De geur van thuis

admin  

Top 8. Finale Lemniscaat schrijfwedstrijd Scriptplus

-1-

Nederland ruikt naar modder en soms naar natte hond. Yazim kauwt op zijn potlood en denkt nog eens goed na. Misschien kan hij beter iets anders verzinnen. Hij kijkt eens goed om zich heen. Wat ziet hij nou eigenlijk? Een weiland, en nog één en nog één, en nog één zover als dat je kunt kijken. Er lopen koeien, schapen en paarden. Allemaal op hun eigen stukje land. Hij moet grinniken om een schaap dat probeert een hek open te krijgen. Het metaal tikt steeds harder tegen de houten paal waar het hek aan vast hoort te zitten. Twee witte paarden kijken toe, hun halzen mooi gebogen, hun oren naar voren. Het zijn Arabieren, volbloed, dat ziet hij zo. Zijn oom in Abu Kamal had een stoeterij. Arabieren zijn geen paarden, het zijn Mohammed’s zielsverwanten. Volgens zijn oom dan, die was gek op paarden. 

Naast het weiland met de paarden staan stallen. Een man met een staartje loopt heen en weer met een kruiwagen. Hij haalt één voor één de stallen leeg, gooit het vieze stro in een put en komt dan weer terug met schoon stro. 

Nederland ruikt ook een beetje naar gras. Nat gras, waar de warmte van de zon net niet bij kan. Yazim miste zon en de geur van de stenen. De olijfboom die bloeide en de takken die knisperden als papa ze in de fik stak. 

De man met het staartje steekt zijn hand op, Yazim zwaait terug. Het schaap duwt harder en harder tegen het hek en dan springt het slot open. De paarden kijken met grote ogen toe, het schaap kijkt suf om zich heen en dan, alsof ze allemaal tegelijkertijd een seintje krijgen, zetten ze het op een lopen. Het schaap de ene kant op, de twee volbloeden naar het andere land. De rest van de schapen kijken op, beseffen dat er een feestje aan de gang is en besluiten vrolijk mee te doen. Ze rennen van hot naar her, kriskras door elkaar. De paarden dansen er tussendoor. Ze briesen, stampen, houden hun staarten fier omhoog en de grootste van de twee steigert als een trotste krijger.

De man met het staartje vloekt. ‘Stelletje rotschapen. Kom hier!’ Hij rent naar een hek toe en klimt er overheen.

‘Hulp nodig?’ vraagt Yazim. Hij stopt zijn pen en papier terug in de rugzak en loopt naar de man toe. Eigenlijk mag hij hier niet komen van zijn moeder. Voorbij de barakken is verboden terrein en praten met andere mensen heeft ze nadrukkelijk verboden. Zeker met mensen uit het dorp. Sommige zijn wel aardig, maar de meeste zijn niet blij met Yazim en zijn familie. Alsof hij erom gevraagd heeft hier naartoe te komen. Hij traint liever met Rami voor het WK over tien jaar. Als er niet geschoten wordt, is hun straat het beste trainingsveld. Niet dat ze goed kunnen voetballen, maar ze moeten toch wat.

‘Als jij het hek open wilt houden, jaag ik die bolletjes wol naar de overkant.’ roept de man en wijst naar het hek dat door de wind open en dicht wordt gedaan. Hij heeft een tatoeage in zijn nek en heel veel inkt op zijn arm. Dit zijn mannen die ’s nachts brand stichten, hoort hij zijn moeder fluisteren in zijn gedachten. 

‘Oh en kijk uit voor het zijne majesteit en co.’ Hij wijst naar de twee volbloeden en rent dan de wei op.

Geen van de schapen hebben zin om mee te werken. Telkens gaat er wel weer één de verkeerde kant op. Yazim moet zijn lach inhouden als de man een snoekduik maakt richting een schaap, maar op een wolletje na mist. Op het achterland hebben de koeien ook door dat er iets aan de hand is. Ze steken de paarden aan met hun enthousiaste gebok en gekolder, waardoor de schapen, die al wel op het goede stuk land staan, weer de verkeerde kant op rennen. 

De man laat zich met een zucht tegen het hek aan vallen. Hij slaat het gras van zijn broek.

‘Lust je wat te drinken?’vraagt hij.

‘En de dieren dan?’

‘Ach, het gras is toch overal hetzelfde. Zolang ze elkaar de hersens niet inslaan, vind ik het best.’

Nederland ruikt naar modder en natte hond

De man met het staartje heet eigelijk Seth en hij woont in een camper naast de stallen. Het hangt er vol met foto’s van paarden. Allemaal arabieren. Eén foto is gemaakt in de woestijn. Seth zit op een grote zwarte arabier, en heeft een sjaal om zijn gezicht tegen het zandstuiven. 

‘Trektocht te paard naar de heilige stad Petra,’ zegt hij en pakt twee glazen uit een kastje. Hij houdt een pak chocomelk omhoog en een fles limonade. Yazim knikt naar het gele pak. Chocomelk hebben ze thuis nooit. 

‘Zijn dit uw stallen?’

‘Zeg maar je hoor. De stallen huur ik. De twee witte volbloeden zijn filmpaarden, ik ben hier tijdelijk voor opnames.’

‘Filmpaarden?’

‘Acteurs op vier benen.’ Seth schenkt een glas chocolademelk in en zet dat voor hem neer op een klein lang tafeltje dat tussen twee banken in staat. 

‘Komen ze in een film?’

‘Morgen zijn er weer opnames, als je wilt, mag je mee.’

Hoofdstuk 2

Voor het eerst sinds weken heeft Yazim vanwege iets leuks wakker gelegen. De laatste keer dat hij  op zijn wekker keek, was het vier uur. Iedere keer als hij zijn ogen sloot zag hij weer die witte volbloeden voor zich. Hengsten. Onhandelbaar, alleen Seth kon ze aan. Uiteindelijk viel hij dan toch in slaap. Hij droomde dat hij naar Petra reed, op een grote witte hengst, toen hij terugreed was hij thuis. Rami wachtte hem op met een voetbal en zij waren nog de enige twee die schoten.

Om tien uur zou Seth vertrekken en dus zit Yazim om acht uur al aan het ontbijt. Zijn vader drinkt koffie en leest zijn lokale krant vanaf de I-pad. Zijn moeder zit, zoals iedere ochtend, met de lokale krant van hier, een woordenboek en een aantekeningenschrift. 

Zonder te zeggen waar hij heengaat rent hij de deur uit, springt op zijn fiets en racet naar Seth toe. Het is al bijna negen uur. Een grote paardentrailer staat bij de stallen. De twee hengsten worden ingeladen. Seth loopt in het midden en heeft aan iedere hand een volbloed. Een andere man staat hoofdschuddend bij de trailer.

‘Typisch Seth, onze paardenfluisteraar.’

‘Hij is wat?’ Yazim moet zijn hand boven zijn ogen houden anders schijnt de zon in zijn gezicht. De man is bijna net zo groot als de paardentrailer zelf.

‘Grapje,’ lacht hij. Er steekt een tandenstoker tussen zijn tanden. Dat is best gevaarlijk, denkt Yazim. Als zijn moeder hier was geweest had ze het allang uit zijn mond gehaald. 

‘Ben je klaar Seth?’ De reus slaat tegen de trailer en stapt achter het stuur. Seth loopt een rondje om te trailer, controleert alle sloten en houdt dan de deur voor Yazim open aan de passagierskant.

‘Jij eerst.’

De studio is niet ver rijden. Op het voormalig vliegveld, waar Yazim ook woont in de barakken, staan twee enorme hangaars. Vroeger stonden hier Orions, vliegtuigen die ze gebruikten om onderzeeërs op te sporen op zee. Tegenwoordig hebben ze daar ander apparatuur voor, vandaar dat alle vliegtuigen verkocht zijn aan andere landen waar ze nog wel oorlog voeren. Seth kan goed vertellen. Zijn opa ging in de oorlog met een bootje naar Engeland. Dat was spannend want halverwege lag er een mijnenveld. 

‘Heeft hij het gered?’

‘Tuurlijk,’ grijnst Seth. ‘Anders zat ik hier niet.’ Hij springt uit de auto en haalt weer in zijn eentje allebei de paarden tegelijkertijd uit de trailer.

‘Waarom help jij hem niet?’ vraagt Yazim aan de reus die geduldig wacht tot Seth met de paarden richting de hangar loopt.

‘Ik help hem toch?’

‘Ik bedoel met de paarden.’ Hij wijst richting Seth en ziet nu pas dat hij geen van de twee paarden vast heeft. Ze lopen rustig achter hem aan.

‘Alleen hij kan dat,’ zegt de reus geheimzinnig.

‘Hoe dan?’

‘Niets is mysterieuzer dan de vriendschap tussen een man en een paard.’ De reus knipoogt en doet de laadklep weer omhoog.

Binnen in de hangaar is er een dorp gebouwd van alleen maar daken en schoorstenen. Het ruikt er naar verf en koffie. Een grote gele maan hangt aan een onzichtbaar koord en boomtoppen steken uit de grond. Het is net alsof iemand alle huizen tot de zolderverdieping de grond in heeft gestampt. Hier en daar steekt een lantaarnpaal omhoog. 

Achterin de hangaar staat Seth naast een tafel waar twee grote spiegels op staan. Een vrouw loopt met driftige stappen om hem heen en helpt hem in een lange witte jurk. Daarover heen gaat een paarse overgooier en dan komt er nog een rode cape overheen. Een andere mevrouw, iets jonger dan het driftige geval, plakt een baard op zijn gezicht. Hij krijgt een pruik op, en een grote rode puntmuts.

‘Waarom ga je verkleed?’ De onderjurk leek op die van zijn vader. Maar die rode mantel en dat ding op zijn hoofd, zag er dan weer raar uit. ‘Kom jij ook in de film?’

Seth grinnikt. ‘Ik kom heel vaak in de film, maar dan niet herkenbaar.’

‘Waarom niet?’

‘Ik ben stuntman en doe het werk van die man daar,’ hij wijst naar een andere meneer met baard en rode mantel.

‘Kan hij dat zelf niet dan?’

‘De stunts niet. Ik ben de enige die op de paarden kan rijden.’ 

‘Ga je ze alle twee tegelijk rijden?’

‘Nee hoor, omstebeurt. Abdullah kan beter op de loopband, maar Amal is de beste als het op steigeren aankomt.’ 

‘Oh.’

‘Kijk gewoon maar.’ Hij tikt het meisje met het blauwe haar op de schouder. ‘Lucy, wil je ervoor zorgen dat mijn kleine vriend hier de beste plek heeft?’

‘Tuurlijk,’ ze knikt en gebaart dat hij mee moet komen. Seth lijkt niet meer op zichzelf. Eerder op een hele oude man, met helder groene ogen. 

Helemaal aan de andere kant van de hangaar staat een grote tafel met drie computerschermen. Een man gebaart druk tegen nog twee andere mannen. Hij wijst naar de grond en naar de grote witte parasols die naast de grote lampen staan. Nu pas ziet hij dat op de grond een rails ligt. 

‘Is dat voor de trein?’

Lucy lacht. ‘Nee joh, voor de camera. Die gaat op wieltjes langs de daken. Seth rijdt straks met zijn paard achter de daken langs en dan gaan we dat filmen, maar omdat Abdullah nogal hard rent, hebben we een hele snelle camera op wieltjes nodig om hem bij te houden.’

‘En die parasols?’

‘Dat is om het licht te sturen, zodat de camera het beste beeld krijgt.’

‘Oh.’

‘Ga hier maar zitten. Dat is de regisseur.’ Ze tikt de man die driftig stond te gebaren op zijn  schouder en stelt Yazim aan hem voor. De man zegt niet veel, maar wijst op de schaal met koekjes. Yazim mag zoveel pakken als hij wil. Iemand geeft hem een koptelefoon zodat hij kan horen wat de regisseur tegen Seth zegt. 

De camera’s worden in ‘positie’ gezet en als de regisseur ‘actie!’ roept, komt Seth met Abdullah. Zijn cape wappert achter hem. Yazim houdt zijn adem in. Als zijn oom dit paard had gezien dan had hij het willen hebben. ‘Arabieren lopen niet.’ Hij hoort het hem zo zeggen. ‘Arabieren dansen.’

Seth stuurt Abdullah op de loopband, hij galoppeert aan en de camera volgt. Het lijkt snel te gaan, maar Abdullah komt nauwelijks vooruit. Op het scherm ziet het er gaaf uit. Net alsof hij over de daken rent. 

Seth moet het een aantal keer overdoen. Daarna is Amal aan de buurt. Die komt beter in beeld omdat hij alleen maar mag steigeren. Hij maait met zijn benen wild in de lucht. Door een grote blaasmachine worden zijn manen omhoog geblazen. Het meisje dat Seth een baard opdeed, heeft ook allemaal rode en bruine strepen op Amal gezet. Het is net of hij heel erg gewond is.

Pas als ze weer terug op stal zijn durft hij aan Seth te vragen waarom Abdullah en Amal geverfd zijn. Ze staan vast aan het hek met een halstertouw en hebben allebei een grote emmer met voer voor zich. Seth gooit er nog een handje wortels bij.

‘Het zijn acteurs, die worden geschminkt.’

‘Net als jij?’

Seth knikt. ‘Ik word alleen verkleed, soms schmink, maar meestal gaat het niet om mijn gezicht.’ Hij snijdt een appel aan stukken en geeft het aan Yazim.

‘Wat moest je voorstellen dan?’

‘Sinterklaas.’

‘Sinterklaas?’

‘Nouja, de slechte versie. Geef Amal maar een appel, dat lust hij wel.’ 

Yazim heeft geen idee wie Sinterklaas is en al helemaal niet wat de verkeerde versie moet voorstellen. De man die ze regisseur noemen heette Maas en had het over dat dit de engste Sint ooit was. Hij geloofde het allemaal wel. De koekjes waren lekker en de paarden prachtig. En nu had Seth hem een appel gegeven voor Amal.

Voorzichtig voert hij hem één voor één de stukjes. De warme mond van het paard gaat over zijn handen. Hij aait voorzichtig zijn neus. Amal heeft de stukjes op en wil meer. Hij ruikt aan Yazim zijn armen, langzaam omhoog, duwt tegen zijn borst. Yazim duwt hem zachtjes terug. Amals neus kietelt. 

‘Wil je hem poetsen?’

‘Mag dat?’ Yazim kijkt met grote ogen naar Seth.

‘Tuurlijk, hij mag je wel.’

Yazim mag hem ook wel. Amal ruikt naar aarde en gras in de lente. 

Hoofdstuk 3

3

Iedere dag racet Yazim naar de stallen om Seth te helpen. Samen mesten ze de stallen uit, geven de paarden water en leggen extra voer op het land omdat het gras te droog wordt in de zomer. Hij mag Amal poetsen en op het land zetten. Sinds pas staat er ook een zwarte kleine pony. Seth noemt hem De Hulk. 

‘Wil je op hem rijden?’ vraagt Seth op een dag. ‘Dat ga je aan de lange lijn en geef ik je les.’ 

‘Ik heb geen rijbroek.’ Yazim wijst naar zijn korte broek. Hij had ooit een keer op een paard gezeten in een korte broek en dat deed hij nooit meer. 

‘Weet ik, daarom heb ik wat voor je.’ Seth loopt naar de camper. Nieuwsgierig gaat Yazim achter hem aan. 

Op de tafel staat een grote doos ingepakt in sinterklaas papier. Seth gebaart dat hij die open moet maken. Er zit een zwarte rijbroek in, een paar rijlaarzen en een cap.

‘Is dat voor mij?’

‘Probeer maar aan. Ik zie je zo buiten, dan zadel ik De Hulk op.’

Trots kijkt Yazim in de spiegel die achter de deur hangt. De broek is iets te groot, maar de laarzen passen en de cap zit ook precies goed. Op het prikbord achter hem hangen de foto’s waar hij de eerste keer ook naar had staan kijken. Misschien gaat hij ooit ook wel op trektocht naar de heilige stad Petra, hij gaat nu immers leren paardrijden. Er hangt nog een foto waar Seth met zijn arabier voor de stad Petra staat. Een andere ruiter staat er naast.

‘Wie is dat?’ vraagt hij als Seth weer binnenkomt.

‘Mijn allerbeste vriend.’

‘Waar is hij nu?’

‘Helaas niet meer hier.’

‘Mis je hem?’

‘Ja,’ Seth kijkt verdrietig naar de grond.

‘Ik mis mijn vriend ook,’ Yazim weet niet goed hoe hij het moet zeggen. Hij mist Rami meer dan wie dan ook. ‘We trainen voor het WK, maar Rami kan helemaal niet zo goed voetballen en ik eigenlijk ook niet.’

Seth moet hardop lachen. Yazim lacht met hem mee. Waarom weet hij eigenlijk niet, maar dit gaat hij naar Rami schrijven. Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest. Rami kan daar wel om lachen.

Nederland ruikt naar verse stro, chocolade melk en paardenmest

Na weken weet hij eindelijk wat hij wil gaan schrijven in zijn brief naar Rami. Hij zal wel meerdere kantjes nodig hebben. Hij gaat hem vertellen van de filmopnames, en van De Hulk waar hij op mag rijden en natuurlijk van Amal die hij iedere dag mag poetsen en al zonder hulp van Seth naar het land mag brengen. Over Seth gaat hij ook wat zeggen, maar hij weet nog niet precies wat. Iets leuks en vrolijks. 

Hij gooit zijn fiets op de grond en rent naar binnen. Het eten is zo te ruiken bijna klaar. Misschien heeft hij nog even tijd voor zijn brief. 

‘Yazim?’ Zijn vader klinkt streng. Hij zit op de bank, met mama naast hem. Haar ogen zijn rood van het huilen. Dat is de laatste tijd vaker zo, maar nu krijgt hij er een knoop van in zijn maag. 

‘Is het waar?’ Vader kijkt hem strak aan. Hij is boos, maar Yazim heeft geen idee waarom.

‘Wat is waar, papa?’

‘Bezoek jij die man?’

Heeft hij het over Seth? En waarom zou hij daar boos over zijn. Seth is zijn beste vriend. Zijn moeder begint harder te huilen en zijn vader begint te schelden. Hij zegt dingen die niet waar zijn. Seth is geen gemene man. Hij doet niemand kwaad en zeker Yazim niet.

‘Hij is mijn vriend!’ stampvoet hij. ‘Hij praat met paarden en Mohammed zal nooit zijn zielsverwanten laten praten met een slecht iemand.’

Zonder zijn vaders reactie af te wachten rent Yazim naar zijn kamer. Het liefst had hij de deur op slot gedaan, maar hij deelt het met zijn broer dus dat gaat niet. Huilend laat hij zich op bed vallen. In avondeten heeft hij ook geen trek meer. 

Als het al donker is gaat de deur open. Het is zijn broer. Yazim doet net alsof hij slaapt. Talha praat zachtjes tegen iemand. Voorzichtig opent Yazim zijn ogen om te zien of er iemand bij hem is, maar hij praat tegen de telefoon in Arabisch. Hij heeft het over wraak, en dat niemand ongestraft aan kinderen mag zitten. Yazim snapt er niets van.  Hij blijft net zo lang doen alsof hij slaapt totdat Talha weer de slaapkamer uitloopt. Het is al over middennacht. Vader en moeder slapen al. Talha sluipt het huis uit. Yazim gaat hem achterna. 

Buiten bij het hek wachten vier jongens hem op. Yazim herkent Furkan, maar die andere twee kent hij niet. Ze zien er ouder uit dan Talha en hij weet zeker dat ze niet hier in de barakken wonen. Dit zijn de jongens uit het dorp. Als mama hoort dat Talha met hen op stap gaat wordt ze helemaal woest. Hij twijfelt of hij het haar wakker zou maken, maar de jongens stappen op hun brommers en rijden weg. Yazim heeft geen tijd meer om zijn fiets te pakken. Iets zegt hem dat hij weet waar ze naar toe gaan. Zo hard als dat hij kan, rent hij ze achterna. De achterlichten dansen in het donker. Het fietspad is onverlicht en hij kan ze goed volgen. Hij ziet al precies waar ze stoppen; bij de stallen van Seth. Eén van de jongens heeft een jerrycan bij zich. 

‘Nee,’ roept Yazim zo hard als dat hij kan. ‘Seth!’

De jongen gooit de jerrycan leeg tegen de schuurdeur waar het stro achter ligt en steekt het aan. De vlammen grijpen om zich heen. Ze likken aan het hout en trekken zich op omhoog. De camper gaat open. Seth rent naar buiten. Hij heeft alleen een broek aan, zijn haren zitten in de war. Hij roept de jongens te stoppen, maar niemand luistert. Yazim ziet hoe Furkan een stalen buis van de grond pakt en die hard tegen het gezicht van Seth slaat.

‘Nee!’ Yazims woorden sterven weg in de wind. Hij blijft roepen, maar niemand reageert. Furkan slaat nog een keer en een andere jongen begint te trappen. Talha staat erbij en filmt. Dit keer is het bloed echt en zijn de acteurs nep. In de verte hoort hij Seth roepen, het zijn maar flarden, maar hij herkent de namen. De paarden!

Yazim klimt snel over het hek, zet het andere hek naar het land open en rent naar de schuifdeur van de stallen. Het vuur is hier nog niet gekomen, maar het duurt niet lang meer. Hij rent naar binnen en gooit één voor één de staldeuren open. De Hulk gaat als eerste naar buiten, Abdullah vlucht erachteraan. Amal komt nieuwsgierig naar hem toe.

‘Ik heb geen appels, je moet gaan.’ Hij voelt zijn tranen branden. Het vuur komt dichterbij, hij voelt de hitte van het hout. Buiten hoort hij Seth schreeuwen. ‘Je moet gaan Amal, je loopt gevaar. Ze hebben je baas. Seth heeft pijn.’ Hij aait Amals neus. ‘Je moet hem helpen.’

Amal richt zijn hoofd op, alsof hij het heeft gehoord. In volle galop rent hij naar buiten. Yazim vlucht met hem mee. Er klinkt nu weer geschreeuw, maar niet van Seth. Dit is Furkan. 

Amal staat voor ze. Hij maait met zijn voorbeen, slaat er een paar keer hard mee op de grond. Furkan probeert hem te slaan met de stalen buis. Seth ligt roerloos op de grond.

‘Doe het,’ fluistert Yazim. ‘Doe het.’ 

En dan verplaatst Amal zijn gewicht naar zijn achterbenen, zijn voorbenen komen van de grond. Hij maait in de lucht en haalt met een gerichte beweging uit naar Furkan. Amals hoef raakt hem vol tegen zijn borst. Hij wankelt en valt dan achterover. De andere jongens kijken angstig toe. Amal landt weer op de grond, steigert dan nog een keer en haalt ook nu weer uit met zijn voorbeen. Talha kiest eieren voor zijn geld en blijft roerloos staan. De vierde jongen zit al op zijn brommer.

Amal duwt zachtjes zijn neus tegen Seth aan. In de verte klinken er sirenes.    

Hoofdstuk 4

Nederland ruikt eigenlijk een beetje hetzelfde als thuis, maar dan anders. Natter. Alsof de zon ontbreekt. Yazim ademt diep in. De zon ontbreekt niet. Het schijnt alleen niet overal even fel. Net als thuis. Gek genoeg, voel je ook hier in de schaduw de warmte het sterkst. 

Amal slaat met zijn staart een vlieg weg. Die hebben ze hier ook. Alleen zijn ze dikker en vervelender. Yazim leunt tegen de hals van de volbloed aan. Hij weet nog steeds niet wat hij zijn vriend thuis zal schrijven. Zijn ouders zijn zo boos op Talha, dat ze hun woede naar Seth zijn vergeten. Het is ook een beetje hun schuld, maar dat zegt hij niet tegen hen of tegen Rami. 

‘Wat sta jij te dromen?’ Seth zet een grote baal hooi neer op het land. Hij heeft een pleister boven zijn oog en loopt een beetje mank. Paardrijden kan hij voorlopig niet. ‘Moet je Amal niet poetsen?’

Yazim haalt zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik Rami moet schrijven.’

Seth denkt even na. ‘Soms is denken al genoeg. Als je de woorden in je hart voelt, dan hoort je vriend ze daar ook.’

Yazim fronst. Het ‘ongeluk’, want zo noemde de politie het, is nu al twee weken geleden maar Seth heeft zo te horen nog steeds last van een hersenschudding. 

‘Zo werkt het ook met paarden. Ze verstaan onze gesproken taal niet, maar wel wat we denken in ons hart.’ 

‘Praat je zo ook met jouw beste vriend?’

Seth knikt. ‘We konden helaas niet zo vaak samen zijn, maar ik wist precies wanneer hij aan me dacht en andersom.’

‘Beetje vaag is dat wel.’ 

Amal hinnikt instemmend. 

‘Net zo vaag als oefenen voor een WK als je allebei niet goed kan voetballen,’ zegt Seth met een knipoog en loopt weer naar de camper. ‘Ijs?’

‘Lekker.’ Yazim geeft Amal nog een klopje op zijn hals en brengt hem dan naar het weiland.

Eindelijk weet hij wat hij naar Rami gaat schrijven. 

Nederland ruikt naar Amal, mijn vriend hier. Een volbloed Arabier. We praten via ons hart met elkaar. Dat kan, heeft Seth mij verteld. Hij praat zo ook met zijn allerbeste vriend, die hij niet zo vaak meer ziet. Zij kunnen ook niet voetballen, maar trainen wel voor een WK. 

Hij tekent er een lachend gezichtje bij. Rami zal dit wel snappen. Eigenlijk is Nederland hetzelfde als thuis. Ook hier schijnt in de schaduw de zon en ruikt het naar zomer. 

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *