Hoofdstuk 2

admin  

Hoofdstuk 2

Ben

Januari vorig jaar 

‘En wie ben jij dan?’ Een man die me doet denken aan John Lennon kijkt op me neer vanuit het raam van ‘Het Kantoor’: het kraakpand waar Maddy woont. Het is een oud belastingkantoor – vandaar de naam – dat omheind is met een hoog hek. Hier en daar zijn er gaten in geknipt, dus echt een functie heeft dat hek niet. Het is me gelukt erdoorheen te kruipen zonder mijn kamgaren wollen jas te scheuren om zo de binnenplaats te bereiken, maar blijkbaar zijn er meer obstakels om te overkomen voordat ik naar binnen kan. Zoals die hippie-poortwachter bijvoorbeeld.

‘Ik ben Ben,’ antwoord ik. De miezerregen prikt in mijn ogen als ik omhoogkijk.

De hippie met het lange sluike haar begint te grinniken. ‘Ben jij Ben? Ben jij even de Sjaak.’ Hij vindt het zelf een heel geslaagd grapje want zijn lach rolt over de binnenplaats heen.  

‘Ben jij even grappig,’ mompel ik. Hij zit nog steeds hoog in zijn lachpiek, dus ik hoef geen moeite te doen om iets te vragen waar ik ook echt een antwoord op wil. In plaats daarvan wacht ik rustig af, mijn handen diep weggestoken in mijn jaszakken, want het is echt zo ontzettend koud dat ik de topjes van mijn vingers al voel tintelen. Met Driekoningen vriezen je ballen eraf, had Sam onlangs gezegd, en ik vrees dat dit een van de zeldzame keren is dat ik die gozer gelijk ga geven. Zelfs al is Driekoningen een paar dagen geleden, het is nog steeds freakin’ koud.

‘Maar uh,’ klinkt het uiteindelijk boven me als het gebulder is afgezwakt. ‘Ik vrees dat je te laat bent voor je nieuwjaarsborrel, meneer de directeur. Het belastingkantoor is al jaren gesloten, heur. Dit is nu een kraakpand.’ Hij begint weer te giechelen. 

‘Ik ben op zoek naar Maddy,’ roep ik voor hij in een extase van hilariteit verstrikt raakt. Het is al te laat, want al giechelend zakt hij weg. Ik gok dat hij op de grond is gaan zitten. Echt interessant vind ik het niet waar of hoe hij zit – al zit ’ie boven op een cactus – het enige wat ik wil weten is of Maddy binnen is. Hij is al dagen onbereikbaar en ik maak me zorgen. 

‘Wie ben jij dan?’ Een meisje met allerlei kleuren dreadlocks steekt haar hoofd uit het raam. Ze kijkt me fronsend aan. ‘Heeft ’ie weer wat uitgevreten? In dat geval is hij niet thuis. Advocaten en gepeupel van Jeugdzorg hoeven hier niet te komen.’

‘Maddy is zesentwintig, dus Jeugdzorg is niet in hem geïnteresseerd,’ antwoord ik met een zucht. ‘Het enige wat ik wil weten is of hij er is.’

‘Ja, boeiend. Wie ben jij dan?’

‘Ben.’

‘Jij bent Ben?’ Medusa begint ook te grinniken. Hoe houdt Maddy het in vredesnaam uit met hen? Ik weet dat hij met maar drie anderen een hele verdieping deelt in dit kraakpand, maar dit lijkt me toch behoorlijk vermoeiend. Het is te hopen dat hij hierna gewoon naar een normale woning verhuist. De studentenflat waar hij hiervoor zat, was ook niet alles, maar hier hoop ik niet vaak te hoeven komen.

‘Maar wat ben jij van Maddy dan, Ben?’

‘Ik ben…’

‘Ja, jij bent Ben, dat weten we nu wel.’ Haar gegiechel wordt bijgestaan daar een wat lager gegrinnik. Die hippie is er dus ook nog.

‘Ik wil graag Maddy spreken,’ zeg ik met een stemverheffing waar mijn hockeycoach jaloers op zou zijn. Ik gooi er zelfs een Gooische R doorheen. ‘Hij is mijn…’ Ik twijfel over dat laatste woord. Wat zijn we nu eigenlijk van elkaar?

We zijn toch wel gewoon vrienden? 

‘Maddy en ik spelen samen in een band, en ik wil hem graag zien.’

‘Ik dacht dat hij in een rockband zat, en niet in een boyband.’

‘Denken moet je aan paarden overlaten,’ kaatst ik terug voor ze weer in een lachstuip raakt. ‘En wil je nu gewoon de deur opendoen, mijn ballen vriezen eraf.’

‘Errrrug rock-’n-roll, hoor.’ Ze trekt haar hoofd weer terug en doet het raam dicht.

Oké, die poging is dus mislukt. Ik zou Maddy kunnen bellen, maar dat probeer ik al een week. Zonder resultaat. Nadat hij bij mij was weggegaan – lees: weggevlucht omdat ik blijkbaar iets stoms had gezegd over het beginnen van een relatie – heb ik hem niet meer gesproken. Mijn hart krimpt ineen als ik me zijn gepijnigde gezicht voor de geest haal. 

‘Blijf je daar staan of kom je nog?’

Ik kan niet goed bepalen waar de stem vandaan komt. Als er ineens een sleutelbos tegen mijn rechterschouder vliegt, zie ik nog net een hoofd vol dreadlocks boven een muurtje uit steken. Ze staat blijkbaar op een stenen trap die naar beneden leidt.

‘Gaan we via de kelder?’ Het is dat ik heel graag Maddy wil zien, maar anders had ik rechtsomkeert gemaakt. 

‘Dat is de enige ingang, maar troost je, er ligt geen water, dus je dure stappers blijven droog.’ Met een neerbuigend knikje wijst ze me op mijn leren veterschoenen waarvan de punten glimmen als wanhopige paradepaardjes. Ik draag ze nauwelijks, ze wringen en ik krijg er blaren van. 

‘Ik kom net bij mijn ouders vandaan,’ verontschuldig ik me.

‘Boeiend.’ Medusa haalt haar schouders op en gaat me voor. We lopen via de kelder naar een lange gang die door een soort spoelkeuken leidt en dan weer een trap op. 

‘Ik weet niet of Maddy aanspreekbaar is, dus stel je er niet al te veel bij voor,’ mompelt ze als ze de deur voor me openhoudt en we de volgende gang ingaan. Dit ziet er wat meer bewoond uit. Er is een kleine keuken, die tot mijn verbazing netjes is opgeruimd. Naast de keuken is een kamer en een eind verderop zijn nog twee deuren. Aan het einde van de gang zie ik twee toiletten. Het lijkt nog gewoon een verdieping in een kantoorgebouw, al beweren de posters van Bob Marley en Tarantino het tegenovergestelde. Voor de rest is het redelijk netjes. Ik had stapels bierkratten verwacht en lege flessen drank her en der. Het enige wat er op de grond staat is een grote kamerplant die er goed onderhouden uitziet. Misschien is Maddy daar wel verantwoordelijk voor, want bij Sam thuis verleent hij ook altijd Eerste Hulp aan Verwaarloosde Planten. Ik ben benieuwd of Maddy zelf veel planten heeft op zijn kamer.

‘Door de woonkamer, langs de douches, eind van de gang links.’ Medusa gebaart in de richting van wat ik als een gang had ingeschat, maar wat blijkbaar de doorgang naar de huiskamer is. In de woonkamer negeer ik de hippie die me een joint aanbiedt, en haast me naar de kamer aan het einde van de gang links. Dat is overigens nog een hele wandeling want die gang is ongeveer twee keer zo lang als die andere gang. Er zijn een stuk of zes kamers – voorheen kantoren, gok ik – die allemaal leegstaan. Helemaal aan het einde zie ik een streepje licht onder een deur vandaan komen. Zonder goed na te denken over privacy en dat soort zaken – een week geleden hebben we zo’n beetje iedere vezel van elkaars lijf verkend – open ik de deur om die vervolgens direct weer dicht te doen.

‘Oké.’ De woorden verlaten trillerig mijn mond. Ik weet niet zo goed wat ik precies heb gezien, maar hier word ik echt niet blij van. En ik maar denken dat hij er helemaal doorheen zit en mijn hulp nodig heeft.

Nou, zo te zien vermaakt Maddy zich prima en heb me ik me voor niets zorgen gemaakt. Het liefst wil ik schreeuwen, maar ik voel ook hoe mijn tranen langzaam opwellen. Ik moet mezelf herpakken, want na een ‘gezellige’ familiedag heb ik geen behoefte aan allerlei andere ingewikkelde zaken. Maddy is me niets verschuldigd, dus ik heb geen enkel recht van spreken dat hij zich nu prima vermaakt met iemand anders.

Het doet alleen wel verdomde zeer. 

Zo snel als ik kan loop ik terug naar de woonkamer, ik negeer de hippie, en ga bijna rennend door de gang naar het trappenhuis. Ik hoop dat mijn onderbewustzijn de route heeft opgeslagen en dat ik niet alsnog verdwaal in dit spookhuis. Ik haast me de trappen af, tot ik de gang naar de spoelkeuken herken. Mijn tranen zijn hopelijk van opluchting, maar ik huil wel. Het voelt alsof ik iemand ben kwijtgeraakt, terwijl er eigenlijk niets veranderd is. Het is goed zo. Waarom voelt het dan zo verrot pijnlijk? 

De hakken van mijn schoenen galmen door de kelder heen. Ik ben er bijna. Het licht van de buitenwereld gloort bij wijze van al aan het einde van de tunnel. Niet dat er echt veel licht is in deze tijd van het jaar. Het is stemmig bewolkt en met een beetje pech regent het nog steeds. Eenmaal buiten op de binnenplaats bots ik bijna tegen iemand op.

Iemand met heel lichtblauwe ogen, halflang steil blond haar en een huid waar Sneeuwwitje jaloers op zou zijn.

‘Maddy?’ 

Hij heeft alleen een T-shirt en een joggingbroek aan.

‘Het is tegen het vriespunt aan, man.’ Ik trek mijn jas uit en sla die om Maddy’s schouders. Hij maakt gelijk van de gelegenheid gebruik om zijn armen om me heen te slaan. 

‘Het is niet wat het lijkt,’ piept hij tegen mijn hals aan. ‘Het is echt niet wat het lijkt.’ 

‘Hé.’ Als vanzelf sla ik mijn armen om zijn middel en druk hem tegen me aan. ‘Het geeft niet. Je bent vrij om te doen wat je wilt.’ 

‘Ben ik?’

Nee! schreeuwt alles in mijn lijf en verstand, maar ik weet ook wel dat ik geen recht op hem heb. Dit is goed zo. In mijn hoofd herhaal ik het nog maar een keer om mezelf te overtuigen.

‘Het is allemaal zo verwarrend, Ben.’ 

‘Volgens mij is het juist heel simpel.’ Met moeite weet ik me los te maken uit Maddy’s omhelzing. ‘Ga nou maar naar binnen,’ zeg ik. ‘Ik kwam alleen maar even kijken hoe het met je gaat.’

‘Ik weet het niet.’ Maddy zet ook een stap achteruit zodat we elkaar aan kunnen kijken. ‘Ik weet echt niet meer hoe het met me gaat. Ik heb geen richting meer, alleen maar bestemming destruction.’

Dat vraagt om advies, maar ik weet niet precies wat ik moet zeggen. Als ik wist wat hem dwarszat, zou ik hem iets beter kunnen helpen. Nu weet ik alleen dat hij zegt in de war te zijn, mij al een week lang negeert, en het ondertussen heel gezellig heeft met Eden. ‘Ga nou maar terug,’ mompel ik. ‘Straks maakt Eden zich nog zorgen.’

Maddy krimpt ineen alsof mijn woorden hem stompen. ‘Het is niet wat het lijkt,’ fluistert hij zich. ‘Het is puur uit nood dat hij hier is. Eden heeft problemen thuis en hij kon nergens heen.’

‘Dan kun je nu het beste terug naar hem gaan. Hij heeft je hard nodig.’ Het is niet zo dat ik Maddy hier niet wil, maar zo te merken is mijn plek ingenomen door iemand anders. Maddy toont een glimlach door alleen zijn mondhoeken op te trekken.

‘Wat kwam je hier eigenlijk doen in je directeursoutfit?’

‘Ik had een familiedag,’ mompel ik. De blaar bij mijn hiel vlamt op, en eigenlijk zit die stijf gestreken pantalon ook niet lekker. Niets zit lekker vandaag, en daarom ging ik naar Maddy. ‘Ik wilde zeggen dat het me spijt.’

‘Het spijt je?’ Maddy knijpt zijn ogen tot spleetjes. Het venijn uit zijn woorden glinstert in zijn irissen. ‘Spijt het je dat je ware liefde laat lopen?’

Nu maakt hij het helemaal mooi. De boosheid in hem slaat ook door in mij. Dit is echt niet hoe we het nu gaan spelen. Ik heb de ware liefde niet laten lopen. Hij ging er zelf vandoor.

‘Ik word soms zo moe van jouw gedoe.’

‘Mijn gedoe?’

‘Ja, jouw gedoe,’ kaats ik terug. Mijn woorden zijn sneller dan mijn verstand. Ik wil geen ruzie met Maddy, en toch daagt hij me uit het mijnenveld in. ‘Hoe wil je het anders noemen? Betekende vorige week dan niets voor jou? Beteken ik dan niets voor jou?’ Met iedere hartslag komt mijn bloed dichter bij het kookpunt. 

‘Wil je echt weten wat je voor mij betekent?’ Maddy zet een stapje dichterbij. Spiegelen kan ik ook dus ik zet ook een stap zijn kant op. De glimmende punten van mijn kakkineuze schoenen raken zijn afgetrapte gympen. 

‘Dat zou ik wel graag willen weten,’ antwoord ik. Mijn opmerking tovert een speels lachje om zijn mond. Ik zie een fonkeling in zijn ogen die het vuur in mij weer aanwakkert. Ware liefde. Daar ben ik dan weer mooi klaar mee, maar ik kan niet ontkennen dat ik niet met heel mijn hart van hem hou.

‘Ik zal je eens vertellen wat je voor mij betekent.’ Hij buigt zijn gezicht iets dichter naar mij toe. ‘Je bent al tien jaar de ware voor mij, en dat blijf je tot in de eeuwigheid.’ Hij drukt zijn lippen op de mijne alsof hij op deze manier zijn belofte wil bezegelen. Die hele klotedag van vandaag verdwijnt naar de achtergrond bij dit gevoel. De kou stroomt weer over mijn lippen als Maddy van me weg stapt. ‘Heb alsjeblieft nog even geduld met me, Ben. Ik weet nog niet wie ik ben.’

‘Je weet nog niet…’

Maddy stopt mijn zin door opnieuw zijn lippen op de mijne te drukken. Het is een afscheidskus, ik voel het aan alles. ‘Ik moet gaan.’ Met mijn jas nog over zijn schouders holt hij naar een grote deur die ik helemaal over het hoofd had gezien. Medusa heeft me blijkbaar via de toeristische route binnengehaald, maar er is dus gewoon een hoofdingang. Niet dat ik me daar nu druk om maak. Voor de zoveelste keer glipt Maddy me door de vingers en ik had me toch echt voorgenomen dat zoiets me nooit meer zou gebeuren.

Lees verder

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *