De geur van thuis

De geur van thuis

admin  

Top 8. Finale Lemniscaat schrijfwedstrijd Scriptplus

-1-

Nederland ruikt naar modder en soms naar natte hond. Yazim kauwt op zijn potlood en denkt nog eens goed na. Misschien kan hij beter iets anders verzinnen. Hij kijkt eens goed om zich heen. Wat ziet hij nou eigenlijk? Een weiland, en nog één en nog één, en nog één zover als dat je kunt kijken. Er lopen koeien, schapen en paarden. Allemaal op hun eigen stukje land. Hij moet grinniken om een schaap dat probeert een hek open te krijgen. Het metaal tikt steeds harder tegen de houten paal waar het hek aan vast hoort te zitten. Twee witte paarden kijken toe, hun halzen mooi gebogen, hun oren naar voren. Het zijn Arabieren, volbloed, dat ziet hij zo. Zijn oom in Abu Kamal had een stoeterij. Arabieren zijn geen paarden, het zijn Mohammed’s zielsverwanten. Volgens zijn oom dan, die was gek op paarden. 

Naast het weiland met de paarden staan stallen. Een man met een staartje loopt heen en weer met een kruiwagen. Hij haalt één voor één de stallen leeg, gooit het vieze stro in een put en komt dan weer terug met schoon stro. 

Nederland ruikt ook een beetje naar gras. Nat gras, waar de warmte van de zon net niet bij kan. Yazim miste zon en de geur van de stenen. De olijfboom die bloeide en de takken die knisperden als papa ze in de fik stak. 

De man met het staartje steekt zijn hand op, Yazim zwaait terug. Het schaap duwt harder en harder tegen het hek en dan springt het slot open. De paarden kijken met grote ogen toe, het schaap kijkt suf om zich heen en dan, alsof ze allemaal tegelijkertijd een seintje krijgen, zetten ze het op een lopen. Het schaap de ene kant op, de twee volbloeden naar het andere land. De rest van de schapen kijken op, beseffen dat er een feestje aan de gang is en besluiten vrolijk mee te doen. Ze rennen van hot naar her, kriskras door elkaar. De paarden dansen er tussendoor. Ze briesen, stampen, houden hun staarten fier omhoog en de grootste van de twee steigert als een trotste krijger.

De man met het staartje vloekt. ‘Stelletje rotschapen. Kom hier!’ Hij rent naar een hek toe en klimt er overheen.

‘Hulp nodig?’ vraagt Yazim. Hij stopt zijn pen en papier terug in de rugzak en loopt naar de man toe. Eigenlijk mag hij hier niet komen van zijn moeder. Voorbij de barakken is verboden terrein en praten met andere mensen heeft ze nadrukkelijk verboden. Zeker met mensen uit het dorp. Sommige zijn wel aardig, maar de meeste zijn niet blij met Yazim en zijn familie. Alsof hij erom gevraagd heeft hier naartoe te komen. Hij traint liever met Rami voor het WK over tien jaar. Als er niet geschoten wordt, is hun straat het beste trainingsveld. Niet dat ze goed kunnen voetballen, maar ze moeten toch wat.

‘Als jij het hek open wilt houden, jaag ik die bolletjes wol naar de overkant.’ roept de man en wijst naar het hek dat door de wind open en dicht wordt gedaan. Hij heeft een tatoeage in zijn nek en heel veel inkt op zijn arm. Dit zijn mannen die ’s nachts brand stichten, hoort hij zijn moeder fluisteren in zijn gedachten. 

‘Oh en kijk uit voor het zijne majesteit en co.’ Hij wijst naar de twee volbloeden en rent dan de wei op.

Geen van de schapen hebben zin om mee te werken. Telkens gaat er wel weer één de verkeerde kant op. Yazim moet zijn lach inhouden als de man een snoekduik maakt richting een schaap, maar op een wolletje na mist. Op het achterland hebben de koeien ook door dat er iets aan de hand is. Ze steken de paarden aan met hun enthousiaste gebok en gekolder, waardoor de schapen, die al wel op het goede stuk land staan, weer de verkeerde kant op rennen. 

De man laat zich met een zucht tegen het hek aan vallen. Hij slaat het gras van zijn broek.

‘Lust je wat te drinken?’vraagt hij.

‘En de dieren dan?’

‘Ach, het gras is toch overal hetzelfde. Zolang ze elkaar de hersens niet inslaan, vind ik het best.’

Nederland ruikt naar modder en natte hond

De man met het staartje heet eigelijk Seth en hij woont in een camper naast de stallen. Het hangt er vol met foto’s van paarden. Allemaal arabieren. Eén foto is gemaakt in de woestijn. Seth zit op een grote zwarte arabier, en heeft een sjaal om zijn gezicht tegen het zandstuiven. 

‘Trektocht te paard naar de heilige stad Petra,’ zegt hij en pakt twee glazen uit een kastje. Hij houdt een pak chocomelk omhoog en een fles limonade. Yazim knikt naar het gele pak. Chocomelk hebben ze thuis nooit. 

‘Zijn dit uw stallen?’

‘Zeg maar je hoor. De stallen huur ik. De twee witte volbloeden zijn filmpaarden, ik ben hier tijdelijk voor opnames.’

‘Filmpaarden?’

‘Acteurs op vier benen.’ Seth schenkt een glas chocolademelk in en zet dat voor hem neer op een klein lang tafeltje dat tussen twee banken in staat. 

‘Komen ze in een film?’

‘Morgen zijn er weer opnames, als je wilt, mag je mee.’

Hoofdstuk 2

Voor het eerst sinds weken heeft Yazim vanwege iets leuks wakker gelegen. De laatste keer dat hij  op zijn wekker keek, was het vier uur. Iedere keer als hij zijn ogen sloot zag hij weer die witte volbloeden voor zich. Hengsten. Onhandelbaar, alleen Seth kon ze aan. Uiteindelijk viel hij dan toch in slaap. Hij droomde dat hij naar Petra reed, op een grote witte hengst, toen hij terugreed was hij thuis. Rami wachtte hem op met een voetbal en zij waren nog de enige twee die schoten.

Om tien uur zou Seth vertrekken en dus zit Yazim om acht uur al aan het ontbijt. Zijn vader drinkt koffie en leest zijn lokale krant vanaf de I-pad. Zijn moeder zit, zoals iedere ochtend, met de lokale krant van hier, een woordenboek en een aantekeningenschrift. 

Zonder te zeggen waar hij heengaat rent hij de deur uit, springt op zijn fiets en racet naar Seth toe. Het is al bijna negen uur. Een grote paardentrailer staat bij de stallen. De twee hengsten worden ingeladen. Seth loopt in het midden en heeft aan iedere hand een volbloed. Een andere man staat hoofdschuddend bij de trailer.

‘Typisch Seth, onze paardenfluisteraar.’

‘Hij is wat?’ Yazim moet zijn hand boven zijn ogen houden anders schijnt de zon in zijn gezicht. De man is bijna net zo groot als de paardentrailer zelf.

‘Grapje,’ lacht hij. Er steekt een tandenstoker tussen zijn tanden. Dat is best gevaarlijk, denkt Yazim. Als zijn moeder hier was geweest had ze het allang uit zijn mond gehaald. 

‘Ben je klaar Seth?’ De reus slaat tegen de trailer en stapt achter het stuur. Seth loopt een rondje om te trailer, controleert alle sloten en houdt dan de deur voor Yazim open aan de passagierskant.

‘Jij eerst.’

De studio is niet ver rijden. Op het voormalig vliegveld, waar Yazim ook woont in de barakken, staan twee enorme hangaars. Vroeger stonden hier Orions, vliegtuigen die ze gebruikten om onderzeeërs op te sporen op zee. Tegenwoordig hebben ze daar ander apparatuur voor, vandaar dat alle vliegtuigen verkocht zijn aan andere landen waar ze nog wel oorlog voeren. Seth kan goed vertellen. Zijn opa ging in de oorlog met een bootje naar Engeland. Dat was spannend want halverwege lag er een mijnenveld. 

‘Heeft hij het gered?’

‘Tuurlijk,’ grijnst Seth. ‘Anders zat ik hier niet.’ Hij springt uit de auto en haalt weer in zijn eentje allebei de paarden tegelijkertijd uit de trailer.

‘Waarom help jij hem niet?’ vraagt Yazim aan de reus die geduldig wacht tot Seth met de paarden richting de hangar loopt.

‘Ik help hem toch?’

‘Ik bedoel met de paarden.’ Hij wijst richting Seth en ziet nu pas dat hij geen van de twee paarden vast heeft. Ze lopen rustig achter hem aan.

‘Alleen hij kan dat,’ zegt de reus geheimzinnig.

‘Hoe dan?’

‘Niets is mysterieuzer dan de vriendschap tussen een man en een paard.’ De reus knipoogt en doet de laadklep weer omhoog.

Binnen in de hangaar is er een dorp gebouwd van alleen maar daken en schoorstenen. Het ruikt er naar verf en koffie. Een grote gele maan hangt aan een onzichtbaar koord en boomtoppen steken uit de grond. Het is net alsof iemand alle huizen tot de zolderverdieping de grond in heeft gestampt. Hier en daar steekt een lantaarnpaal omhoog. 

Achterin de hangaar staat Seth naast een tafel waar twee grote spiegels op staan. Een vrouw loopt met driftige stappen om hem heen en helpt hem in een lange witte jurk. Daarover heen gaat een paarse overgooier en dan komt er nog een rode cape overheen. Een andere mevrouw, iets jonger dan het driftige geval, plakt een baard op zijn gezicht. Hij krijgt een pruik op, en een grote rode puntmuts.

‘Waarom ga je verkleed?’ De onderjurk leek op die van zijn vader. Maar die rode mantel en dat ding op zijn hoofd, zag er dan weer raar uit. ‘Kom jij ook in de film?’

Seth grinnikt. ‘Ik kom heel vaak in de film, maar dan niet herkenbaar.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ben stuntman en doe het werk van die man daar,’ hij wijst naar een andere meneer met baard en rode mantel.

‘Kan hij dat zelf niet dan?’

‘De stunts niet. Ik ben de enige die op de paarden kan rijden.’ 

‘Ga je ze alle twee tegelijk rijden?’

‘Nee hoor, omstebeurt. Abdullah kan beter op de loopband, maar Amal is de beste als het op steigeren aankomt.’ 

‘Oh.’

‘Kijk gewoon maar.’ Hij tikt het meisje met het blauwe haar op de schouder. ‘Lucy, wil je ervoor zorgen dat mijn kleine vriend hier de beste plek heeft?’

‘Tuurlijk,’ ze knikt en gebaart dat hij mee moet komen. Seth lijkt niet meer op zichzelf. Eerder op een hele oude man, met helder groene ogen. 

Helemaal aan de andere kant van de hangaar staat een grote tafel met drie computerschermen. Een man gebaart druk tegen nog twee andere mannen. Hij wijst naar de grond en naar de grote witte parasols die naast de grote lampen staan. Nu pas ziet hij dat op de grond een rails ligt. 

‘Is dat voor de trein?’

Lucy lacht. ‘Nee joh, voor de camera. Die gaat op wieltjes langs de daken. Seth rijdt straks met zijn paard achter de daken langs en dan gaan we dat filmen, maar omdat Abdullah nogal hard rent, hebben we een hele snelle camera op wieltjes nodig om hem bij te houden.’

‘En die parasols?’

‘Dat is om het licht te sturen, zodat de camera het beste beeld krijgt.’

‘Oh.’

‘Ga hier maar zitten. Dat is de regisseur.’ Ze tikt de man die driftig stond te gebaren op zijn  schouder en stelt Yazim aan hem voor. De man zegt niet veel, maar wijst op de schaal met koekjes. Yazim mag zoveel pakken als hij wil. Iemand geeft hem een koptelefoon zodat hij kan horen wat de regisseur tegen Seth zegt. 

De camera’s worden in ‘positie’ gezet en als de regisseur ‘actie!’ roept, komt Seth met Abdullah. Zijn cape wappert achter hem. Yazim houdt zijn adem in. Als zijn oom dit paard had gezien dan had hij het willen hebben. ‘Arabieren lopen niet.’ Hij hoort het hem zo zeggen. ‘Arabieren dansen.’

Seth stuurt Abdullah op de loopband, hij galoppeert aan en de camera volgt. Het lijkt snel te gaan, maar Abdullah komt nauwelijks vooruit. Op het scherm ziet het er gaaf uit. Net alsof hij over de daken rent. 

Seth moet het een aantal keer overdoen. Daarna is Amal aan de buurt. Die komt beter in beeld omdat hij alleen maar mag steigeren. Hij maait met zijn benen wild in de lucht. Door een grote blaasmachine worden zijn manen omhoog geblazen. Het meisje dat Seth een baard opdeed, heeft ook allemaal rode en bruine strepen op Amal gezet. Het is net of hij heel erg gewond is.

Pas als ze weer terug op stal zijn durft hij aan Seth te vragen waarom Abdullah en Amal geverfd zijn. Ze staan vast aan het hek met een halstertouw en hebben allebei een grote emmer met voer voor zich. Seth gooit er nog een handje wortels bij.

‘Het zijn acteurs, die worden geschminkt.’

‘Net als jij?’

Seth knikt. ‘Ik word alleen verkleed, soms schmink, maar meestal gaat het niet om mijn gezicht.’ Hij snijdt een appel aan stukken en geeft het aan Yazim.

‘Wat moest je voorstellen dan?’

‘Sinterklaas.’

‘Sinterklaas?’

‘Nouja, de slechte versie. Geef Amal maar een appel, dat lust hij wel.’ 

Yazim heeft geen idee wie Sinterklaas is en al helemaal niet wat de verkeerde versie moet voorstellen. De man die ze regisseur noemen heette Maas en had het over dat dit de engste Sint ooit was. Hij geloofde het allemaal wel. De koekjes waren lekker en de paarden prachtig. En nu had Seth hem een appel gegeven voor Amal.

Voorzichtig voert hij hem één voor één de stukjes. De warme mond van het paard gaat over zijn handen. Hij aait voorzichtig zijn neus. Amal heeft de stukjes op en wil meer. Hij ruikt aan Yazim zijn armen, langzaam omhoog, duwt tegen zijn borst. Yazim duwt hem zachtjes terug. Amals neus kietelt. 

‘Wil je hem poetsen?’

‘Mag dat?’ Yazim kijkt met grote ogen naar Seth.

‘Tuurlijk, hij mag je wel.’

Yazim mag hem ook wel. Amal ruikt naar aarde en gras in de lente. 

Hoofdstuk 3

3

Iedere dag racet Yazim naar de stallen om Seth te helpen. Samen mesten ze de stallen uit, geven de paarden water en leggen extra voer op het land omdat het gras te droog wordt in de zomer. Hij mag Amal poetsen en op het land zetten. Sinds pas staat er ook een zwarte kleine pony. Seth noemt hem De Hulk. 

‘Wil je op hem rijden?’ vraagt Seth op een dag. ‘Dat ga je aan de lange lijn en geef ik je les.’ 

‘Ik heb geen rijbroek.’ Yazim wijst naar zijn korte broek. Hij had ooit een keer op een paard gezeten in een korte broek en dat deed hij nooit meer. 

‘Weet ik, daarom heb ik wat voor je.’ Seth loopt naar de camper. Nieuwsgierig gaat Yazim achter hem aan. 

Op de tafel staat een grote doos ingepakt in sinterklaas papier. Seth gebaart dat hij die open moet maken. Er zit een zwarte rijbroek in, een paar rijlaarzen en een cap.

‘Is dat voor mij?’

‘Probeer maar aan. Ik zie je zo buiten, dan zadel ik De Hulk op.’

Trots kijkt Yazim in de spiegel die achter de deur hangt. De broek is iets te groot, maar de laarzen passen en de cap zit ook precies goed. Op het prikbord achter hem hangen de foto’s waar hij de eerste keer ook naar had staan kijken. Misschien gaat hij ooit ook wel op trektocht naar de heilige stad Petra, hij gaat nu immers leren paardrijden. Er hangt nog een foto waar Seth met zijn arabier voor de stad Petra staat. Een andere ruiter staat er naast.

‘Wie is dat?’ vraagt hij als Seth weer binnenkomt.

‘Mijn allerbeste vriend.’

‘Waar is hij nu?’

‘Helaas niet meer hier.’

‘Mis je hem?’

‘Ja,’ Seth kijkt verdrietig naar de grond.

‘Ik mis mijn vriend ook,’ Yazim weet niet goed hoe hij het moet zeggen. Hij mist Rami meer dan wie dan ook. ‘We trainen voor het WK, maar Rami kan helemaal niet zo goed voetballen en ik eigenlijk ook niet.’

Seth moet hardop lachen. Yazim lacht met hem mee. Waarom weet hij eigenlijk niet, maar dit gaat hij naar Rami schrijven. Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest. Rami kan daar wel om lachen.

Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest

Na weken weet hij eindelijk wat hij wil gaan schrijven in zijn brief naar Rami. Hij zal wel meerdere kantjes nodig hebben. Hij gaat hem vertellen van de filmopnames, en van De Hulk waar hij op mag rijden en natuurlijk van Amal die hij iedere dag mag poetsen en al zonder hulp van Seth naar het land mag brengen. Over Seth gaat hij ook wat zeggen, maar hij weet nog niet precies wat. Iets leuks en vrolijks. 

Hij gooit zijn fiets op de grond en rent naar binnen. Het eten is zo te ruiken bijna klaar. Misschien heeft hij nog even tijd voor zijn brief. 

‘Yazim?’ Zijn vader klinkt streng. Hij zit op de bank, met mama naast hem. Haar ogen zijn rood van het huilen. Dat is de laatste tijd vaker zo, maar nu krijgt hij er een knoop van in zijn maag. 

‘Is het waar?’ Vader kijkt hem strak aan. Hij is boos, maar Yazim heeft geen idee waarom.

‘Wat is waar, papa?’

‘Bezoek jij die man?’

Heeft hij het over Seth? En waarom zou hij daar boos over zijn. Seth is zijn beste vriend. Zijn moeder begint harder te huilen en zijn vader begint te schelden. Hij zegt dingen die niet waar zijn. Seth is geen gemene man. Hij doet niemand kwaad en zeker Yazim niet.

‘Hij is mijn vriend!’ stampvoet hij. ‘Hij praat met paarden en Mohammed zal nooit zijn zielsverwanten laten praten met een slecht iemand.’

Zonder zijn vaders reactie af te wachten rent Yazim naar zijn kamer. Het liefst had hij de deur op slot gedaan, maar hij deelt het met zijn broer dus dat gaat niet. Huilend laat hij zich op bed vallen. In avondeten heeft hij ook geen trek meer. 

Als het al donker is gaat de deur open. Het is zijn broer. Yazim doet net alsof hij slaapt. Talha praat zachtjes tegen iemand. Voorzichtig opent Yazim zijn ogen om te zien of er iemand bij hem is, maar hij praat tegen de telefoon in Arabisch. Hij heeft het over wraak, en dat niemand ongestraft aan kinderen mag zitten. Yazim snapt er niets van.  Hij blijft net zo lang doen alsof hij slaapt totdat Talha weer de slaapkamer uitloopt. Het is al over middennacht. Vader en moeder slapen al. Talha sluipt het huis uit. Yazim gaat hem achterna. 

Buiten bij het hek wachten vier jongens hem op. Yazim herkent Furkan, maar die andere twee kent hij niet. Ze zien er ouder uit dan Talha en hij weet zeker dat ze niet hier in de barakken wonen. Dit zijn de jongens uit het dorp. Als mama hoort dat Talha met hen op stap gaat wordt ze helemaal woest. Hij twijfelt of hij het haar wakker zou maken, maar de jongens stappen op hun brommers en rijden weg. Yazim heeft geen tijd meer om zijn fiets te pakken. Iets zegt hem dat hij weet waar ze naar toe gaan. Zo hard als dat hij kan, rent hij ze achterna. De achterlichten dansen in het donker. Het fietspad is onverlicht en hij kan ze goed volgen. Hij ziet al precies waar ze stoppen; bij de stallen van Seth. Eén van de jongens heeft een jerrycan bij zich. 

‘Nee,’ roept Yazim zo hard als dat hij kan. ‘Seth!’

De jongen gooit de jerrycan leeg tegen de schuurdeur waar het stro achter ligt en steekt het aan. De vlammen grijpen om zich heen. Ze likken aan het hout en trekken zich op omhoog. De camper gaat open. Seth rent naar buiten. Hij heeft alleen een broek aan, zijn haren zitten in de war. Hij roept de jongens te stoppen, maar niemand luistert. Yazim ziet hoe Furkan een stalen buis van de grond pakt en die hard tegen het gezicht van Seth slaat.

‘Nee!’ Yazims woorden sterven weg in de wind. Hij blijft roepen, maar niemand reageert. Furkan slaat nog een keer en een andere jongen begint te trappen. Talha staat erbij en filmt. Dit keer is het bloed echt en zijn de acteurs nep. In de verte hoort hij Seth roepen, het zijn maar flarden, maar hij herkent de namen. De paarden!

Yazim klimt snel over het hek, zet het andere hek naar het land open en rent naar de schuifdeur van de stallen. Het vuur is hier nog niet gekomen, maar het duurt niet lang meer. Hij rent naar binnen en gooit één voor één de staldeuren open. De Hulk gaat als eerste naar buiten, Abdullah vlucht erachteraan. Amal komt nieuwsgierig naar hem toe.

‘Ik heb geen appels, je moet gaan.’ Hij voelt zijn tranen branden. Het vuur komt dichterbij, hij voelt de hitte van het hout. Buiten hoort hij Seth schreeuwen. ‘Je moet gaan Amal, je loopt gevaar. Ze hebben je baas. Seth heeft pijn.’ Hij aait Amals neus. ‘Je moet hem helpen.’

Amal richt zijn hoofd op, alsof hij het heeft gehoord. In volle galop rent hij naar buiten. Yazim vlucht met hem mee. Er klinkt nu weer geschreeuw, maar niet van Seth. Dit is Furkan. 

Amal staat voor ze. Hij maait met zijn voorbeen, slaat er een paar keer hard mee op de grond. Furkan probeert hem te slaan met de stalen buis. Seth ligt roerloos op de grond.

‘Doe het,’ fluistert Yazim. ‘Doe het.’ 

En dan verplaatst Amal zijn gewicht naar zijn achterbenen, zijn voorbenen komen van de grond. Hij maait in de lucht en haalt met een gerichte beweging uit naar Furkan. Amals hoef raakt hem vol tegen zijn borst. Hij wankelt en valt dan achterover. De andere jongens kijken angstig toe. Amal landt weer op de grond, steigert dan nog een keer en haalt ook nu weer uit met zijn voorbeen. Talha kiest eieren voor zijn geld en blijft roerloos staan. De vierde jongen zit al op zijn brommer.

Amal duwt zachtjes zijn neus tegen Seth aan. In de verte klinken er sirenes.    

Hoofdstuk 4

Nederland ruikt eigenlijk een beetje hetzelfde als thuis, maar dan anders. Natter. Alsof de zon ontbreekt. Yazim ademt diep in. De zon ontbreekt niet. Het schijnt alleen niet overal even fel. Net als thuis. Gek genoeg, voel je ook hier in de schaduw de warmte het sterkst. 

Amal slaat met zijn staart een vlieg weg. Die hebben ze hier ook. Alleen zijn ze dikker en vervelender. Yazim leunt tegen de hals van de volbloed aan. Hij weet nog steeds niet wat hij zijn vriend thuis zal schrijven. Zijn ouders zijn zo boos op Talha, dat ze hun woede naar Seth zijn vergeten. Het is ook een beetje hun schuld, maar dat zegt hij niet tegen hen of tegen Rami. 

‘Wat sta jij te dromen?’ Seth zet een grote baal hooi neer op het land. Hij heeft een pleister boven zijn oog en loopt een beetje mank. Paardrijden kan hij voorlopig niet. ‘Moet je Amal niet poetsen?’

Yazim haalt zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik Rami moet schrijven.’

Seth denkt even na. ‘Soms is denken al genoeg. Als je de woorden in je hart voelt, dan hoort je vriend ze daar ook.’

Yazim fronst. Het ‘ongeluk’, want zo noemde de politie het, is nu al twee weken geleden maar Seth heeft zo te horen nog steeds last van een hersenschudding. 

‘Zo werkt het ook met paarden. Ze verstaan onze gesproken taal niet, maar wel wat we denken in ons hart.’ 

‘Praat je zo ook met jouw beste vriend?’

Seth knikt. ‘We konden helaas niet zo vaak samen zijn, maar ik wist precies wanneer hij aan me dacht en andersom.’

‘Beetje vaag is dat wel.’ 

Amal hinnikt instemmend. 

‘Net zo vaag als oefenen voor een WK als je allebei niet goed kan voetballen,’ zegt Seth met een knipoog en loopt weer naar de camper. ‘Ijs?’

‘Lekker.’ Yazim geeft Amal nog een klopje op zijn hals en brengt hem dan naar het weiland.

Eindelijk weet hij wat hij naar Rami gaat schrijven. 

Nederland ruikt naar Amal, mijn vriend hier. Een volbloed Arabier. We praten via ons hart met elkaar. Dat kan, heeft Seth mij verteld. Hij praat zo ook met zijn allerbeste vriend, die hij niet zo vaak meer ziet. Zij kunnen ook niet voetballen, maar trainen wel voor een WK. 

Hij tekent er een lachend gezichtje bij. Rami zal dit wel snappen. Eigenlijk is Nederland hetzelfde als thuis. Ook hier schijnt in de schaduw de zon en ruikt het naar zomer. 

Burning Hill

Burning Hill

admin  

Burning Hill is just down the road,’ roept de taxichauffeur en wijst me de richting die ik op moet om bij het restaurant te komen. Ik knik een ‘dank je wel’ en dan zie ik het in zijn ogen. Alsof hij wil zeggen: ach meisje, waar begin je toch aan? Zou ik in zijn ogen de zoveelste toerist zijn die Australië denkt te kunnen redden? Hij moest eens weten. Ik ben hier heel egoïstisch voor mezelf, om mijn eigen wereldje te redden.

Een egoïstische klootzak, dat ben je!

Ik hoor het mezelf nog steeds schreeuwen. Samen met al die andere woorden die ik zei en die Lucas echt niet verdiend had. Geen wonder dat hij wegging. Ik was zo onredelijk, en waarom? Omdat ik een bangerd ben? Daar hoeft Lucas dan toch niet onder te lijden. Hij verdient iemand die wel met hem het avontuur durft aan te gaan. Een maatje die zonder hysterisch te worden gewoon in het vliegtuig springt om de wereld te redden.

‘Kom op, Juul, sunny side up,’ moedig ik mezelf aan. De eerste twee belangrijke stappen heb ik al gezet: ik ben in een vliegtuig gestapt en ik heb aan mezelf toegeven dat ik fout zat. Nu moet ik het alleen nog hardop tegen hem zeggen.

Ik bind mijn haar in een staart, slinger mijn rugzak over mijn schouder, en neem een flinke slok van mijn water. Ik heb letterlijk en figuurlijk de smaak van roet in mijn mond. De lucht om me heen zindert, alsof er onweer gaat komen. Of misschien wel erger, dat de hel deze keer echt gaat losbarsten. In de verte zie ik dikke rookpluimen dreigend mijn kant opkomen. Het vuur laat zich door niets en niemand tegenhouden.

In mijn hoofd galmt het liedje van Billy Lockett: why burn it down, to build it up better? Ze zeggen dat je soms alles moet platbranden om weer opnieuw te beginnen. Dat de grond vruchtbaarder is na een brand. Ik vraag me af of het met relaties ook zo werken?

‘Vooruit dan maar,’ verzucht ik. ‘Wie A zegt moet ook de rest van het alfabet opdreunen.’ Ik zet er stevig de pas in, maar na een aantal meter heb ik al door dat mijn schoenen mooi zijn op een plaatje, maar niet geschikt zijn om hier in de warmte te lopen. Ik voel de blaren bij wijze van al branden, en ik weet dat als ik straks mijn schoenen uittrek, ik ze nooit meer wil aandoen. 

         ‘Als het wringt kun je maar beter afstand nemen van elkaar,’ filosofeert dat duiveltje op mijn schouder. ‘Net als bij relaties.’ Ik wil hem wegslaan. Het wrong helemaal niet tussen Lucas en mij. Of heb ik de signalen over het hoofd gezien, en is deze hele onderneming bij voorbaat al mislukt.

Was niet mijn angst de reden dat Lucas wegging, maar creëerde hij met opzet een situatie waardoor ik uit mijn doen zou raken en hem van me af zou duwen.

Was dat wat hij juist wilde?

Ik schud mijn hoofd om dat gepieker te stoppen. Het houdt me al drie weken bezig en er is maar één manier om erachter te komen waarom Lucas deed wat hij deed. Ik moet doorzetten.

Just down the road blijkt nog een behoorlijk eind lopen en het zweet gutst van mijn lijf alsof ik een uur lang ben afgebeuld in de sportschool. Uiteraard met het bijpassend ‘tomaten-hoofd’. Zo’n overrijp, niet-meer-geschikt-voor-consumptie-exemplaar. Het lukt me daarom ook niet meer om een rondedansje te doen als ik mijn bestemming in het vizier krijg:

Burning Hill.

Tot voor kort was het een normaal, zelfs een beetje shaby, wegrestaurant dat vooral door backpackers werd gevonden. Nu lijkt het wel omsingeld door hulptroepen. Overal staan politieauto’s, brandweerwagens en speciale Vet-Vans, van die Landrover jeeps waarin dierenartsen rijden. Zou Lucas er nu ook zo’n eentje hebben? In Nederland reed hij in een tweedehands Opel, met een metalen kast in de laadruimte waar hij al zijn spullen in bewaarde. Hij spaarde voor een nieuwe, maar als jong koppel is het lastig sparen.

Ik slik de brok in mijn keel door. Het is nooit mijn bedoeling geweest om hem te beperken in wat hij wil, maar volgens mij sta ik op het punt om dat weer te doen. Aarzelend stap ik Burning Hill binnen. Ik weet niet goed hoe Lucas gaat reageren als hij mij ziet. Van mezelf weet ik het ook niet. 

Hoe begrijpelijk zijn actie achteraf ook is, hij is wel degene die alles achterliet. Zomaar zonder overleg. Alsof onze toekomst samen helemaal niets voorstelde. Daar moet ik niet te lang over na denken anders sta ik binnen no time te janken. Dat heb ik al genoeg gedaan, bovendien hebben ze hier andere zorgen aan hun hoofd.

Binnen is het druk, waarschijnlijk omdat het lunchtijd is. Brandweerlieden, politieagenten, hulpverleners, dierenartsen, maar ook lokale bewoners zitten verspreid door het restaurant. Sommige zijn zichtbaar aangeslagen, anderen lijken wat meer ontspannen. Met nadruk op lijken, want wat ik tot nu toe heb gezien op televisie en in de korte periode dat ik hier ben, gaat niet in je koude kleren zitten. Ik zou niet weten hoe ik zou reageren als ik alles in vlammen op zie gaan. Al kan ik me dat natuurlijk wel een beetje indenken op dit moment, maar dat is nog steeds figuurlijk gesproken. 

Een bekende geur prikkelt mijn neus, en nu komen wel de tranen. Subtiel haal ik mijn neus op. De geur wordt sterker. Het ruikt naar thuis op zaterdagmiddag: Lucas die groentesoep met ballen maakt. Het is een traditie die is ontstaan in onze studententijd. Lucas vroeg of ik bij hem wilde eten, ik zei zonder twijfelen ja, en proefde die avond voor het eerst de soep à la Lucas. Het is ook ongeveer het enige gerecht dat hij maakt, maar dat terzijde.

Ik speur het restaurant af, maar zie Lucas nergens. Het lijkt me logisch dat hij in de keuken staat. Wie ik wel zie is Brent. Een schoolvriend waarmee Lucas na het vwo-examen is gaan backpacken door Australië. Ze hebben altijd het plan gehad terug te keren na hun studie. Lucas als dierenarts, Brent om een restaurant voor backpackers op te zetten. Het kwam er nooit van. School, werk, relaties en andere verplichtingen gooiden constant roet in het eten. Tot het lot bepaalde en Australië vlamvatte. Na hun rondreis ging Lucas in Utrecht studeren, en Brent in Maastricht. Ik heb hem nog nooit in het echt ontmoet, en verwacht ook niet dat hij mij herkent als hij voor me staat.

Help wanted of help giving?’ vraagt hij met een onmiskenbaar Nederlands accent. 

‘Ik zoek Lucas,’ antwoord ik.

‘Hee, die taal spreken we hier ook! Lucas is op dit moment even de kok.’ Hij gebaart dat ik hem moet volgen naar de keuken. We banen ons een weg door de mensen heen en Brent maakt her en der een praatje. Het gaat over de bosbranden, het vuur dat oprukt en al die dieren die geen kant op kunnen. Ik luister naar het verhaal van een vrouw wiens dochter samen met haar hond op zoek gaat naar dieren in nood. Terwijl ze praat haakt ze driftig door: sokjes voor dieren met verbrande pootjes. Op de binnenplaats zijn speciale schaduwdoeken opgehangen waaronder verzorgers zitten met dieren die gered zijn uit het inferno.  

‘Weet Lucas dat je komt?’

Ik schud mijn hoofd. Dat Brent mij niet herkent, betekent dat Lucas het helemaal niet over me heeft gehad. Duidelijker kan hij wat dat betreft niet zijn.

‘Gaat het?’

Ditmaal laat ik mijn hoofd op- en neergaan. ‘Het gaat,’ zeg ik met een zachte stem. In mijn hoofd schreeuw ik dat het niet gaat. Dat ik zo ongelooflijk stom ben geweest en dat ik hier eigenlijk weg wil. En ook weer niet. Dus ga ik Brent achterna. Hij houdt twee kleine klapdeurtjes open waardoor we achter de bar komen. Het doet me denken aan zo’n Amerikaanse Western, alleen dan met lichte kleuren. De keuken is afgescheiden van het restaurant door middel van een plastic vliegengordijn. 

‘Lucas,’ roept Brent. ‘Visite, voor jou.’ Hij duwt me de keuken in waar het nog een tikje warmer is. Lucas kijkt verschrikt op. Hij staat achter een enorm fornuis te roeren in een grote pan. Verder doet hij niets. Niet dat hij type is dat een rondedansje van blijdschap doet in wat voor situatie dan ook, maar op dit moment kijkt hij me aan alsof hij me niet ziet, of wil zien. Kippenvel verspreidt zich over mijn lichaam. 

‘Hi,’ weet ik er net aan uit te persen. ‘Ik…’ Maar eigenlijk weet ik niet meer wat ik wilde zeggen. Hoewel hij duidelijk peentjes zweet, ziet Lucas er goed uit in zijn sleeveless en zijn korte broek. Zijn donkere krullen zijn iets langer, hij lijkt iets gespierder, en er is nog iets. Hij is veranderd. Hoewel hij hier moet leven in een gigantische stressvolle situatie, ziet hij er content uit. Content in de zin dat hij hier echt op zijn plek is. Iets waar ik al bang voor was. Lucas gaat niet met mij mee terug naar Nederland. Ik wil weer mijn mond opendoen, Lucas zo te zien ook, maar het moment is voorbij als de achterdeur openvliegt en er een knappe meid van een jaar of twintig tevoorschijn komt.   

‘Hiya Luc, Ze zijn terug. Kom je?’ Haar grote bruine ogen zijn alleen op hem gericht. Ik hoef zelfs geen moeite meer te doen om door de grond te zakken, zelfs nu ik recht voor haar sta lijk ik te zijn opgelost. 

Lucas knikt, hij kijkt vragend naar Brent en die kijkt op zijn beurt weer moeilijk.

‘Het is lunchtijd, Luc. We komen al handen te kort, iedereen heeft honger, en als ik de keuken ook nog moet overnemen…’ Hij klinkt wanhopig en dat snap ik ook wel. Het is binnen echt druk.

‘Ik wil wel helpen,’ stel ik voor. 

‘Top,’ bromt Lucas en gaat dan achter Miss Universe aan. Het lijkt alsof hij iets van ‘hoi’ mompelt, maar dat kan ook mijn verbeelding zijn.

Samen met Brent blijf ik achter in de keuken. De warmte kruipt weer terug in mijn huid, maar het is geen aangenaam gevoel. Het is alsof ik flauw ga vallen. Dit was het dus. Na drie weken radiostilte en kilometers vliegen, zijn we nu definitief uit elkaar. De fysieke afstand maakt niet meer uit. De emotionele afstand is onoverkomelijk. 

‘Kom, dan geef ik je even een werkshirt,’ haalt Brent me weer uit mijn mijmeringen. ‘Heb je vaker geserveerd?’        

‘Ja, het is de enige echte baan die ik heb gehad,’ mompel ik. Brent kijkt me vragend aan. ‘Freelance journalist,’ verklaar ik. ‘Met de horeca heb ik mijn studie betaald.’

‘Carrière-tijger,’ zegt hij met een knipoog. In een klein hok vol met schoonmaakmiddelen naast de keuken geeft hij mij een shirt en de instructies hoe ze te werk gaan in Burning Hill. Al worstelend met het ‘one size only’ shirt hoor ik hoe het concept hier in zijn werk gaat. Het is simpel. Er is koffie, thee, citroenlimonade en gewoon water. Als lunch is er soep met een broodje en tussendoor kan men een snack krijgen of wat fruit. Alles is gratis en wordt mogelijk gemaakt door sponsors.

‘Maar we moeten zuinig zijn,’ legt Brent uit. ‘Geen idee hoelang dit nog allemaal gaat duren. En of we het vuur überhaupt kunnen tegenhouden.’ De droefheid klinkt in zijn stem. Hij probeert het weg te krijgen met een glimlach, en schiet vervolgens in de lach als hij naar me kijkt. 

‘Wat?’ Maar ik weet heus wel dat het door het shirt komt, dat alles behalve comfortabel om mijn lijf heen plakt.

‘Niets,’ grinnikt hij. ‘Ik moest even denken aan Wrap, een van onze patiënten buiten.’  

‘Juist.’ Geen idee wie hij hiermee bedoelt, maar ik ga er geheid achter komen. 

Na een korte rondleiding waar alles staat, ga ik aan de slag en doe ik mijn best om net als de andere vrijwilligers iedereen te voorzien van eten en drinken. Ik luister naar de verhalen en hoe meer ik hoor, hoe meer ik snap van Lucas bewonder dat hij zomaar alles opzij heeft gezet om zich hierin te zetten. 

Als ik even pauze kan houden, zie ik hem buiten druk in de weer met de dieren die zojuist zijn binnengebracht. Hij bekijkt een koala aandachtig en dept dan iets op de pootjes. 

Alsof hij voelt dat er naar hem gekeken wordt, draait hij zich om. Ik glimlach, en hij trekt even zijn mondhoeken op. Miss Universe is zijn assistente en vraagt zijn aandacht door haar hand op zijn onderarm te leggen.

Hij is van mij, wil ik zeggen. Maar is dat wel zo?

De rest van de middag en avond ben ik druk in de weer. Er is genoeg te doen en gek genoeg geeft het me ook energie. Bovendien leidt het me van Lucas af. Als het wat rustiger is in het restaurant, help ik in de keuken met de voorbereidingen voor de volgende dag. Lucas heeft zijn soep-repetoire uitgebreid en voor morgen staat er een goed gevulde maaltijdsoep op het menu. Ik snij de groente terwijl ik luister naar Brent en zijn wilde verhalen over zijn rondreis met Lucas, zeven jaar geleden. Ik hoor voor de verandering de dingen die Lucas eerder niet wilde vertellen, en ik snap eigenlijk niet waarom, want het is best grappig. Al snap ik ook wel dat Lucas, die meestal de serieuze zoon van een dierenarts uithangt, niet wil dat zijn blunders wereldkundig gemaakt worden. En hij heeft er best een aantal op zijn naam staan. 

‘… gaat ‘ie op dat paard zitten met zo’n gezicht van “ik heb verstand van dieren, want mijn vader is dierenarts en mijn moeder dressuurruiter”, bleek het een hengst te zijn. Bokken dat ding, ging helemaal uit zijn frietpan. Lucas gillen, joh. Echt ik pieste in mijn broek,’ hikt Brent alsof hij het weer voor zich ziet. 

‘Altijd nog beter dan op een ezel stappen en denken dat het een volbloed is,’ klinkt het achter ons. Lucas doet zijn best om boos te kijken, maar ik zie dat hij er moeite voor moet doen. Ik ken hem langer dan vandaag. Hij wil glimlachen, maar is te koppig. Over ezels gesproken.

Zonder me een blik waardig te gunnen pakt hij een stuk wortel van het aanrecht en gaat naast Brent staan. 

‘Kun je zo helpen met water geven?’ vraagt hij aan zijn beste vriend. ‘Dan ga ik eten.’

Brent knikt. ‘Doen we.’

‘We?’ Ik kijk vragend naar Brent, en meen zelfs iets van irritatie bij Lucas te zien. 

Zou hij het vervelend vinden dat ik Brent ga helpen? Dat neigt naar jaloezie, en ik voel me erdoor gevleid tot ik haar de keuken in zie lopen met twee bordjes in haar handen.

‘Luc, zullen we in de camper eten?’ vraagt ze. ‘Daar is het lekker koel en kunnen we rustig zitten.’

Na drie weken radiostilte en kilometers vliegen, zijn we nu definitief uit elkaar. De fysieke afstand maakt niet meer uit. De emotionele afstand is onoverkomelijk. 

‘Wanneer ben jij geland?’ vraagt Brent terwijl hij me een blikje fris overhandigt. We zitten tegen een boom op de binnenplaats en hebben net alle dieren voorzien van vers water en fruit of groente. Ik weet nu ook wie Wrap is: een kangoeroe met een soort gaasverband om zijn bovenlijf waardoor het net lijkt alsof hij een rollade is. Nu snap ik waarom ik erop lijk, maar het deert me niet. Dankbaar pak ik het blikje aan en neem er een slok van. 

‘Vanochtend op zeven uur landde ik.’

‘Dan heb je al een lange dag achter de rug. Ben je niet moe?’

‘Het gaat,’ antwoord ik. Zolang ik overeind blijf voel ik het niet. Net als met die blaren waarvan je weet dat ze er zijn, maar die je nog niet echt voelt totdat je je schoenen uitdoet. Dan begint de pijn pas echt. Het idee dat ik straks nog een slaapplaats moet zoeken, staat me tegen. Helemaal omdat ik dan, zodra ik alleen op de kamer ben, voel hoe echt de pijn is. Al die tijd heb ik nog een beetje hoop gehad dat Lucas wel bij me terugkomt, of dat ik sorry kan zeggen tegen hem en alles weer goed is. Dat is een illusie. Sommige dingen gaan kapot en worden nooit meer heel.

‘Lucas zei dat je vliegangst had. Viel het toch mee?’

Ik haal mijn schouders op. Als ik ongedaan kon maken wat ik gezegd heb tegen Lucas, en hoe ik onze relatie heb verbroken, door nog tien keer in een vliegtuig te stappen, dan zou ik het voor de zekerheid twintig keer doen. Zelfs naar Australië.

‘Ik heb niet echt vliegangst,’ begin ik. ‘Het is iets anders. Mijn broer ging in de zomer van 2014 naar Australië, samen met zijn vriendin. Ze zouden eerst naar Indonesië gaan en van daaruit verder reizen, maar ze hebben hun bestemming nooit bereikt.’

Brent laat een zucht ontsnappen. ‘Je broer zat op vlucht MH 17?’ 

Ik knik. Vechtend tegen mijn tranen. ‘Het is dus niet zo zeer dat ik een hekel heb aan vliegen, het is gewoon het idee dat je weggaat, en nooit meer terug kan komen.’

Misschien wil ik daarom ook wel dat er niets veranderd aan mijn vertrouwde leven. Nieuw staat gelijk aan anders, staat gelijk aan onbekend. En dat beangstigt me. Want een reis naar het onbekende kan best wel eens een enkeltje zijn.

Brent legt even zijn hand op mijn schouder. ‘Sorry, dat wist ik niet.’ 

‘Zijn jullie klaar?’ Weer klinkt er die brommende stem van Lucas achter ons. Hij kijkt ook nog steeds niet blij. Zijn knappe assistente staat in de deuropening met een verhit gezicht naar ons te kijken. ‘Kun je even helpen, Brent? Juul moet haar spuit, en Lana durft haar niet vast te houden.’ Hij maakt een hoofdgebaar naar zijn assistentie die onze kant op komt lopen. Nu weet ik hoe ze heet, maar dat is niet de naam waarover ik me verbaas.

‘Juul?’ Vragend kijk ik van Brent naar Lucas. Ze kijken beiden blanco terug. Al meen ik rode vlekken op Brents zijn gezicht te zien en doet hij volgens mij heel erg zijn best om niet in de lach te schieten.

‘Die valse koala heet zo,’ antwoordt Lana voor ze. 

Stomverbaasd kijk ik toe hoe het drietal wegloopt naar de kooien achter het gebouw. Juul. De valse koala. 

Ze hebben verdorie een valse koala naar mij vernoemd. Dat doet de deur dicht. Woedend spring ik op van mijn plek en loop stampend naar binnen. Dat er stoom uit mijn oren komt, heeft niets meer te maken met de hitte die hier onder je huid kruipt. Waar haalt hij het lef vandaan om mij zo te vernederen. Wie weet wat hij allemaal over me verteld heeft. 

Vechtend tegen mijn tranen kijk ik nog één keer achterom en zie ik hoe Brent de koala in zijn armen houdt terwijl Lucas heel voorzichtig de injectienaald inbrengt. Hij doet het echt op de Lucas manier: zorgzaam en lief. En toch ben ik ongelooflijk boos op hem. Ik slik mijn verdriet weg. Het is voorbij. Wij zijn voorbij. 

In het schoonmaakhok wurm me uit mijn werkshirt. Blijkbaar is er een band ontstaan tussen mij en het kledingstuk de afgelopen uren want ik krijg het ding met geen mogelijkheid uit. 

‘Gaat het?’ klinkt het achter me. Ditmaal hoor ik een vleugje amusement door zijn gebrom heen.

‘Nee, Luc, het gaat niet,’ sneer ik. ‘Maar maak je om mij maar niet druk. Ik red me wel.’ 

‘Ben je echt helemaal alleen komen vliegen?’

‘Nee, er was ook nog een piloot bij,’ hijg ik als ik eindelijk dat shirt uit heb en mijn eigen, met oud zweet doordrenkte, T-shirt weer aantrek. ‘Oh, en halverwege zijn we uitgestapt om even de benen te strekken, want vierentwintig uur vliegen is echt verrotte lang.’ 

Hoe boos ik ook ben, Lucas verblikt of verbloosd niet. Het lijkt net alsof hij al zijn emoties heeft uitgeschakeld.

‘Waarom kom je dan ook? Niemand dwong je.’

En daarmee doet hij definitief de deur dicht. 

‘Nou, sorry hoor dat ik de moeite heb genomen,’ bries ik. ‘Ik snap het ook niet helemaal. Maar ik dacht, misschien kan ik hiermee ons redden. Want het ene moment zijn we bezig met een nieuw huis in Delft Zuid, en  hebben we het zelfs over een bruiloft, en het andere moment heb jij je koffers gepakt om je aan te sluiten als vrijwilliger in Australië. Dus vergeef me dat ik zo warrig ben, maar die wending zag ik niet helemaal aankomen.’ Ik draai me snel van hem weg zodat hij de tranen in mijn ogen niet ziet. Buiten zit Juul, de valse koala, rustig op een stengel te knagen.

‘Juul.’ Lucas legt zachtjes zijn hand op mijn onderrug. Het is een aanraking die ik eigenlijk niet wil, maar ik ben zo moe ineens dat ik de kracht niet meer heb om hem van me af te schudden. ‘Zullen we anders even naar mijn kantoor gaan? Dan kunnen we wat rustiger praten.’ Hij duwt me voor zich uit naar buiten. Bij de brandtrap blijf hij staan.

‘Na jou.’ Hij wijst naar boven en ik ga hem voor de metalen trap op. Even lijkt het alsof hij met mijn vinger langs mijn kuit gaat. Ik durf niet te kijken. Het zullen wel de muggen zijn die in de schemer tevoorschijn komen. Het is nog steeds warm.Niet alleen van de dag, maar ook de hitte van het vuur dat een eind verderop steeds weer een stuk bos tot zich neemt zindert voort in de nacht.

Het kantoor van Lucas heeft zo te zien meerdere functies: opslagplaats, rommelhok, kleedkamer, en achter het bureau zie ik ook nog een bed staan. Op een prikbord aan de muur hangen schema’s, uitdraaien van uitslagen, een stappenplan om brandwonden bij dieren te verzorgen en een evacuatieplan. In het midden prijkt een krantenartikel. Brent, Lana en Lucas staan erop. Lucas heeft een koala in zijn armen alsof het een grote knuffel is. Dan pas zie ik waar ik de hele dag al bang voor ben geweest. Ik zie het aan de manier waarop Lana naar Lucas kijkt.

We zijn nog geen drie weken uit elkaar en hij heeft zijn geluk alweer opnieuw gevonden terwijl ik de scherven van zes jaar samen bij elkaar heb verzameld en een poging wil doen om het te lijmen.

‘Sorry,’ fluistert hij. Met zijn billen leunt hij tegen het bureau. Zijn armen heeft hij over elkaar hij geslagen. Hij ziet er verslagen uit. Ik voel me precies hetzelfde. Als ik had geweten dat ik hem voorgoed zou kwijtraken, dat zes jaar samen nooit meer zouden worden, dan had ik al die dingen die ik zei nooit gezegd. Dan had ik me lachend over al mijn principes gezet en was met hem meegegaan. Maar had hij dat wel gewild? 

‘Je komt niet meer terug naar Nederland he?’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Voorlopig niet, Juul. Dit is wat ik altijd gewild heb. Vanaf het moment dat Brent en ik op die ranch waren zeven jaar geleden wist ik dat ik hier dierenarts wilde zijn.’

‘En ik hield je al die jaren tegen?’ Ineens komen zijn woorden ook weer boven. Ik was misschien degene die onze relatie in brand stak, maar hij gooide nog een paar blokken op het vuur die ene avond. Met een beetje olie erbij.

‘Ik had dat allemaal niet moeten zeggen,’ gaat Lucas verder. Hij wrijft zuchtend over zijn wangen. Het geluid van zijn handpalm over zijn ongeschoren wangen doen de haartjes op mijn arm overeind staan. Ik mis hem zo erg.

‘Je had gelijk toen je zei dat ik hier wilde helpen om vooral mezelf te helpen.’ Hij kijkt me nog steeds niet aan. Mijn hele lijf trilt van vermoeidheid en spanning. Ik laat me op zijn bed zakken waar ik word aangestaard door een bekend gezicht. Op het nachtkastje staat een foto. Van mij. Ik lach in de camera. Het was een van mijn mooiste momenten tijdens onze vakantie in Griekenland. Toen durfde ik nog wel met het vliegtuig weg. Lucas’ verwijt galmt weer door mijn hoofd.

Door jou roest ik vast.

‘Het was zo makkelijk om jou en je vliegangst de schuld te geven,’ gaat hij verder. ‘Mijn dromen dreven steeds verder bij me vandaan en ineens was daar Brent met zijn plan om ons in te zetten voor Australië. Hij in het wegrestaurant vrienden die hij aan onze trip had overgehouden, en ik als dierenarts. Het was een schitterend plan. Iedereen zou het begrijpen, zelfs bewonderen, en als we er eenmaal waren zou alles wel op zijn plaats vallen, dacht ik.’

‘Is dat niet zo dan? Jullie dan hartstikke goed werk.’ 

Lucas schudt zijn hoofd. Ik heb hem nog niet vaak zien huilen, maar zelfs zonder zijn gezicht goed te kunnen ziet weet ik dat de tranen uit zijn ogen glijden. Hij verbijt zich. Ik hoor het aan zijn ademhaling.

‘Hee lief,’ zeg ik als ik naar hem toe loop en voor hem gaan staan. Met mijn duim veeg ik een traan weg. ‘Het is niet erg.’

‘Jawel, dat is het wel.’ Hij wil zijn handen voor zijn gezicht slaan, maar ik houd hem voorzichtig tegen door mijn handen op zijn wangen te leggen. ‘

Ik schaam me dood, Juul. Pas toen ik het vliegtuig uitstapte, besefte ik wat je in je woede had geschreeuwd.’

‘Dat je een egoïstische klootzak in een humanitaire midlifecrisis was en dat je beter koffie kon gaan schenken in een bejaardenhuis omdat ze daar ook vrijwilligers te kort komen?’

Lucas lacht door zijn tranen heen. Als het had gekund, had ik hem gezoend. Maar dat is nu niet het moment. Of dat ooit nog gaat komen… ik weet het niet.

‘Het was meer dan alleen je vliegangst waarom je zo boos was, hè? Je was bang om ook mij kwijt te raken. Net als je broer.’

Daar hoef ik geen antwoord op te geven, want ik weet dat hij het in mijn ogen kan lezen. 

‘En ik zag het niet, egoïstische klootzak dat ik ben. Niet op dat moment. En iedere dag hier besefte ik het een beetje meer, en ik nam me voor om je te bellen, maar ik durfde niet meer terug. Bang om je echt kwijt te zijn. Dus hield ik me voor dat het was goed wat ik hier deed, en dat op een dag het wel helemaal goed zou komen.’

‘En toen was daar Juul de koala. Beter kan het niet.’

Hij lacht en hoewel het verdriet nog in zijn ogen staat ben ik blij dat er meer lucht lijkt te zijn in het gesprek.

‘Waarom vernoem je eigenlijk een valse koala naar mij?’

‘Ze is niet vals, Lana kan gewoon niet met haar overweg, en Juul kan er niet tegen dat Lana zo achter me aanloopt.’

Ik voel ineens een sterke band met mijn naamgenoot de koala. 

‘Wat doen we nu, Juul?’ Lucas kijkt me onderzoekend aan. Ik herken de twijfel in zijn gezicht. Alsof het vuur aan de ene kant steeds dichterbij komt, maar de zee aan de andere kant je afschrikt.

‘Oh, burn it down and bring it back stronger,’ zing ik zachtjes. ‘Ik hoorde dat liedje van Billy Locket toen ik in de taxi zat,’ beantwoord ik zijn vragende blik. ‘We kunnen twee dingen doen. Terug naar Nederland, waar we ons weer in een keurslijf dwingen. Jij in de praktijk van je vader die je ooit tegen je zin in gaat overnemen, en ik altijd op jacht naar een betere opdrachtgever, of we blijven nog even hier en we zien wel wat de tijd ons brengt.’

‘Dat kan best lang zijn.’

‘Als we samen zijn, vind ik dat niet erg,’ fluister ik. Voor het werk dat ik doe, hoef ik niet per se in Nederland te zijn. Ik kan als tekstschrijver overal werken. Ook hier.

‘Meen je dit echt, Juul?’ Zijn ogen fonkelen weer. Ontroering, liefde en nog iets. Heel even ben ik bang dat hij het gaat ‘relativeren’ en met allerlei doemscenario’s komt waardoor ik toch even ga twijfelen, maar als hij zijn lippen op de mijne drukt weet ik dat we blijven.

‘Heb ik al gezegd dat ik van je hou,’ mompelt hij tussen zijn kussen door. 

‘Je hebt niet eens “hallo” gezegd,’ zeg ik semi-mokkend. Ik duw hem van me af en kijk hem streng aan. Voor zover dat me lukt.

‘Dat meen je niet?’ Geschokt kijkt Lucas me aan, nu schiet ik wel in de lach. Vooral als hij overal om me gezicht kust. ‘Dat gaan we dan eens snel rechtzetten.’ Hij legt zijn handen onder mijn billen en tilt me moeiteloos op. Van schrik sla ik mijn benen om zijn middel. De laatste keer dat we dit thuis deden, verloor hij zijn evenwicht en zaten we een half uur later op de eerste hulp.

‘Ik heb geoefend met kangoeroes,’ verzekerd hij me. Die brutale grijns van hem doet me smelten, maar kan de stomp tegen zijn bovenaan niet voorkomen.

‘Kijk uit hoor, anders slaap je maar bij je koala vriendin.’

‘Ik heb de afgelopen dagen niet anders gedaan,’ lacht hij terwijl hij me op het bed neerlegt, en me dit keer wel helpt met het uittrekken van mijn shirt. ‘Juul redde mijn leven. Ik vond haar op een dag dat ik het echt niet meer zag zitten. Ik wilde naar huis, maar durfde niet en daar zat ze langs de kant van de weg. Verzwakt en gewond. Ze liet niemand in de buurt, behalve mij. Ik verzorgde haar wonden, sliep bij haar omdat ze ieder uur haar medicatie nodig had en langzaam bloeide ze op. Ze is echt leuk.’

Met een glimlach kijk ik naar de man die ik bijna aan de horizon had laten verdwijnen. Hij kleedt zich expres langzaam uit. Buiten kleurt de nacht zich met vlammen van het vuur.

‘Denk je dat het snel onder controle is?’ vraag ik als naast me komt liggen. Zijn warme lijf vertrouwd tegen me aan. 

‘Blijkbaar moet iets volledig uit de hand lopen om controle terug te krijgen. Er wordt nu hard gewerkt aan brandpreventie om dit in de toekomst te voorkomen.’

‘Een toekomst waar we samen aan gaan werken.’ Ik druk mijn neus in zijn hals en verlies me in zijn geur. Een beetje zweterig, maar voornamelijk Lucas. Mijn Lucas.

Wil jij ook je steentje bijdragen? Kom net als Lucas en Juul in actie en steun het Wereld Natuurfonds.

Red me #3

admin  

De rest van de tour voelde als een thuiswedstrijd. Bij iedere kamer kwam er weer een herinnering in me op alsof ik door een fotoalbum bladerde. Ik zag mezelf zitten in de grote stoel bij de haard, of aan de tafel met het schaakbord. Sebàstian liet me altijd winnen door me telkens weer een herkansing te geven als ik bijna schaakmat stond. 

In de kamer die vroeger van Sebàstians zus was, laat de gids me een geheime deur zien achter een wandkleed en verteld me dat deze pas ontdekt is nadat het huis werd overgedragen aan het National Trust. Sebàstian stierf op een respectabele leeftijd van vijfenzeventig jaar. Niet veel later overleed zijn zus. Het huis heeft in de oorlog nog gediend als hospitaal, maar kwam daarna leeg te staan tot de notaris het overdroeg aan het National Trust.

Het was dat er nog veel meer op het programma stond, anders was ik gewoon gebleven om te zien waar die geheime deur naartoe leidt. Maar ik heb een plan.

Bij iedere kamer kwam er weer in een herinnering in me op alsof ik door een fotoalbum bladerde

Het duurt niet lang voordat iedereen slaapt. Een dag lang slenteren door drie (!) landhuizen, een wandeltocht over de Moors en Chinees eten met heel veel bier, staat garant voor een diepe slaap. Maar niet voor mij. Na middernacht sluip ik in mijn pyjama naar beneden. Angstvallig kijk ik naar buiten. Nog geen lichtje te zien. De vorige keer kwam hij op de wond in mijn arm af, maar die wond was niet echt. Die droomde ik. Het lijkt me een beetje vergezocht om nu een scherf in mijn arm te steken in de hoop dat Sebàstian me dan komt redden. En wat als het allemaal echt een droom is, wie weet verbeeld ik het me wel en is er helemaal niets, alleen mijn verbeelding. 

Dan zie ik in de verte op de heuvel een lichtje.

Hij is er.

‘Right, actie Jesse.’ Ik trek de deur open en stap naar buiten. ‘Sebàstian! Ik ben hier.’ 

Het lichtje verdwijnt achter de heuvel. 

‘Shit.’ 

Ik draai me om zodat ik mijn jas en schoenen kan pakken, maar de deur achter me zit dicht. Hoe kan dat? Ik heb helemaal niets gehoord. Ik wil al iets duns pakken zodat ik de hendel omhoog kan duwen, zoals hij dat gisteravond ook deed met zijn mes, maar de keukendeur heeft een heel normaal slot. Er is helemaal geen ouderwets metalen hendel. Het lukt me voor geen meter om de deur open te krijgen. Er zit geen beweging in. Zal ik kloppen of aanbellen? Als ik me omdraai zie ik weer dat lichtje dansen in de verte. Er zit maar één ding op: ik ga er achteraan. 

Ik ben geen held, laat ik dat vooropstellen, en dat ik beef heeft niet alleen met de kou te maken. Er is nog een ander gevoel dat me overspoelt. Ik ken het van een aantal jaar geleden. Het gevoel van wanhoop en machteloosheid, dat je uiteindelijk in een steeds dieper wordende kuil duwt. Tot je maar één uitweg ziet. Die avond gebruikte ik een scherf van een bierflesje dat ik kapot had geslagen. 

In mijn handen voel ik ineens iets scherps en kouds.

Hoe komt dat nu daar?

Flitsen schieten er in mijn gedachten voorbij. Het ene moment loop ik met mijn blote voeten op het natte gras en het andere moment sta ik in de badkamer. Mijn hart bloedt omdat alles waarnaar ik verlang buiten mijn bereik lig. Ik proef zijn lippen weer op de mijne, en ga onder in die rust die eindelijk over me heen kwam omdat waar ik op dat moment was, thuis was. Bij hem in zijn armen. Maar zodra we elkaar loslieten wisten we allebei dat we ons doodvonnis hadden getekend. Wij samen was geen toekomst.

De scherf in mijn hand gaat steeds dieper in mijn pols. Ik wil dit niet, maar kan het niet tegenhouden. Het duister heeft me overmand. Met mijn ogen dicht duw ik door. Ik moet op mijn lip bijten om het niet uit te gillen. Dit keer ben ik te diep gegaan. Het pulseren van mijn hart is terug te zien in de straal die uit mijn arm vloeit. Nog voor ik goed en wel heb kunnen bedenken wat ik moet gaan doen overvalt een duizeling me en zak ik door mijn knieën. Vlak voordat ik de grond raak, weet ik dat dit niet de oplossing is.

Ik proef zijn lippen weer op de mijne, en ga onder in die rust die eindelijk over me heen kwam omdat waar ik op dat moment was, thuis was.

‘Dit is niet de oplossing, Jess.’ Sebàstian heeft zijn hand op mijn pols die in het verband zit. Hij zit naast me op het bed. Het vuur in de openhaard knispert geruststellend. ‘Je hebt me laten schrikken. Het spijt me als ik je in verlegenheid heb gebracht. Ik dacht dat je…’ Hij haalt zijn hand door zijn haren en pakt dan het kommetje met water. ‘Heb je dorst?’

Ik schud mijn hoofd. Deze riedel gaan we niet weer afdraaien. ‘De mannen van het dorp hebben ons gezien.’ Het komt allemaal weer bij me terug. ‘Ik deed het niet omdat ik schrok van wat je deed. Ik hou van je, maar…’ weer is daar de paniek die me samen met die machteloosheid overvalt. Alsof je ineens beseft dat je een beslissing hebt genomen die onomkeerbaar is. We zijn gezien. Dit kan onze dood worden.

‘Doe de deur niet open als er straks wordt geklopt. We moeten vluchten.’

Sebàstian schudt zijn hoofd. ‘Je moet rusten.’

‘Nee.’ Ik schud driftig mijn hoofd, maar kan hem niet tegenhouden. Hij geeft me een kus op mijn voorhoofd en staat dan op. Ik wil hem naar me toe trekken, de kus verlengen en verdiepen. Oh god, ik wil met hem het bed delen.

Zoals we al vaker gedaan hebben.

Oké, we zijn dus wel heel erg ‘strafbaar’ bezig geweest, en ik zie geen oplossing meer. Sebàstian sluit de deur achter zich. Mijn hersenen maken overuren wat betreft het zoeken naar een uitweg. Over enkele minuten staan de mannen van het dorp voor de deur. Ik kan doen alsof ik hier gewoon een gast ben, of misschien zelfs de geliefde van Sebàstians zus, maar dat kunnen we geen maanden volhouden. 

Mijn eigen dood in scène zetten is ook tricky. Wat als ze denken dat Sebàstian dat heeft gedaan? Dan gaat hij vervolgens ook nog voor moord achter de tralies. Of erger. In deze tijd zijn ze wat minder ethisch met de straffen die ze uitdelen. 

Net als alle vorige keren stap ik uit bed, pak de kaars die op het kastje ernaast staat en loop de gang op. Alsof ik mijn dood tegemoet ga, loop ik langs de schilderijen, tot ik bij de trap ben. In mijn droom liep ik naar het portret. Nu sluip ik naar de kamer aan de andere kant van de overloop. Het is de kamer van Sebàstians zus. 

Annabella.

Zodra ik de deur opendoe zie ik het. Onze gids van vanmiddag lijkt als twee druppels water op de jonge Annabella.

‘Jessmond, wat doe jij hier.’ Ze is overduidelijk gestrest, niet door mijn binnenkomst, maar omdat ze weet wat er gaat gebeuren want door de gordijnen heen is te zien dat er een stoet deze kant opkomt. De zwarte koets met de paarden ervoor zien er angstaanjagend uit, net als de vele fakkels die eromheen dansen. ‘Er staat jullie een verschrikkelijke toekomst te wachten.’

‘Niet als er geen bewijs gevonden wordt,’ zeg ik. Het plan is me ineens helemaal helder. Ik zoek naar de deur achter het wandkleed. ‘Yes,’ Het ornament dat de gids me vanmiddag aanwees, dient als deurknop. Ik druk het in, en de wand gaat open. Annebella kijkt me verbijsterd aan.

‘Hoe wist je dat dat er was?’

Ik schud mijn hoofd dat ik geen tijd heb om dat uit te leggen. ‘Vertel iedereen dat ik gevlucht ben naar Europa, Bella. En zeg ze nadrukkelijk dat het mijn fout is, dat ik Sebàstian heb verleid en dat jullie me hebben weggestuurd.’

‘Maar waar ga jij dan heen?’

‘Ik ga naar het geheime gedeelte van het huis. Dat wordt mijn nieuwe thuis.’ Verder kan ik weinig uitleggen. Er wordt hard op de voordeur gebonsd, en we horen hoe Sebàstian de deur opendoet.

De rest van het verhaal ken ik. Het scheurt mijn hart uiteen als ik de arrestatie hoor. Het gaat er niet zachtzinnig aan toe. Annabella duwt me de geheime gang, huilt dat ik moet gaan en rent dan haar slaapkamer uit. Ik loop in het donker een houten wenteltrap op. Het gaat hoger en hoger tot ik op de zolderverdieping ben. Het is ingericht als een woonverblijf met oude meubels en een bed dat in de hoek van de kamer staat. Klein ramen zijn mijn enige toegang naar de buitenwereld. Ik zie hoe de stoet wegrijdt van het huis. Op naar Dartmoor Prison, terwijl ik zojuist een ander soort gevangenis ben binnen gegaan. Als ik hier blijf, en als ik mijn plan doorzet, betekent het dat ik nooit meer buiten gezien mag worden. Dit is nu mijn wereld. Maar ik weet hoe het is om jarenlang zonder hem verder te moeten. Om dwalend door het leven te gaan, op zoek naar hem.

Als ik hier blijf, en als ik mijn plan doorzet, betekent het dat ik nooit meer buiten gezien mag worden. Dit is nu mijn wereld.

Het duurt vier weken eer ik bekende voetstappen op de wenteltrap naar zolder hoor. Al die tijd zette Annabella eten voor me neer bij de deur, en al die tijd zat ik hier alleen. Tot vandaag.

‘Jessmond?’ Sebàs staat voor me en kijkt me verbijsterd aan. ‘Wat doe jij hier? Ze zeiden dat je gevlucht was, dat jij mij gedwongen had.’

‘Je hebt ze toch niet tegen gesproken?’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Annabella zei dat ik daar akkoord mee moest gaan. Dat het zo was gebeurd. Ik dacht dat ik je kwijt was.’

‘Nooit meer,’ zeg ik. ‘Nooit meer ben je me kwijt. Ik blijf voor altijd bij je.’

 ‘Je hebt me gered,’ zegt Sebàstian. Hij loopt langzaam mijn kant op.

‘Ik denk eerder dat jij mij hebt gered. Als jij me die avond niet gevonden had…’

‘Ik zei toch dat ik over je zou waken? Dag en nacht.’ Zijn hand voelt vertrouwd op mijn wang. ‘Ik ben blij dat je eindelijk weer thuis bent.’

‘Ik ook,’ beantwoord ik zijn lippen. Eindelijk voel ik me thuis. 

En mocht je op de Moors zijn en toch een dwaallicht zien, kijk dan eens goed. Dan zal je zien dat het er twee zijn. Sebàstian en ik, die samen een wandeling in de nacht maken. Ongezien, maar voor eeuwig samen. 

Red me #2

admin  

‘Hee, Rukker! We hebben je alter ego gevonden.’ 

Kevins geblèr doet mijn hoofdpijn geen goed. Ik heb totaal geen idee meer wat er vannacht is gebeurd. Blijkbaar ben ik in de badkamer uitgegleden en ben met mijn kop tegen de wasbak geknald. Waarover ik ben uitgegleden is een raadsel, maar wel de reden tot speculatie en hilariteit, vandaar mijn nieuwe bijnaam. Er zat geen glas in mijn arm, en het raampje van de badkamer zat netjes dicht. Volgens de eigenaresse van het B&B kon het niet eens open. 

Onze begeleider heeft direct mijn tas gecontroleerd op drugs en hoewel hij niets kon vinden, heeft hij toch bedacht dat hij me geen moment uit het oog mag verliezen. Ik moest mee met de excursie van vandaag: Dartmoor Hall. Een afgelegen landhuis – wat ligt hier niet afgelegen – dat alleen maar bereikbaar is via een smal kronkelpad waarvan we het laatste stuk nog moeten lopen omdat de landheer de laatste jaren van zijn leven hier geleefd heeft als een kluizenaar en niemand op zijn land wilden. 

‘Als een soort Heathcliff,’ had de tourguide gezegd met een diepe zucht, waarna ze vervolgens een kwartier bezig was om een groep tieners uit te leggen wie in godsnaam Heathcliff was. Ik heb er weinig van meegekregen, er is zoveel ruis is dit huis dat het gewoon zindert in mijn lijf. Alsof ik een gebied vol hoogspanning ben binnengelopen. Mijn schedel lijkt langzaam uit elkaar te barsten, terwijl de druk op mijn borstkas oploopt. Ik ben in het huis van mijn dromen met een onheilspellend gevoel hijgend in mijn nek. De laatste keer dat ik hier was, liep het niet goed af. Wat tegelijkertijd ook weer onzin is, want ik ben hier nog nooit eerder geweest.

Toch?

‘Het is echt net Jesse,’ giechelt Noor. Ze wijst naar een portret dat op een dressoir staat in de zogenaamde smoking room, de ruimte waar ze na het eten nog een brandy dronken met een sigaar. De mannen dan.

‘Had je soms familie hier wonen?’ roept Kevin weer. 

Eigenlijk heb ik geen zin in een prank, maar toch slof ik hun kant op. Het portret waar ze op doelen, doet me schrikken. Alsof ik in mijn eigen ogen kijk. 

‘Wie is dat?’ stamel ik.

‘Volgens het boekje “een neef” van de heer des huizes.’ Noor houdt haar handen nog even in de lucht nadat ze die aanhalingstekens heeft gemaakt. 

‘Een neef?’ kopieer ik haar.  

‘Er staat hier dat Jesmond Odell zeer regelmatig in Dartmoor Hall logeerde. Hoewel er geen aantoonbare bloedband is, wordt hij als neef genoemd in de biografie.’

‘Spooky…’ fluistert Kevin geheimzinnig in haar oor. Ze giechelt wéér en samen lopen ze verder. 

Ik wil iets zeggen, maar mijn stem blijft hangen in mijn keel. Zoveel toeval is toch niet gezond? Nieuwsgierig en ook wel een beetje angstig voor wat ik nog meer ga tegenkomen volg ik de rest van de groep naar boven. 

De enorme trap bestaat uit twee delen en heeft een soort tussenverdieping waar een portret hangt van Lord Sebàstian Kenton. Nachtwaker staat eronder en een jaartal; 1854. Geschokt kijk ik naar zijn gezicht.

Hij is het.

Zijn ogen zijn net zo groen als dat ik me herinner. De lach om zijn mond komt overeen met mijn beeld van hem, en ik proef de wijn op zijn lippen. In de schalkse blik die hij me toewerpt ligt een vraag waarvan ik weet dat ik het ga beantwoorden. Een golf van warmte spoelt door mijn lijf.

Oh shit, hij is het echt. De man van mijn dromen.

‘Prachtig portret, is het niet?’ De tourguide, Bella heet ze, is geruisloos naast me komen te staan en kijkt me onderzoekend aan. Ze is al wat ouder aan haar grijze haar te zien, maar haar blik heeft nog iets jeugdigs. Ze komt me bekend voor, maar ik weet niet waarvan. Ik knik langzaam. Prachtig is niet het juiste woord om dit portret te omschrijven, maar wat het wel is kan ik nog niet zo goed onder woorden brengen.

‘Wat betekent het onderschrift?’

‘Geen idee, het staat achterop het schilderij geschreven, vermoedelijk door de kunstenaar gedaan. Sommige bronnen vermelden dat Sebàstian ’s nachts over de Moors doolde omdat hij niet kon slapen. Maar anderen beweren dat hij ’s nachts waakte over zijn neef die leed aan ernstige nachtmerries, alleen de aanwezigheid van Sebàstian maakte hem rustig. Het gerucht gaat dat zijn neef dit portret heeft gemaakt.’

‘Die “neef” Jessmond?’

‘Die inderdaad.’

Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk. Als ik heel goed kijk, is de techniek die gebruikt is voor dit schilderij nagenoeg hetzelfde als mijn eigen techniek. Er komen steeds meer vragen in me op. Hopelijk kan Bella me verder helpen.

‘Maar dat was toch geen neef?’

‘Nee, wie of wat hij wel was, is een mysterie, maar vermoedelijk is hij de reden dat de heer des huizes in Dartmoor Prison heeft gezeten op beschuldiging van sodomie.’

‘Sodomie?’ Dat is natuurlijk een woord waar Kevin direct op afkomt. ‘Was die engerd een holbewoner?’ 

‘Wat is een holbewoner?’ hikt Noor giechelend.

‘Dat ben je als je hem graag in iemands poeperd duwt.’

‘Ieeehwl!’ Ze slaat haar handen voor haar mond. Kevin sleurt haar gelukkig bij ons vandaan. De pijn in mijn buik wordt erger. Waarom zeg ik hier niets van? De vrouw van de tour herpakt zich als eerste, maar wel met rode wangen.

‘Als dit zogenaamd normale reacties zijn in een tijd waarin homoseksualiteit redelijk geaccepteerd lijkt, dan snap je wel hoe moeilijk het was voor twee jongens in de negentiende eeuw om verliefd te zijn.’

‘Maar ging je daarvoor naar de gevangenis?’

‘Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd homoseksualiteit legaal hier in Engeland.’

‘Serieus?’ Maar dat is amper vijftig jaar geleden. ‘Twee jongens die van elkaar houden doen toch niemand kwaad?’ Ik vind die reactie van Kevin al kapot irritant, en een reden om niet hardop voor mijn gevoelens uit te komen, maar stel dat je niet alleen belachelijk wordt gemaakt maar ook nog wordt opgesloten in een gevangenis. Ik heb één nacht vastgezeten vanwege vandalisme en omdat ze me een lesje wilde leren, maar dat was terecht. Maandenlang in de gevangenis, waar je in die tijd echt niet fijn behandeld werd, omdat je je hart wilde volgen is de zwaarste vorm van onrecht.

‘En Jessmond? Wat is er met hem gebeurd?’

‘Dat weet niemand. We weten uit de dagboeken van Sebàstians zus dat Jessmond een ongeluk had gehad en hier in Dartmoor Hall verbleef zodat Sebàstian hem kon verzorgen, maar Jessmond is nooit meer gezien na de avond van de arrestatie. Volgens een passage in het dagboek is hij naar Nederland gevlucht, maar er is nooit bewijs gevonden dat hij daar ook is aangekomen. Sommige geschiedkunidgen beweren dat hij die avond op de Moors is verongelukt en dat Sebàstian sinds zijn vrijlating uit Dartmoor Prison over de Moors dwaalt. Hij schijnt er nog steeds te lopen.’

‘Op zoek na Jessmond?’

‘Op zoek naar jou…’ Ze knipoogt. ‘Ik bedoel Jessmond.’ 

Lees verder

Carelabel inside

Carelabel inside

admin  

Wel of geen label?


Pardon my French maar ik vond waslabel of gebruiksaanwijzing toch niet heel erg passen als het om mensen gaat. 


Carelabel: welke zorg heeft iemand nodig. Iedereen heeft zo’n label, soms zichtbaar, maar meestal diep weggestopt. Alleen zichtbaar voor wie dichterbij mag komen.


Pas als je mensen leert kennen, leer je ook het label lezen. Dat is vaak niet in een oogwenk gebeurd. En zelfs als je denkt te weten hoe de ander in elkaar zit, kan je er nog naast zitten want niemand voldoet aan het standaardbeeld.


Mr. Worth en Veerle in de roman Jij en ik… samengevat hebben allebei een complex ‘carelabel’, en zijn gebaseerd op echte mensen die zich vaak onbegrepen voelden. Omdat zij ook niet met het label op hun voorhoofd lopen, heb ik dat met Mr. Worth en Veerle ook niet gedaan.

Dat was best een klein risico, want hoewel Veerle nog wel herkenbaar overkwam, las ik over Mr. Worth dat hij afstandelijk was, weinig emoties toonde, en iemand noemde hem zelfs een pompeuze zak. Die deed wel even pijn. Aan de andere kant is het een oprechte opmerking want zo is hij ook bewust opgezet.

Het blijft moeilijk om een personage te laten zien, zonder dat je de lezer erop wijst waar naar te kijken. Net als dat het ook in het dagelijks leven moeilijk blijft om naar de ander te kijken met een open vizier. Hoe je het ook wendt of keert, je kijkt altijd met ‘bagage’. Wie ben je zelf, hoe sta je in het leven, maar ook waar kom je vandaan, wat heb je meegemaakt en wat weet je van de mensen die je kent.

Zo kreeg ik bij Liefde zonder toekomst de reactie dat Rowan zich sneller over zijn ’trauma’ heen moest zetten, want hij bleef er wel lang over door jammeren. En het is misschien ook vervelend lezen als een personage maar niet toe durft te geven aan zijn liefde voor de ander, maar met zijn verleden, stelselmatige mishandeling zowel lichamelijk als geestelijk, is het misschien ook wel verklaarbaar. Gelukkig maar dat het niet voor iedereen herkenbaar is, maar de mensen die er wel mee te maken hebben (gehad) dragen dit niet zichtbaar met zich mee.

Benieuwd naar Jij en ik… Samengevat?

In de feelgoodroman Jij en ik… samengevat van Annette Rijsdam treffen we Vera net op een baaldag. Ze werkt als junior beeldredacteur bij een toonaangevend literair tijdschrift en hield tijdens een vergadering een bezield betoog voor romanceboeken. Haar voorstel om meer aandacht te geven aan dat genre werd met harde hand van tafel geveegd door haar baas, de illustere Mr. Worth. Zo makkelijk geeft ze zich echter niet gewonnen en ze neemt zich voor hem hoogstpersoonlijk te overtuigen van de kracht van romantiek. Om haar nieuwe missie meer kans van slagen te geven, vraagt ze advies aan haar favoriete romanceschrijfster, Ann Gregory. Zal ze met de hulp van Ann een nieuwe kant van Mr. Worth leren kennen? Te koop op boekenwereld.nl

Dit artikel bevat affliatielinks, dat houdt in dat ik een klein percentage ontvang als je het boek Jij en ik… samengevat koopt via de link 😉

Hoofdstuk 3

admin  

Ben

Toen

‘Mijn vader heeft De ontdekking van de hemel liggen, die kun je toch kijken?’ Ember heeft haar lesboeken weer uitgestald op de tafel in de mediatheek van onze school. Als iemand mij zou vragen hoe ik mijn verkeringstijd met Ember tot nu toe zou samenvatten dan antwoord ik geheid: aan een tafel met de neus in de boeken. Voor iedere toetsweek moet ze blokken, en als er niets te leren valt, dan zijn er altijd wel verslagen die geschreven moeten worden, essays die moeten worden uiteengezet of gewoon de leeslijst moet verslonden worden. Je zou zeggen dat Ember alleen maar goede cijfers haalt, maar ze staat er dit jaar dramatisch slecht voor. De belangrijkste proefwerkweek in maart is cruciaal voor haar en ik vrees dat ik haar de komende zes weken weinig ga zien. Gek genoeg vind ik het niet eens heel erg. 

‘Het gaat erom dat je niet alleen de film kijkt, maar ook het boek leest dat erbij hoort. Een dikke pil zoals De ontdekking van de hemel zie ik echt niet zitten. Bovendien ik wil geen film kijken waarin mensen doodgaan.’

Ember trekt een gezicht dat twee dingen kan betekenen: A. ze heeft honger, B. ze is geïrriteerd. ‘Misschien hebben ze wel een film gemaakt van een songtekst,’ oppert ze met rollende ogen, waardoor ik weet dat we voor optie B. gaan. ‘Het schijnt dat daar tegenwoordig jouw interesses liggen.’

‘Tja.’ Ik doe maar net alsof ik de sneer tussen de regels door niet gehoord heb. We hebben binnenkort ons eerste optreden en dat vraagt gewoon de nodige voorbereiding. Het is alleen jammer dat niemand daar begrip voor lijkt te hebben. Dit weekend moet ik echt aan mijn wiskunde werken, maar eerst moet ik dat boekverslag af hebben. Met mijn nek al in de kramp van het schuinhouden, loop ik langs de boekenkasten op zoek naar een boek dat me aanspreekt en waarvan dan ook nog een film is gemaakt.

‘Ik heb Charlie and the Chocolate Factory gekeken,’ klinkt het achter me. ‘De Sik vond het bij ons gewoon goed.’

‘De Sik?’ Lachend draai ik me om. Maddy weet altijd wel iets te zeggen waar ik om moet lachen. ‘Noemen jullie die van Nederlands De Sik?’

‘Toen wij hem in de eerste kregen, wilde hij zijn baard laten staan, maar meer dan zo’n pluizig plukje dons werd het niet.’ Maddy haalt verontschuldigend zijn schouders op. Ik vind het eigenlijk wel grappig, vooral omdat onze docent Nederlands een enorm grote vent is, met blijkbaar toch een babyface.

Zoals altijd heeft Maddy een grote gebreide muts op zijn hoofd. Deze keer in de kleur rood. De rest van zijn kleding is wijd en zwart, maar zijn nagels zijn felroze. Het zijn echter die ijsblauwe ogen van hem die de aandacht trekken. 

‘Die Charlie-film mag dus ook?’ stamel ik. Bij Maddy in de buurt weet ik nooit echt goed wat ik moet zeggen. Lachen lukt me wel, vooral om alles wat hij zegt, maar echt een zinnig gesprek hebben we nog niet gevoerd. We kennen elkaar natuurlijk ook pas een paar maanden, en op de band na hebben we weinig overeenkomsten. 

Sjakie en de Chocoladefabriek is geschreven door een Engelse auteur,’ bemoeit Ember zich ermee. Ik sta in een ander gedeelte van de mediatheek, en er staan twee boekenkasten tussen ons in, maar blijkbaar heeft ze ons toch gehoord. ‘Dat mag niet.’

‘Jawel hoor,’ roept Maddy in een willekeurige richting. ‘De Sik is helemaal weg van Roald Dahl. Je mag mijn verslag wel lenen,’ voegt hij er wat zachter aan toe. Ik voel mijn wangen gloeien, huiswerk overschrijven is niet iets wat bij mij past, maar ik merk al een aantal weken dat ik sta te trappelen om van mijn veilige pad af te gaan. Het liefst met Maddy als tour guide.

‘Heb jij dan misschien ook de film?’

‘Ja, die staat bij ons op de harde schijf.’

‘Oh.’ Ik had gehoopt dat hij de dvd ergens had liggen. ‘Die harde schijf kan ik niet lenen natuurlijk. Misschien hebben ze hem in de bieb.’

‘Misschien,’ mompelt Maddy. Hij zet een stapje dichterbij. De neuzen van onze schoenen raken elkaar op een haartje na. ‘Je mag hem ook bij mij kijken,’ fluistert hij. Zijn blik houdt hij gericht op de grond en doordat hij zo zachtjes praat, trekt mijn lijf een aantal conclusies uit zijn vraag waar ik niet helemaal zeker van ben. Snel stop ik mijn handen in mijn zakken zodat hij niet ziet dat ik tril.

‘Lijkt me leuk,’ antwoord ik zachtjes zodat Ember het niet kan horen. Tenzij ze natuurlijk verdekt staat opgesteld achter de boekenkast. Ik zie haar er ook echt voor aan. ‘Zeg maar wanneer en hoe laat.’

‘Morgen tussen zeven en half acht?’ Maddy kijkt voorzichtig omhoog en ik begin direct te knikken.

‘Perfect, de hockeytraining gaat toch niet door vanwege het weer. Ze zeggen dat het gaat sneeuwen.’ Dat laatste zeg ik met hetzelfde enthousiasme als een klein kind dat naar een pretpark mag. Voor mij voelt zo’n witte wereld ook als een magisch pretpark. Als klein ventje was ik er al door gefascineerd en nog steeds heb ik het idee dat er een verborgen boodschap in die kleine sneeuwvlokjes ligt. Het is me alleen nog niet gelukt om die te doorgronden. 

Maddy kijkt me bedenkelijk aan. ‘Trainen jullie nog buiten? Het is januari.’

‘Alleen mietjes trainen binnen,’ klinkt het van achter de boekenkasten. ‘Echte mannen trainen buiten.’

Maddy kijkt me met grote ogen aan, hij bijt op zijn lip en ik doe mijn best niet in lachen uit te barsten. Stilletjes grinnikend neem ik afscheid van Maddy, zodat ik de laatste drie minuten van de pauze nog even Ember kan helpen met haar huiswerk.

De waarschuwing van de buschauffeur, dat de late bussen waarschijnlijk niet rijden vanavond vanwege het slechte weer en de dreigende gladheid, zit me niet lekker. Het zou betekenen dat de laatste bus al om negen uur rijdt, maar ik heb helemaal geen zin om tijdens het film kijken op de tijd te letten. Ik zou altijd nog een taxi kunnen bellen, of de chauffeur van mijn vader, maar dat laatste wil ik graag voorkomen als dat kan. Het klinkt overdreven, maar het woonerf waar Maddy woont is net zo groot als ons landgoed. Met dank aan oud geld en ouders die meer verdienen dan ze kunnen opmaken. Toch had ik liever wat vaker met mijn vader en moeder gezellig aan tafel gezeten dan twintig paar winterschoenen in de kast.  

Er staat geen auto op de oprit bij Maddy en ik vraag me af of zijn ouders dan wel thuis zullen zijn vanavond. Ondanks het dunne overhemd dat ik draag, krijg ik het ineens heel warm om vervolgens in een soort ijsbad te stappen. Wat is er toch met me aan de hand? Ik ga wel vaker bij een vriend een film kijken, en hoewel ik me dan niet zo druk maak om wat ik aan moet en hoe ik eruitzie, lijkt het me niet dat er iets mis kan gaan aan gewoon simpel naar een beeldscherm staren. Toch trilt mijn hand weer als ik aanbel. Achter de deur klinkt al gejoel en gejuich.

Maddy en ik zijn duidelijk niet alleen vanavond.

Is dat hem?

Mag ik naast hem zitten?

Of gaan jullie alleen op je kamer zitten?

Ik hoor allerlei verschillende kinderstemmen door elkaar, gevolgd door een luid ‘ooooeeeh’. Het lijkt wel alsof er een hele kinderklas aanwezig is. Uiteindelijk hoor ik een bekende stem erdoorheen mompelen.

‘Ga toch heen, stelletjes bemoeials.’ Na een paar klinken – waarschijnlijk moet de deur ook van het nachtslot – zwaait de deur open. ‘Hi. Kom binnen.’ Maddy stapt direct opzij om me binnen te laten. Het vrolijke gezicht dat ik van hem gewend ben, is nergens te bekennen. Zijn schouders hangen en hij heeft zijn mondhoek opgetrokken tot een vreemde grimas.

‘Het plan is iets gewijzigd.’ Zonder verder nog wat te zeggen loopt hij bij me vandaan. Ik gok in de richting van de keuken. Het is me niet helemaal duidelijk wat hij nu bedoelt. Een blik in de spiegel zegt me echter wel dat ik gigantisch overdressed ben met mijn halflange wollen jas, veterschoenen en nette pantalon. Er staan twee meisjes bij de vleugel die me met grote ogen aankijken.

‘Hij lijkt wel een directeur.’

En inderdaad, ik lijk net mijn vader.

Met het excuus al klaar dat ik niet al te lang kan blijven vanwege de bus die na negen uur niet meer rijdt, stap ik de keuken binnen waar het een drukte van jewelste is. Shanti herken ik meteen, en ik vermoed dat de man naast haar Ishaan is, Maddy’s pleegvader. Ze zijn druk in gesprek met een meisje van onze leeftijd met vuurrood haar. In een kinderstoel zit een peuter met een Danoontje en Maddy is met een kwaad gezicht neergeploft in de stoel bij het raam. Op de grond voor zijn voeten zitten twee jongetjes te spelen met een bak Duplo. Nog voor iemand iets heeft kunnen zeggen, stormen de twee meisjes binnen en gaan voor me staan.

‘Kijk uit hoor,’ mompelt Maddy. ‘Ze gaan je hypnotiseren.’ 

Ze zeggen inderdaad niets en kijken me nogal indringend aan. Het zijn hele schattige meisjes met twee van die vlechten, maar in horrorfilms zijn dat meestal degene voor wie je moet uitkijken.

‘We hebben taart gebakken,’ zeggen ze al springend in koor. Ze doen een gek wiebeldansje wat er wel komisch uitziet, maar ik durf er niet om te lachen. Maddy reageert slechts met luid afkeurend gesnuif.

‘Ik waarschuw je, Ben, ze proberen je om te kopen.’

‘Met wat voor doel?’ Het komt inderdaad een beetje bedreigend over. Vooral als ze allebei ook nog eens mijn hand vastpakken om daarmee te gaan staan zwaaien. Sta ik dan met twee van de minimeiden aan mijn zijde. Maddy kijkt nog steeds een beetje boos, dus blijkbaar is deze situatie niet om te lachen.

‘We willen naast je zitten,’ scanderen ze in koor. 

‘Naast me…?’ Ik snap echt even niet waar het over gaat, maar ik vermoed dat het gezellige filmavondje met Maddy definitief van de baan is. Als ik zijn kant op kijk, zie ik nog net hoe hij zich met rollende ogen achterover laat vallen.

‘Sorry, Ben,’ verzucht hij. ‘Maar je bent onderdeel van een familieavond.’

‘Een familieavond?’ Mijn hopeloze gezicht moet er heel komisch uitzien, want Shanti schiet meteen de lach.

‘Jij zei alleen dat je de film wilde kijken,’ zegt ze lachend tegen Maddy terwijl ze de peuter oppakt. ‘Wist ik veel dat je heel andere plannen had.’

Het ‘heel andere plannen’ veroorzaakt een kortsluiting in mijn hoofd, vooral omdat Maddy’s wangen ineens heel rood worden. In de keuken ontstaat langzaam een kakofonie aan geluid. De peuter begint te huilen, de kleuters krijgen ruzie om een auto en Ishaan is zeer verhit in een discussie met het meisje met het rode haar. De tweeling is ondertussen een soort van rondedans om me heen begonnen. Tussen alle chaos door zoek ik oogcontact met Maddy. Hij haalt glimlachend zijn schouders op.

‘Welkom in mijn familie.’

Ik moet toegeven dat ik het wel heel erg leuk vind om erbij te zijn. ‘De taart ziet er heerlijk uit,’ zeg ik en heb daarmee zo te horen definitief ingestemd met een filmavond met de hele familie. 

Hoofdstuk 2

admin  

Hoofdstuk 2

Ben

Januari vorig jaar 

‘En wie ben jij dan?’ Een man die me doet denken aan John Lennon kijkt op me neer vanuit het raam van ‘Het Kantoor’: het kraakpand waar Maddy woont. Het is een oud belastingkantoor – vandaar de naam – dat omheind is met een hoog hek. Hier en daar zijn er gaten in geknipt, dus echt een functie heeft dat hek niet. Het is me gelukt erdoorheen te kruipen zonder mijn kamgaren wollen jas te scheuren om zo de binnenplaats te bereiken, maar blijkbaar zijn er meer obstakels om te overkomen voordat ik naar binnen kan. Zoals die hippie-poortwachter bijvoorbeeld.

‘Ik ben Ben,’ antwoord ik. De miezerregen prikt in mijn ogen als ik omhoogkijk.

De hippie met het lange sluike haar begint te grinniken. ‘Ben jij Ben? Ben jij even de Sjaak.’ Hij vindt het zelf een heel geslaagd grapje want zijn lach rolt over de binnenplaats heen.  

‘Ben jij even grappig,’ mompel ik. Hij zit nog steeds hoog in zijn lachpiek, dus ik hoef geen moeite te doen om iets te vragen waar ik ook echt een antwoord op wil. In plaats daarvan wacht ik rustig af, mijn handen diep weggestoken in mijn jaszakken, want het is echt zo ontzettend koud dat ik de topjes van mijn vingers al voel tintelen. Met Driekoningen vriezen je ballen eraf, had Sam onlangs gezegd, en ik vrees dat dit een van de zeldzame keren is dat ik die gozer gelijk ga geven. Zelfs al is Driekoningen een paar dagen geleden, het is nog steeds freakin’ koud.

‘Maar uh,’ klinkt het uiteindelijk boven me als het gebulder is afgezwakt. ‘Ik vrees dat je te laat bent voor je nieuwjaarsborrel, meneer de directeur. Het belastingkantoor is al jaren gesloten, heur. Dit is nu een kraakpand.’ Hij begint weer te giechelen. 

‘Ik ben op zoek naar Maddy,’ roep ik voor hij in een extase van hilariteit verstrikt raakt. Het is al te laat, want al giechelend zakt hij weg. Ik gok dat hij op de grond is gaan zitten. Echt interessant vind ik het niet waar of hoe hij zit – al zit ’ie boven op een cactus – het enige wat ik wil weten is of Maddy binnen is. Hij is al dagen onbereikbaar en ik maak me zorgen. 

‘Wie ben jij dan?’ Een meisje met allerlei kleuren dreadlocks steekt haar hoofd uit het raam. Ze kijkt me fronsend aan. ‘Heeft ’ie weer wat uitgevreten? In dat geval is hij niet thuis. Advocaten en gepeupel van Jeugdzorg hoeven hier niet te komen.’

‘Maddy is zesentwintig, dus Jeugdzorg is niet in hem geïnteresseerd,’ antwoord ik met een zucht. ‘Het enige wat ik wil weten is of hij er is.’

‘Ja, boeiend. Wie ben jij dan?’

‘Ben.’

‘Jij bent Ben?’ Medusa begint ook te grinniken. Hoe houdt Maddy het in vredesnaam uit met hen? Ik weet dat hij met maar drie anderen een hele verdieping deelt in dit kraakpand, maar dit lijkt me toch behoorlijk vermoeiend. Het is te hopen dat hij hierna gewoon naar een normale woning verhuist. De studentenflat waar hij hiervoor zat, was ook niet alles, maar hier hoop ik niet vaak te hoeven komen.

‘Maar wat ben jij van Maddy dan, Ben?’

‘Ik ben…’

‘Ja, jij bent Ben, dat weten we nu wel.’ Haar gegiechel wordt bijgestaan daar een wat lager gegrinnik. Die hippie is er dus ook nog.

‘Ik wil graag Maddy spreken,’ zeg ik met een stemverheffing waar mijn hockeycoach jaloers op zou zijn. Ik gooi er zelfs een Gooische R doorheen. ‘Hij is mijn…’ Ik twijfel over dat laatste woord. Wat zijn we nu eigenlijk van elkaar?

We zijn toch wel gewoon vrienden? 

‘Maddy en ik spelen samen in een band, en ik wil hem graag zien.’

‘Ik dacht dat hij in een rockband zat, en niet in een boyband.’

‘Denken moet je aan paarden overlaten,’ kaatst ik terug voor ze weer in een lachstuip raakt. ‘En wil je nu gewoon de deur opendoen, mijn ballen vriezen eraf.’

‘Errrrug rock-’n-roll, hoor.’ Ze trekt haar hoofd weer terug en doet het raam dicht.

Oké, die poging is dus mislukt. Ik zou Maddy kunnen bellen, maar dat probeer ik al een week. Zonder resultaat. Nadat hij bij mij was weggegaan – lees: weggevlucht omdat ik blijkbaar iets stoms had gezegd over het beginnen van een relatie – heb ik hem niet meer gesproken. Mijn hart krimpt ineen als ik me zijn gepijnigde gezicht voor de geest haal. 

‘Blijf je daar staan of kom je nog?’

Ik kan niet goed bepalen waar de stem vandaan komt. Als er ineens een sleutelbos tegen mijn rechterschouder vliegt, zie ik nog net een hoofd vol dreadlocks boven een muurtje uit steken. Ze staat blijkbaar op een stenen trap die naar beneden leidt.

‘Gaan we via de kelder?’ Het is dat ik heel graag Maddy wil zien, maar anders had ik rechtsomkeert gemaakt. 

‘Dat is de enige ingang, maar troost je, er ligt geen water, dus je dure stappers blijven droog.’ Met een neerbuigend knikje wijst ze me op mijn leren veterschoenen waarvan de punten glimmen als wanhopige paradepaardjes. Ik draag ze nauwelijks, ze wringen en ik krijg er blaren van. 

‘Ik kom net bij mijn ouders vandaan,’ verontschuldig ik me.

‘Boeiend.’ Medusa haalt haar schouders op en gaat me voor. We lopen via de kelder naar een lange gang die door een soort spoelkeuken leidt en dan weer een trap op. 

‘Ik weet niet of Maddy aanspreekbaar is, dus stel je er niet al te veel bij voor,’ mompelt ze als ze de deur voor me openhoudt en we de volgende gang ingaan. Dit ziet er wat meer bewoond uit. Er is een kleine keuken, die tot mijn verbazing netjes is opgeruimd. Naast de keuken is een kamer en een eind verderop zijn nog twee deuren. Aan het einde van de gang zie ik twee toiletten. Het lijkt nog gewoon een verdieping in een kantoorgebouw, al beweren de posters van Bob Marley en Tarantino het tegenovergestelde. Voor de rest is het redelijk netjes. Ik had stapels bierkratten verwacht en lege flessen drank her en der. Het enige wat er op de grond staat is een grote kamerplant die er goed onderhouden uitziet. Misschien is Maddy daar wel verantwoordelijk voor, want bij Sam thuis verleent hij ook altijd Eerste Hulp aan Verwaarloosde Planten. Ik ben benieuwd of Maddy zelf veel planten heeft op zijn kamer.

‘Door de woonkamer, langs de douches, eind van de gang links.’ Medusa gebaart in de richting van wat ik als een gang had ingeschat, maar wat blijkbaar de doorgang naar de huiskamer is. In de woonkamer negeer ik de hippie die me een joint aanbiedt, en haast me naar de kamer aan het einde van de gang links. Dat is overigens nog een hele wandeling want die gang is ongeveer twee keer zo lang als die andere gang. Er zijn een stuk of zes kamers – voorheen kantoren, gok ik – die allemaal leegstaan. Helemaal aan het einde zie ik een streepje licht onder een deur vandaan komen. Zonder goed na te denken over privacy en dat soort zaken – een week geleden hebben we zo’n beetje iedere vezel van elkaars lijf verkend – open ik de deur om die vervolgens direct weer dicht te doen.

‘Oké.’ De woorden verlaten trillerig mijn mond. Ik weet niet zo goed wat ik precies heb gezien, maar hier word ik echt niet blij van. En ik maar denken dat hij er helemaal doorheen zit en mijn hulp nodig heeft.

Nou, zo te zien vermaakt Maddy zich prima en heb me ik me voor niets zorgen gemaakt. Het liefst wil ik schreeuwen, maar ik voel ook hoe mijn tranen langzaam opwellen. Ik moet mezelf herpakken, want na een ‘gezellige’ familiedag heb ik geen behoefte aan allerlei andere ingewikkelde zaken. Maddy is me niets verschuldigd, dus ik heb geen enkel recht van spreken dat hij zich nu prima vermaakt met iemand anders.

Het doet alleen wel verdomde zeer. 

Zo snel als ik kan loop ik terug naar de woonkamer, ik negeer de hippie, en ga bijna rennend door de gang naar het trappenhuis. Ik hoop dat mijn onderbewustzijn de route heeft opgeslagen en dat ik niet alsnog verdwaal in dit spookhuis. Ik haast me de trappen af, tot ik de gang naar de spoelkeuken herken. Mijn tranen zijn hopelijk van opluchting, maar ik huil wel. Het voelt alsof ik iemand ben kwijtgeraakt, terwijl er eigenlijk niets veranderd is. Het is goed zo. Waarom voelt het dan zo verrot pijnlijk? 

De hakken van mijn schoenen galmen door de kelder heen. Ik ben er bijna. Het licht van de buitenwereld gloort bij wijze van al aan het einde van de tunnel. Niet dat er echt veel licht is in deze tijd van het jaar. Het is stemmig bewolkt en met een beetje pech regent het nog steeds. Eenmaal buiten op de binnenplaats bots ik bijna tegen iemand op.

Iemand met heel lichtblauwe ogen, halflang steil blond haar en een huid waar Sneeuwwitje jaloers op zou zijn.

‘Maddy?’ 

Hij heeft alleen een T-shirt en een joggingbroek aan.

‘Het is tegen het vriespunt aan, man.’ Ik trek mijn jas uit en sla die om Maddy’s schouders. Hij maakt gelijk van de gelegenheid gebruik om zijn armen om me heen te slaan. 

‘Het is niet wat het lijkt,’ piept hij tegen mijn hals aan. ‘Het is echt niet wat het lijkt.’ 

‘Hé.’ Als vanzelf sla ik mijn armen om zijn middel en druk hem tegen me aan. ‘Het geeft niet. Je bent vrij om te doen wat je wilt.’ 

‘Ben ik?’

Nee! schreeuwt alles in mijn lijf en verstand, maar ik weet ook wel dat ik geen recht op hem heb. Dit is goed zo. In mijn hoofd herhaal ik het nog maar een keer om mezelf te overtuigen.

‘Het is allemaal zo verwarrend, Ben.’ 

‘Volgens mij is het juist heel simpel.’ Met moeite weet ik me los te maken uit Maddy’s omhelzing. ‘Ga nou maar naar binnen,’ zeg ik. ‘Ik kwam alleen maar even kijken hoe het met je gaat.’

‘Ik weet het niet.’ Maddy zet ook een stap achteruit zodat we elkaar aan kunnen kijken. ‘Ik weet echt niet meer hoe het met me gaat. Ik heb geen richting meer, alleen maar bestemming destruction.’

Dat vraagt om advies, maar ik weet niet precies wat ik moet zeggen. Als ik wist wat hem dwarszat, zou ik hem iets beter kunnen helpen. Nu weet ik alleen dat hij zegt in de war te zijn, mij al een week lang negeert, en het ondertussen heel gezellig heeft met Eden. ‘Ga nou maar terug,’ mompel ik. ‘Straks maakt Eden zich nog zorgen.’

Maddy krimpt ineen alsof mijn woorden hem stompen. ‘Het is niet wat het lijkt,’ fluistert hij zich. ‘Het is puur uit nood dat hij hier is. Eden heeft problemen thuis en hij kon nergens heen.’

‘Dan kun je nu het beste terug naar hem gaan. Hij heeft je hard nodig.’ Het is niet zo dat ik Maddy hier niet wil, maar zo te merken is mijn plek ingenomen door iemand anders. Maddy toont een glimlach door alleen zijn mondhoeken op te trekken.

‘Wat kwam je hier eigenlijk doen in je directeursoutfit?’

‘Ik had een familiedag,’ mompel ik. De blaar bij mijn hiel vlamt op, en eigenlijk zit die stijf gestreken pantalon ook niet lekker. Niets zit lekker vandaag, en daarom ging ik naar Maddy. ‘Ik wilde zeggen dat het me spijt.’

‘Het spijt je?’ Maddy knijpt zijn ogen tot spleetjes. Het venijn uit zijn woorden glinstert in zijn irissen. ‘Spijt het je dat je ware liefde laat lopen?’

Nu maakt hij het helemaal mooi. De boosheid in hem slaat ook door in mij. Dit is echt niet hoe we het nu gaan spelen. Ik heb de ware liefde niet laten lopen. Hij ging er zelf vandoor.

‘Ik word soms zo moe van jouw gedoe.’

‘Mijn gedoe?’

‘Ja, jouw gedoe,’ kaats ik terug. Mijn woorden zijn sneller dan mijn verstand. Ik wil geen ruzie met Maddy, en toch daagt hij me uit het mijnenveld in. ‘Hoe wil je het anders noemen? Betekende vorige week dan niets voor jou? Beteken ik dan niets voor jou?’ Met iedere hartslag komt mijn bloed dichter bij het kookpunt. 

‘Wil je echt weten wat je voor mij betekent?’ Maddy zet een stapje dichterbij. Spiegelen kan ik ook dus ik zet ook een stap zijn kant op. De glimmende punten van mijn kakkineuze schoenen raken zijn afgetrapte gympen. 

‘Dat zou ik wel graag willen weten,’ antwoord ik. Mijn opmerking tovert een speels lachje om zijn mond. Ik zie een fonkeling in zijn ogen die het vuur in mij weer aanwakkert. Ware liefde. Daar ben ik dan weer mooi klaar mee, maar ik kan niet ontkennen dat ik niet met heel mijn hart van hem hou.

‘Ik zal je eens vertellen wat je voor mij betekent.’ Hij buigt zijn gezicht iets dichter naar mij toe. ‘Je bent al tien jaar de ware voor mij, en dat blijf je tot in de eeuwigheid.’ Hij drukt zijn lippen op de mijne alsof hij op deze manier zijn belofte wil bezegelen. Die hele klotedag van vandaag verdwijnt naar de achtergrond bij dit gevoel. De kou stroomt weer over mijn lippen als Maddy van me weg stapt. ‘Heb alsjeblieft nog even geduld met me, Ben. Ik weet nog niet wie ik ben.’

‘Je weet nog niet…’

Maddy stopt mijn zin door opnieuw zijn lippen op de mijne te drukken. Het is een afscheidskus, ik voel het aan alles. ‘Ik moet gaan.’ Met mijn jas nog over zijn schouders holt hij naar een grote deur die ik helemaal over het hoofd had gezien. Medusa heeft me blijkbaar via de toeristische route binnengehaald, maar er is dus gewoon een hoofdingang. Niet dat ik me daar nu druk om maak. Voor de zoveelste keer glipt Maddy me door de vingers en ik had me toch echt voorgenomen dat zoiets me nooit meer zou gebeuren.

Lees verder

Hoofdstuk 1

admin  

Hoofdstuk 1

Ben

Hoe het begon

‘Wat was de reden ook alweer dat ik om drie uur op de oprijlaan moet staan?’ Ik herhaal de instructies van Kaz zo volledig mogelijk voor het geval Ember me weer eens niet begrijpt. Ze was erbij toen ik de orders van haar broer kreeg, en misschien snapte zij wel wat de clou achter zijn opdracht was.

‘Hij wil ergens met je naartoe,’ antwoordt ze terwijl ze haar schoolboeken uitstalt op de ronde keukentafel. Embers idee van een gezellig middagje samen zijn, valt altijd in dezelfde categorie als ‘huiswerk’ maken. Ik snap de link niet helemaal. Vooral niet omdat we dan steevast in de werkkeuken gaan zitten, waar hun kokkin bezig is om het avondeten te bereiden. Dat doet ze meestal al zingend, en ik kan je vertellen dat er in de wijde omgeving geen muis, rat of wat voor ongedierte dan ook meer te vinden is. 

‘Maar waar wil Kaz heen dan?’

Ember haalt haar schouders op. ‘Wat boeit mij dat nou? Zolang jullie maar op tijd terug zijn voor de hockey.’ Ze kauwt op haar potlood en staart naar de tekst in haar geschiedenisboek. ‘Het was iets met een band of zo. Volgens mij beginnen twee losers uit 4H een rockbandje. Zoals zo’n beetje iedere sneue alto op school.’

‘Jij hebt je dus nog niet aangemeld als zangeres?’

‘Waarom zou ik?’

Tja, daar heb ik natuurlijk geen gevat antwoord meer op, want het grapje is alweer voorbij. Timing is blijkbaar niet echt mijn ding. Of Embers ding, want ze doet wanhopig een poging om alle stof voor de toets morgen in haar hoofd te stampen. Vijf hoofdstukken is dan best veel. Ik vraag maar niet waarom ze niet eerder is begonnen met leren. 

‘Heb je tijdens de les geen uittreksel gemaakt dan?’

‘Ben,’ blaast ze. ‘Kun je even twee minuten je mond houden? Anders blijf ik geheid zitten.’

‘Oké.’ Met mijn handen in de lucht geef ik me over. ‘Dan ga ik wel alvast naar buiten.’ Het is onaangenaam koud voor november, maar alles is beter dan hierbinnen bij Ember. De proefwerkweek haalt altijd het slechtste in haar naar boven. Ik ken haar al mijn hele leven en sinds de zomervakantie zijn we, zoals iedereen dat blijkbaar al had verwacht, een stelletje. We kregen al maanden de vraag of we wat hadden met elkaar, en om min of meer van het gezeur af te zijn, hebben we maar ‘ja’ gezegd. Volgens mij was dat ook de eerste avond dat we met elkaar gezoend hebben. Echt spannend was dat niet, maar ik was dan ook een beetje dronken. In de weken daarna werd het wel wat leuker, tot school weer begon. School staat bij Ember gelijk aan martelen, en ergens heb ik het idee dat ze zelfs een beetje geniet van het stressen. 

De oprijlaan die bij het huis hoort, is ook echt een oprijlaan zoals je die voor je ziet als mensen het over enorme villa’s hebben. Er kunnen wel een stuk of zeven à tien auto’s parkeren, en achter het huis is ook nog een parkeerterrein voor een viertal auto’s. De SUV van Embers vader, zijn Jaguar, de Mini Cooper van haar moeder, en sinds kort staat Kaz’ Audi er ook bij. Op dit moment staat alleen de Jaguar er. Embers ouders zijn aan het werk, en Kaz moest eerst iets doen voordat hij me zou ophalen.

Het is vijf voor drie. Ik loop nog maar een rondje om het huis en maak wat random foto’s. Tot grote hilariteit van Kaz heb ik altijd mijn Coolpix-camera bij me, waarmee ik voornamelijk natuurfoto’s maak. Gewoon een bijzonder gekaderd blad of een bloem. De mist op de velden, of de middagzon die gebroken wordt door de takken van de bomen. Het landgoed rondom het huis biedt genoeg onderwerpen, maar de klank van metaal op metaal is het teken dat het gietijzeren hek opengaat en Kaz hoogstwaarschijnlijk in aantocht is. Ik kan me maar beter haasten om op tijd bij het hek te staan. 

‘Het punt is, zwagertje, dat we die kneuzen maar beter uit de brand kunnen helpen.’ Kaz heeft de reden van onze rit zojuist uit de doeken gedaan, en ik kan me niet helemaal vinden in zijn conclusie. Ook niet in zijn rijstijl, maar dat ligt volgens hem aan de overige weggebruikers.

‘Hoe kunnen wij twee leerlingen die een coverband willen beginnen “uit de brand helpen”?’ Ik speel piano, maar ben klassiek geschoold zoals mijn moeder dat altijd aan iedereen vertelt, en Kaz heeft volgens mij dezelfde muzikale talenten als hun kokkin. Ik denk niet dat wij de aangewezen personen zijn om advies te geven als het om muziek gaat. ‘Of zoeken ze een manager?’

‘Ha.’ Kaz grijnst breeduit. ‘Dat is misschien een beetje te vroeg gejuicht, maar ik wil me zeker beschikbaar stellen om ook die taken op me te nemen.’

‘En welke taken wil je dan nog meer op je nemen?’ 

‘Ze zoeken een zanger.’

‘Een zanger?’ herhaal ik zijn woorden langzaam. Dat is nog eens een wending. ‘Oké. Tof.’ Ik zeg maar niet wat ik er daadwerkelijk van vind. ‘En wie zijn die andere muzikanten dan?’

‘De dikke en de dunne uit de vierde. Je weet wel, die plofkip die een beetje ruikt, en die freak met die enge blauwe ogen.’

‘Oh, die.’ Ik denk dat ik wel weet wie hij bedoelt. Omdat ik zelf in 3-vwo zit, heb ik eigenlijk niet veel met de vierde klas te maken, vooral niet met de havoklassen, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik niemand ken. De twee jongens over wie Kaz het heeft, ken ik ook niet persoonlijk. Ik heb ze volgens mij wel eens gezien in de gang. ‘Ze staan toch altijd in de hoek, bij het muzieklokaal?’

‘Waarschijnlijk op zoek naar connecties,’ zegt Kaz lachend. ‘Een maat van me gaf de flyer die ze hadden uitgedeeld. Het zag er echt te amateuristisch uit, dus ik denk niet dat er veel zangers op af zullen komen, maar ik help graag de hulpbehoevenden.’ 

‘Juist ja.’ Ik besluit er maar niet verder op in te gaan. Het is toch wel een beetje vreemd dat een jongen die al een jaar van school is, mee wil doen met een schoolband, want dat is het volgens mij. 

Zodra we een eenvoudige woonwijk in rijden, besef ik dat Kaz me voor de gek heeft gehouden. Dit is natuurlijk niet de plek voor een band om te oefenen. Geen van de huizen heeft een schuur of een garage, en ik zie ook nergens een aanbouw of iets anders wat een eventuele oefenruimte zou kunnen zijn. Deze huizen lijken me te klein om slaapkamers te hebben waar je met een band kunt spelen. 

‘Zijn je vingers een beetje opgewarmd?’ vraagt hij als hij een woonerf oprijdt met vier huizen en een wipkip met glijbaan. Er zat zo te zien ook nog een zandbak bij, maar die is leeggehaald.       

‘Waarom moeten mijn vingers opgewarmd zijn?’

‘Omdat je auditie gaat doen als toetsenist.’ 

De tijd om te vragen wat hij daar in hemelsnaam mee bedoelt, krijg ik niet. Met een grote grijns stapt hij uit en wandelt in de richting van de voordeur. Ik blijf nog even beduusd voor me uit zitten kijken. No way dat ik piano ga spelen voor mensen van mijn school. Ik weet al drie jaar een glansrijke reputatie in stand te houden, met dank aan mijn ouders en vriendschap met Ember, en die ga ik niet kapot maken door even een riedeltje Satie te pingelen.

‘Kaz,’ roep ik hem tot de orde. De voordeur is helaas al open en Kaz is in geen velden of wegen meer te bekennen. De enige die ik zie, is de leerling die ik al regelmatig ben tegengekomen in de gang. Iedere maandag en donderdag om precies te zijn, tussen het derde en het vierde uur. Ik loop dan van het Nederlandslokaal naar biologie, en 4H heeft dan net scheikunde gehad in het lokaal ernaast. Meestal passeren we elkaar ter hoogte van de bieb. Ik weet gek genoeg al precies wanneer hij eraan komt, nog voor ik hem heb gezien.

‘Hi,’ zeg ik terwijl ik naar de deur toe loop. ‘Ik had begrepen dat mijn zwager al binnen is?’

‘Ja, hij zit al in de keuken.’ Er glinstert iets in zijn helderblauwe ogen. Zijn blonde haar piekt onder zijn gebreide muts vandaan en gek genoeg draagt hij een mouwloos shirt op een skinny. ‘Ben jij de toetsenist?’ 

Ik knik.

‘Oh, dat is tof. Ik wist helemaal niet dat jij piano speelde.’ 

‘Er is wel meer dat je niet van me weet.’

‘Oh.’ Er verschijnen rode vlekken op zijn wangen. ‘Daar kom ik misschien binnenkort dan wel achter.’

‘Vast wel,’ hoor ik mezelf zeggen. Ik trek mijn mondhoeken op in een zeer vreemde grimas. Er is geen spiegel om het te checken, maar die grote geschokte ogen van de jongen voor me, zeggen genoeg. ‘Ik ben Ben, trouwens.’ Snel steek ik mijn hand uit, die aarzelend wordt aangepakt.

‘Hoi, ik ben Maddy.’

‘Maddy,’ herhaal ik alsof ik zijn naam wil inprenten.

‘Ben.’

We schudden nog een aantal keer elkaars hand. Pas als ik ernaar kijk, zie ik hoe gek het is, en lachend laten we los. We staan nog steeds in de gang, en wat mij betreft kan ik hier best nog wel een tijdje blijven staan. Maddy wijst echter naar de deur achter hem en vraagt of ik meega naar de keuken.

‘Waar jij ga, ga ik.’ Inwendig sla ik mezelf voor mijn hoofd vanwege deze opmerking. Wat bezielt me om dit soort onzin uit te kramen? Maddy moet er wel om lachen en gaat me voor naar de keuken. Aan zijn zwarte skinny heeft hij een ketting van enorme paperclips. Het rinkelt bij ieder stap die hij zet en stiekem wil ik eraan voelen om te checken of het niet heel zwaar is. Gelukkig is Kaz met zijn directeursstem, inclusief warme aardappel en Gooische R, een reality check en weet ik weer wat ik hier doe en waarom. Shit, ik ga echt niet op de piano spelen met Maddy in mijn buurt. Straks vindt hij me een loser eerste klas. En terecht, want ik speel echt niet goed.

‘Queen is echt een must voor het repertoire.’ Kaz zit al achteroverleunend op een van de houten keukenbanken, zijn enkel rustend op zijn knie. Het is zijn typische grote-bepaler-look, semirelaxed alsof niemand hem wat kan maken. Het tegendeel zal vast wel te bewijzen zijn, maar ik ben te erg afgeleid door de knusse keuken, de chocoladecake op de tafel en de vrouw in de keuken die een grote pot thee neerzet. Ze is het tegenovergestelde van Maddy met haar diepbruine ogen en haar zwarte haren, die ze in allemaal kleine vlechtjes draagt.

‘Lust jij ook?’ Ze gebaart naar het lekkers op de tafel.

Ik knik. ‘Graag.’ Dankbaar pak ik de enorme plak cake aan die Maddy voor me heeft afgesneden. Ik weet niet zo goed hoe ik hem moet bedanken, dus trek ik maar weer mijn mondhoeken op in een glimlach. Maddy kijkt me peinzend aan. Hij gaat tegenover me zitten op de andere houten bank. De keuken is zo ingericht dat je een groot U-vormig keukenblok hebt met vier barkrukken. In de hoek staat een grote tafel met twee houten banken eromheen en bij het grote raam is nog een soort uitgezakte relaxstoel met een voetenbank ervoor. Het lijkt me heerlijk om daar te zitten met een boek. Wij hebben thuis ook diverse zithoekjes, maar alles accessoires liggen daar ieder seizoen vast op hun plek. Volgens mij is de werkster de enige die de tijdschriften op de koffietafel aanraakt omdat ze daar stof moet afnemen. 

Naast Maddy zit een andere jongen die ik herken van school. Hij staat bekend om zijn postuur, en ik heb ook al wel de nodige opmerkingen gehoord over zijn lichaamsgeur. Hij snijdt nog een plak cake af en complimenteert Maddy’s moeder met haar baksel. Ik leer gelijk dat ze Shanti heet, en aangezien Maddy haar ‘ma’ noemt, gok ik dat ze zijn pleegmoeder is. Ik durf het alleen niet te vragen. Eigenlijk durf ik nauwelijks mijn mond open te doen. Zelfs de cake eten gaat lastig. 

‘Goed,’ zegt Kaz met de managergenen die hij van zijn vader heeft geërfd. ‘Ik denk dat het een duidelijke zaak is om een duidelijke lijn te trekken in wat onze uitstraling gaat worden en welk publiek we willen raken. Daarnaast is het van groot belang om een duidelijke taakverdeling tot stand te brengen.’

‘Dat is heel duidelijk,’ papegaait Maddy met een mond vol chocola. Kaz, immuun voor sarcasme, stort zich vol enthousiasme op zijn rol als frontman. Hij heeft zelfs een kladblok bij zich met voor ieder van ons een pen zodat we mee kunnen schrijven. Wat natuurlijk nooit gaat gebeuren. Ik bedoel, zelfs die staatscommandant van Nederlands krijgt ons niet aan het schrijven, waarom Kaz dan wel?

Net als op school, richt ik mijn aandacht naar buiten op de tuin. Die is bij lange na niet zo groot als die van mijn ouders, of die van Kaz, maar klein wil ik het ook niet noemen. Gezellig wel. Een grasmat, struiken en een border, meer heb je eigenlijk niet nodig. Er staat zo’n plastic speelhuisje op het gras, met een schommel ernaast, en tegen de muur van de schuur staat een konijnenhok waarop met grote roze letters ‘Silver’ is geschilderd. Erboven hangt een pindaslinger waar een koolmeesje gretig gebruik van maakt. Allemaal erg interessant, maar er is ook een andere reden waarom ik naar buiten kijk. Op deze manier kan ik namelijk ook af en toe naar Maddy kijken. Nog nooit heb ik iemand zoals hem gezien. Die lichtblauwe ogen, dat sluike blonde haar dat in een lok telkens voor zijn ogen valt en dan die huid, die bijna doorschijnend lijkt. Maddy zelf durf ik nauwelijks aan te kijken. Heel af en toe kijk ik zijn kant op, en dan krijg ik datzelfde gevoel in mijn buik als wanneer je denkt de laatste tree van de trap te hebben, maar er nog eentje moet, en dat je dan heel even zweeft in de onwetendheid of je goed terecht gaat komen of je enkel zeer gaat doen. 

‘Wat denk jij?’ Maddy kijkt me recht in mijn ogen aan. Ik kijk terug en ik weet het echt niet meer. Geen idee wat de vraag was, en geen idee wat er nu allemaal in mijn lijf gebeurt. Ik krijg het warm, koud en dan begint alles te tintelen. 

‘Uhm,’ stamel ik, zoekend naar iets van houvast. Ik voel een lachkriebel opkomen, maar ik denk niet dat dat de juiste reactie is.

‘De vraag was,’ verzucht Kaz met een uitgerekte zucht. ‘Of het in jouw schema past om twee keer per week te oefenen.’

‘Twee keer per week?’ Eén keer per week lukt mij al niet. Ik zou gigantisch in de war raken met mijn bijlesschema, en mijn ouders zouden zwaar teleurgesteld in me zijn. Dan heb ik nog de hockey waar ik twee keer per week voor train, omdat we ieder weekend wedstrijd hebben op hoog niveau, en eens in de maand heb ik de vergadering voor de jongerenraad van de lokale bank. Nee, een band past echt niet in mijn planning.

‘Slaap er nog een nachtje over,’ stelt Maddy voor. ‘We zien elkaar morgen toch weer op school.’

‘Ja.’ Het idee om Maddy morgen weer te zien op school, en aan te spreken, neemt hele gekke vormen aan in mijn hoofd. Mijn hart lijkt te stuiteren door mijn lijf, en het zweet breekt me uit. Het liefst zou ik ter plekke oplossen.

‘Mag ik van uw toilet gebruik maken?’ vraag ik aan Shanti in de hoop dat ik mezelf weer kan herpakken.

‘Tuurlijk, in de gang bij de trap.’ Ze wil met me meelopen, maar ik verzeker haar dat ik het zelf wel vind. Het is maar een klein stukje, net genoeg om de spanning van mijn zenuwen af te halen. Maddy’s blauwe ogen blijven door mijn hoofd spoken, en iedere keer als ik ze weer voor me zie, heb ik dat gekke gevoel in mijn buik. En het zijn niet alleen die ogen. Alles aan Maddy vraagt om bekeken te worden, alsof hij een nieuw te ontdekken soort is.

Het maakt niet uit hoelang ik mijn handen onder de kraan houd. Het koele water kan de hitte in mijn lijf niet verdrijven. Het maakt me blij en angstig te gelijk. Ik blijf nog even staan voor de spiegel in de gang. Ik zie er goed uit met mijn bruine guitige ogen, die paar sproetjes over mijn neus en mijn haar dat steeds donkerder en voller wordt, maar ik ben geen hunk zoals Kaz. Volgens vriendinnen van Ember heb ik iets ondeugends over me. Daarom kom ik ook altijd overal mee weg. Omdat ik schattig ben.

Schattig.

Niet echt geschikt voor een rockband. Zeker niet naast Maddy. Ik bekijk mezelf nog eens goed. Grote ronde bril, overhemd, chino en instappers. Het is gewoon hopeloos, en ik kan maar beter een excuus verzinnen om geen bandlid te worden, want het gaat voor iedereen een enorme teleurstelling worden. 

In mijn weg naar de keuken, valt me die grote vleugel in de woonkamer op. Het is een prachtig exemplaar. Mijn handen jeuken. Muziek is altijd mijn uitvlucht geweest en op dit moment heb ik wel even een uitstapje uit de realiteit nodig. 

Op de klep staan een aantal fotolijstjes. Een doodzonde in mijn ogen, want die klep hoort open te staan zodat je de klanken beter door de ruimte kan sturen. Het enige voordeel van deze foto’s is dat ik nu ongegeneerd naar Maddy kan kijken. Er is een foto van hem samen met een jongen op het strand. Ze houden allebei een surfplank vast. Is dat een vriend of de vriend?

En waarom vraag ik mezelf dat überhaupt af?

Naast die ene foto staat nog een gezinsfoto met alleen de kinderen. Maddy is er eentje van vijf en geen van de kinderen – drie jongens en twee meisjes – lijkt op elkaar. Behalve de twee meisjes die op de grond zitten en dezelfde jurk dragen. 

Mijn blik dwaalt weer af naar die ene foto. Maddy lacht en dat maakt het zomerse geheel nog iets stralender dan dat het al is. 

‘Dat was vorig jaar in San Sebastian,’ klinkt het achter me. Shanti staat met een kopjesdoek in haar handen en kijkt over mijn schouder mee naar de foto. ‘Maddy mocht met Eden mee op surfvakantie. Edens stiefvader is een fanatiek surfer en zijn vader is half Spaans, dus het was logisch dat ze daar ook hun vakantie vierden.’

Ik mompel iets onverstaanbaars omdat het in mijn hoofd een warboel aan informatie is. Normaal kan ik alles wel in het juiste vakje sorteren, maar nu wil dat om een of andere reden niet lukken. Een vader én een stiefvader. Eden en Maddy op vakantie. Ember en ik gaan dit jaar ook samen op vakantie. We gaan met onze ouders mee, maar toch. Het is praktisch hetzelfde, en ik snap nog steeds niet waarom ik me er druk over maak.

‘En deze foto?’ Ik wijs de gezinsfoto aan om de aandacht van dat surftafereel af te leiden.

‘Dat zijn onze pleegkinderen. Alleen Maddy en de tweeling, Fleur en Rosa, wonen hier op dit moment. Ties woont momenteel weer bij zijn moeder, netals Faye en haar broertje die je hier niet op de foto ziet. En dat is Jonathan, hij studeert en is op kamers gegaan, maar in het weekend komt hij nog regelmatig.’

‘Oh oké.’ Ik voel me ineens heel beperkt in mijn ontwikkeling. Natuurlijk ben ik al op veel plekken in de wereld geweest, en weet ik meer van het zakenleven dan menig andere puber van mijn leeftijd, maar pleegkinderen of gezinnen met twee vaders zijn een ver-van-mijn-bed-show. 

‘Je mag wel wat spelen, hoor.’ Ik voel even haar hand op mijn schouder. Weer mompel ik iets onverstaanbaars. Ik wil wel, maar ik word ook tegengehouden door het feit dat in de keuken een rockband-in-wording zit te vergaderen. Alles wat ik kan spelen, maak bij hen echt geen indruk. En dat is wel wat ik wil: indruk maken. Vooral op Maddy. 

Alsof ze mijn gedachten heeft geroken, loopt Shanti terug naar de keuken en trek de deur achter zich dicht. Mijn ogen dwalen weer af naar de foto’s, en ik probeer het gevoel dat ik erbij krijg te vangen. Tijdens mijn pianolessen improviseer ik graag, deels omdat ik niet zo goed de noten kan lezen en er daarom maar mijn eigen draai aan geef.

De piano heeft een fijne klank, en speelt heerlijk. Ik ga er zo in op dat ik in eerste instantie niet eens doorheb dat er iemand naast me is gaan zitten. Pas als ik zijn twee handen zie, besef ik dat we samen gaan spelen. Als vanzelf improviseren we met elkaar. Het klinkt steeds beter, tot we onderbroken worden door een luid applaus. 

Afkomstig van Kaz.

Wie anders?

‘Zo te horen kunnen we ons repertoire ook nog uitbreiden naar klassiek,’ zegt hij met een zwaar aangezette stem, alsof hij een directeur probeert na te doen. Eigenlijk is het heel onlogisch dat Kaz leadzanger wil worden van een rockband. Hij ziet het zelf als een act of rebellion, maar in principe is het gewoon sneu. Iedereen kan zien dat hij uiteindelijk zal eindigen als zijn vader: een zwetsende lapzwans in een directeursfunctie. 

‘Jij kunt echt vet goed spelen.’ Maddy stoot mijn schouder aan en haalt me daarmee weer terug naar de plek waar ik zit. Ik meen bewondering te zien in die heldere blauwe ogen. 

‘Jij ook,’ complimenteer ik terug. Ik houd mezelf voor dat mijn wangen gloeien vanwege het verhitte spelen. 

‘Maar gelukkig bespeelt hij de gitaar en jij de toetsen, zwagertje.’ Kaz slaat me met een zogenaamd broederlijke klap op de schouder. ‘En nu gaan we, want we moeten ons voorbereiden voor onze eerste oefensessie vrijdag.’

‘We? Dus ik zit ook in de band?’ Een beetje beduusd kijk ik van hem naar Sam en uiteindelijk naar Maddy die me met een brede grijns aankijkt. 

‘Supertof toch? Gaan we samen rocken.’

‘Ja,’ antwoord ik stomverbaasd. ‘Dat lijkt me heel erg leuk.’ Ik kijk alleen Maddy aan, en eerlijk gezegd weet ik niet goed of de vraag waarop ik antwoord gaf al wel gesteld was. 

Lees verder

Proloog

admin  

Driekoningen dit jaar.

Al maanden probeer ik een songtekst te schrijven waarin al mijn gevoelens passen. Dit is echter nog zo nieuw en onbekend voor me dat geen enkel woord de juiste diepte weet te raken van wat ik voel. Ben zou het waarschijnlijk vergeleken hebben met de dikke sneeuwwolken die zich langzaam boven het graf verzamelen. Het lijkt beangstigend – ik heb altijd een angst gehad voor laaghangende bewolking – maar uiteindelijk, onder de juiste omstandigheden, gebeurt er iets magisch: het gaat sneeuwen. Ben heeft altijd een fascinatie voor sneeuw gehad. Iets wat ik zelf nooit heb begrepen, maar ik hou van de sneeuw omdat Ben ervan hield.

In de verte hoor ik het gietijzeren hek piepen en kraken. De kerktoren slaat vijf uur. Waarschijnlijk begint straks de kerkdienst. Aan Driekoningen doen ze bij deze kerk niet, maar op zondag gaan de diensten natuurlijk gewoon door. Alles in het leven gaat gewoon door. Behalve Ben. 

Ik lig op mijn rug op de koude steen en staar naar de donkere lucht boven me. Ik hoop dat de weersvoorspellingen het deze keer bij het juiste eind hebben, en dat er daadwerkelijk een sneeuwstorm aankomt. In dat geval blijf ik hier liggen tot ik bedolven ben onder sneeuw en ijs. Koud genoeg om ook mijn graf in te gaan.

‘Ik mis je,’ fluister ik tegen de ijle lucht. Mijn stem klinkt vreemd en hol. Sinds april heb ik nauwelijks gesproken. Het doet er toch niet meer toe. Niets wat ik ooit nog ga zeggen, doet ertoe. Puur en alleen omdat ik alles wat ik had moeten zeggen, de dingen die echt belangrijk waren, niet uitsprak tegen degene die er nu niet meer is. En er ook nooit meer zal zijn. De tranen rollen als vanzelf weer over mijn gezicht. Het liefst zou ik hier blijven liggen. Voor altijd. 

‘Sam heeft me uitgenodigd om Driekoningen bij hem te vieren. Het was dit jaar sowieso zijn beurt.’

Dit jaar.

Ik slik weer een brok van woede, vermengd met allerlei andere emoties, door. Vorig jaar lag de beurt bij Ben. Onze eerste echte kus. De eerste keer dat we onszelf aan elkaar toevertrouwden. Waarom hadden we maar zo kort samen? Nog geen vier maanden. Met mijn vingers volg ik de letters die in het steen gekerfd zijn. Moderne, statige letters. Precies zoals de familie Schaackoord zich graag profileert, maar het is niet hoe Ben was. 

Ben, de liefde van mijn leven, maar ook mijn licht. Mijn alles.

Benjamin Schaackoord. Zodra ik langs de rug van de D ben gegaan, begin ik weer opnieuw. Ik kan iedere letter op de zwart granieten steen al dromen. Het citaat uit Openbaringen bovenaan, Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, zijn naam, zijn geboortedatum en de dag dat hij stierf. Twee maanden voor zijn zesentwintigste verjaardag. Het lijkt net of die ene fatale dag ieder moment weer kan plaatsvinden. Dat onheilspellende gevoel van naderend onheil wil maar niet uit mijn systeem. 

‘Ik hoop dat ik goed voor je ben geweest,’ fluister ik tussen mijn tranen door. ‘En ik hoop dat je mijn liefde hebt gevoeld. Dat je zag hoeveel ik van je hield.’ En nog steeds hou ik van Ben. Dat gevoel wat ik vorig jaar voor het eerst hardop uitsprak is onveranderd. Het enige wat veranderd is, is dat ik nu niet meer bang hoef te zijn dat ik hem kwijtraak. Onze liefde is gesmolten. We hebben mogen dansen in de sneeuw en ik hoop maar dat Ben er net zo intens van heeft genoten als ik.

‘Kon je me maar een teken geven.’

De wind trekt aan en de kou dringt tot diep in mijn botten door. De sneeuw komt eraan. Het liefst sluit ik mijn ogen en laat me meevoeren met de eeuwigheid. Het is goed zo.

‘Geef me alsjeblieft een teken,’ fluister ik. ‘Zodat ik weet hoe ik verder moet.’

En óf ik wel verder moet.

Lees verder (hoofdstuk 1)