Ontworteld

admin  

Gewoon een zwart notitieboekje. Meer was het niet. Dat hield ik mezelf voor. Natuurlijk wist ik wel beter, ik had al gekeken. Met iedere bladzijde die ik omsloeg brokkelde weer een stukje zekerheid van mijn bestaan af. Mijn broer was niet meer, al jaren niet. Het beeld dat ik van hem had was nu ook voorgoed kapot. 

 Het boekje schoof ik van me af, alsof ik daarmee ook afstand van de waarheid deed. Misschien kon ik het weer terugstoppen in de grond, waar het hoorde. Niemand wist er immers vanaf. Ik zou kunnen zeggen dat het leeg was, aangevreten door de tand des tijds of vol met schimmel en onbruikbaar. Er was maar één iemand die er weet van kon hebben. Nu snap ik waarom mijn broer altijd zei dat daar, bij de oude wilg, het zaadje in zijn hart was ontkiemd. Toen mijn vader de boom op een dag wilde omhakken, riep Ben theatraal dat dan zijn grote liefde voorgoed ontworteld zou zijn. Mijn vader liet het zo. De boom bleef staan. Na Bens dood werd het zelfs een soort van gedenkplek voor mijn ouders. 

Dat alles had ik natuurlijk meegenomen in mijn beslissing. Het punt was, die boom stond in de weg. Nu mijn ouders er niet meer waren, had voor mij de boom ook geen waarde meer. Ben woonde in mijn hart, niet in een boom.

alsof ik daarmee ook afstand van de waarheid deed

‘Je zou hem ook kunnen laten staan vanwege de schaduw,’ opperde Mero, de tuin- en klusjesman die hier zijn reïntegratie uitzat. ‘Vooral ’s zomers heb je er veel profijt van.’ 

‘En in de herfst en winter hebben we alleen maar troep van die boom. Bovendien door die wortels kan daar nooit een normaal terras komen.’

‘Dan doe je het terras toch ergens anders?’ Mero was een aparte. Geen idee waarvoor hij gezeten had, maar ergens in zijn leven had hij het idee opgevat dat planten, bloemen en bomen heilig waren. Onkruid zijn ook bloemen, was zijn meest gevleugelde uitspraak en ik verdenk hem ervan dat hij ergens, tussen al die tatoeages op zijn lijf, ook die tekst heeft staan in krullende inktletters.   

‘De boom gaat,’ was mijn conclusie en dus stonden we een paar dagen later toe te kijken hoe werklieden van de gemeente de boom vakkundig neerhaalden. 

‘Die boomhut had best leuk vermaak kunnen bieden aan de jongste bezoekers van de pluktuin,’ deed Mero een volgende poging de oude wilg te redden.

‘Die voldoet nooit aan de veiligheidseisen,’ was mijn antwoord. ‘Mijn broer heeft dat ding nog in elkaar getimmerd, zogenaamd voor mij.’

‘Dan moet je het juist bewaren. Als eerbetoon.’

‘Begin jij nu ook al?’

Hij mompelde iets onverstaanbaars. Van mij had hij niet hoeven komen. Aan zijn gezicht, en vooral zijn haar dat in donkere plukken aan zijn schedel plakte, was hij direct na zijn hardlooprondje naar de waterkant gekomen om de executie van de wilg te aanschouwen.

‘Mijn broer bouwde dat ding natuurlijk niet voor mij,’ zei ik na een tijd van ongemakkelijk zwijgen. ‘Hij wist ook wel dat mijn moeder me nooit in een boom liet klimmen.’

‘Dus hij bouwde dat ding dan maar voor de lol?’

‘Zijn eigen lol,’ verbeterde ik Mero. Ik stond op het punt iets te zeggen, wat ik nog nooit iemand had verteld. Behalve aan Ben, en hij liet me zweren dat ik nooit, maar dan ook nooit, zou vertellen wat ik wist. Dat was niet veel, maar voor een meisje van acht was het heel wat dat ze het geheimpje van haar grote broer had ontdekt. Voor zover ik iets had ontdekt. ‘De laatste zomer dat hij nog thuis woonde, ging hij iedere avond naar die boomhut. Voor een rendez vous,’ verklap ik.

‘Weet je ook met wie?’

Dat antwoord moet ik Mero schuldig blijven. ‘Ik gok Bente, de dochter van onze kok destijds. Ze keek altijd op een bepaalde manier naar hem.’ De eerste takken gingen neer onder luid gekraak. Ik wachtte tot de zagen stil waren en de touwen om de stam werden gewikkeld. ‘Ze huilde tranen met tuiten toen Ben zich verloofde met Bracha.’ Zelf keek hij ook niet al te blij destijds. Ik denk dat het meer een match voor mijn ouders was, dan voor hem. 

De wilg kreunde onder het gesjor van de mannen met oranje hesjes. Mero keek gelaten toe. Hij beet op de nagel van zijn linkerduim. Het is maar een boom, wilde ik zeggen. En de geheime ramptetamp-plek van mijn broer. Meer niet. Het is niet alsof hij daar zelf nog voortleeft. Het is maar een boom. Mero zette een stap achteruit toen de wilg omviel. De wortels die jaren standvastig in de grond grepen, strekten zich nu wanhopig uit naar de hemel. 

‘Er ligt een schat,’ riep een jongen die naar het spektakel was komen kijken.

‘Een schat?’ Ik haastte me naar de boom. Mero in mijn kielzog. Tussen de wortels zat een houten kistje. Gewoon blank eikenhout. Stevig, maar verder niets bijzonders. Het had een wijnkist kunnen zijn. Of zo’n bollenkist waar mijn broer vroeger zijn Erysimum-knollen in bewaarde. ‘Geef maar, dan neem ik het wel mee.’ Ik pakte het kistje aan. Niet wetende dat dit de doos van Pandora zou zijn voor mijn herinneringen. 

Het notitieboekje ziet er goed uit. Mijn broer had het extra verpakt in plastic. Op een lichte beschadiging na, is het nog helemaal gaaf. Behalve de binnenkant. Mijn broer hield van tekenen. Hij was een natuurtalent. Vooral portretten kon hij goed. Het verbaasde me daarom ook niets dat het notitieboekje gebruikt was voor schetsen en vormstudies. Op de eerste pagina’s waren het enkel abstracte figuren. Pas toen ik het portret zag, herkende ik de figuren op de vorige pagina als tatoeages. Hoewel mijn broer alleen HB potlood had gebruikt was de helderheid van de ogen niet te missen. Ik zag gewoon het blauw door het grijs heen. De bruine haren die tegenwoordig in halflange lokken om zijn hoofd hingen, dat gezicht, nog onbezorgd en jong, kwamen tot leven omdat ik hem bijna iedere dag zag. Het was een mooi portret, levensecht en ik vroeg me af waar Ben hem van kende. Of beter gezegd, in welke hoedanigheid. 

 Die vraag werd met nog meer vraagtekens beantwoord naarmate ik verder bladerde. Ben had het niet bij een portret gehouden. Het was een nauwkeurige studie geweest. Romp, armen, buik, benen, en meer, alles tot in detail getekend. Natuurlijk ontweek ik dat ene, bleef het in mijn hoofd een ‘studie’ noemen. Ben had hem waarschijnlijk als model gevraagd omdat hij graag tekende. Het boekje had hij begraven omdat hij wist dat mijn vader zou flippen bij het zien van die naaktportretten. Ik wilde mezelf voor de gek houden. Dit waren niet slechts naakttekeningen. Dit was meer. De erotiek droop tussen de potloodstrepen door en ergens, voorbij de helft van het boekje, op de laatste paar betekende pagina’s, zag ik het antwoord op de vraag die ik niet wilde stellen.

‘Een dummy noemde je broer het. Voor dingen die je graag zou willen doen, en niet zou moeten doen, zoals een agenda dicteert.’ Mero is onhoorbaar het huis binnengekomen. Hij staat in de deuropening. ‘Ik heb hem dat gegeven, voor zijn verjaardag.’

 ‘Waren jullie…’ Ik kan het woord niet uitspreken. ‘Hebben jullie…’ Ik draai de laatste tekening naar Mero toe. Hij glimlacht alsof hij de herinnering weer opnieuw proeft.

‘Sommige geheimen zullen voor altijd begraven blijven,’ antwoordt hij. ‘Zelfs als de boom er niet meer staat.’

Annette Rijsdam

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *