblieft een teken,’ fluister ik. ‘Zodat ik weet hoe ik verder moet.’

En óf ik wel verder moet.

Lees verder (hoofdstuk 1)