Sneeuwklokjes

admin  

Hummer was ons excuus voor geen baby. Dat scheelde een hoop uitleg. Alsof iedereen het begreep. En ook nu is de hond mijn verweer. Ditmaal tegen mijn schoonzus die heeft besloten dat op reis gaan het beste voor mij is. Hier blijven doet mij geen goed en met ‘hier’ bedoelt ze niet het koffiehuis waar we zitten, maar het leven dat mij herinnert aan wat ik had. Ik staar uit het raam naar de mensen buiten, ieder onderweg naar ergens toe. Minireizigers in de gure lentewind. Met mijn ogen dicht zie ik het veld vol sneeuwklokjes. Annabel danst er middenin.

‘Reizen is zelfontplooiing en de weg naar acceptatie.’ Mijn schoonzus praat de laatste tijd in voorgedrukte quotes. ‘Door te reizen, vinden problemen vanzelf een bestemming.’ Haar wijsheden worden afgewisseld met haastige slokken cappuccino.  ‘Geloof me Milo, schuld houdt je hier en dat is niet juist.’ Haar hand voelt koud op de mijne. Ik denk dat ze het voornamelijk over zichzelf heeft. 

Door te reizen vinden problemen vanzelf een bestemming

Het sneeuwde die avond. Ik stond met mijn rug naar het bed en bekeek de vlokken die naar beneden dwarrelden. Alsof iemand in de hemel een deken van dons aan stukken scheurde. 

‘Je kan toch op z’n minst iets zeggen?’ Annabel zat op bed, haar linkerbeen onder zich gevouwen. In gedachte schetste ik het tafereel achter me. Inkleuren kon ik het niet meer. Ik kende haar contouren, de zachte lijnen van haar gezicht, haar borsten naar de vorm van mijn handen, de glooiing bij haar navel en het kleine streepje haartjes dat zo fijn kriebelde tegen mijn onderbuik. Ik kende het gevoel wat erbij hoorde, maar herkende het niet meer.

Hoe kon je? wilde ik zeggen, maar de woorden bleven hangen achter de velletjes op mijn lippen. Ik beet erop. Buiten werd de wereld steeds witter. Sneeuwvlokken dansten in het gele natriumlicht. Nog even en er zouden enkel witte vormen zijn. Ondefinieerbaar voor wie niet wist wat eronder zat.

‘Ik ga,’ zei ik uiteindelijk. Het laatste velletje scheurde van mijn lip af. Zonder jas en zonder sleutel deed ik de deur achter mij dicht.

In gedachte schetste ik het tafereel achter me.

‘Wil je nog koffie?’ Mijn schoonzus tikt zachtjes met het lepeltje tegen mijn hand. Ik knik en kijk hoe ze wegloopt naar de bar. Ze lijkt op haar zusje en toch weer niet. Alsof ze elkaars jas dragen die wel past, maar niet staat. Annabel was het type waar je in het eerste jaar van je studie voor werd gewaarschuwd. Alfa meisjes en beta jongens werden nooit wat. En Annabel was een op en top alfa meisje. Student rechten met pareltjes in haar oren, opgestoken haren en ongekreukte kleren. De ‘R’ rolde in haar keel. Maar ze doorbrak een gouden regel: ze sprak een wazige van sterrenkunde aan.

‘Ik mag bidden dat je dat ding van je vader hebt geleend,’ zei ze en wees op mijn ruitjes overhemd die het deze avond van mijn ‘vage rockband’ t-shirts had gewonnen. 

‘Kleren kunnen uit,’ antwoordde ik en nam snel een slok bier. Het had een opzetje moeten zijn voor een vakkundig ingestudeerde sneer. Iets over uiterlijk en innerlijk.

De volgende ochtend werd ik wakker met mijn handen strelend over een huid van amandelmelk, onze kleding gemengd op de grond. We besloten dat college kon wachten en doken onder in onze bubbel van donzen dekbed en ongeslapen matras.

Alsof ze elkaars jas dragen die wel past, maar niet staat.

‘Had jij er wat in?’ Mijn schoonzus schuift het metalen rekje met melk en suiker over de tafel naar me toe. Ik sla af. Suiker, daar begon het mee. De eerste keer dat Annabel zout in mijn koffie deed, lachte ze het weg. Het was een grapje omdat ik het gras niet had gemaaid. De keren daarna vergat ze waarom ze het was vergeten. Sindsdien doe ik geen suiker meer in mijn koffie. Aan de bittere smaak kan ik niet wennen.

‘Ik kan niet zomaar op reis, Syl. Hummer kan ik toch niet alleen laten.’ Ik ontwijk haar blik die mijn excuus zou kunnen ontkrachten. Annabel wilde een hond, ik liever een kat. Volgens zijn paspoort heette de chihuahua Hummer, maar zij noemde het dier steevast Beau, naar de hond die haar ouders vroeger hadden toen ze klein was. Na een paar maanden vergat ze het diertje steeds vaker uit te laten of eten te geven. Uiteindelijk vroeg ze wat dat beest in huis deed. Ik heb hem naar een vriend gebracht.

Sylvia roert zwijgend in haar kopje. Het lepeltje tikt de secondes weg tegen het porselein. Ik wacht tot ze iets zegt of vraagt, maar sinds die avond dat het sneeuwde lijkt niemand meer in staat tot een gesprek. Annabel en ik hadden al jaren geen echt gesprek meer, en soms vraag ik me af of we dat überhaupt wel eens gehad hadden. Ik kende Annabel als het meisje dat zich bediende van correct Nederlands, vooral als ze haar gelijk wilde halen, dat knorde als ze lachte en dat chocolade als de remedie tegen zo’n beetje alles zag. Er zou nog zoveel meer van haar zijn geweest als het niet was gaan sneeuwen in haar hoofd.

‘Vraag jij je nooit af of…’ Sylvia draait haar sjaal langzaam om haar nek. De ruimte om iets te zeggen wordt kleiner, ze twijfelt en staat dan op. Het is tijd om te gaan. Ook zij bijt op haar lip, draait zich van me weg, maar komt dan weer terug. 

‘Het is niemands schuld, Syl.’

‘Ze was zo anders de laatste tijd.’ Tranen vormen zich in haar ogen. ‘Die obsessie met het weer en dat gezeur dat alles ineens precies op tijd moest. Zo was ze nooit.’ De tranen vinden een weg naar buiten, ‘misschien was dat allemaal gewoon een roep om hulp en heb ik dat gemist.’ 

‘We hebben allemaal Annabel gemist.’ zeg ik en volg de sporen op haar gezicht. Troosten kan ik niet. Ik wil het ook niet.

Sylvia mompelt iets wat ik niet versta en met een luchtkus verdwijnt ze in de wind.

Er zou nog zoveel meer van haar zijn geweest als het niet was gaan sneeuwen in haar hoofd.

Ik slenter naar een veld vol sneeuwklokjes. Op mijn borst voel ik de brief van de gemeente die vanochtend op de mat viel. De aanvraag voor dagopvang is goedgekeurd, Annabel is van harte welkom op de afdeling Zonveld. Daarbij zat ook een kopie van de uitslag van het onderzoek vijf jaar geleden en een brief van de notaris. Ik heb ze diep weggestopt in de binnenzak van mijn winterjas.

Heel even heb ik overwogen om Sylvia alles te vertellen, maar wat moet ik zeggen? Frontotemporale dementie werd enkel door de arts uitgesproken. Zelf hadden we het er nooit meer over gehad. Alzheimer was immers iets voor na je pensioen. Voor ons werd het iets waar we niet meer omheen konden tot die avond dat het voor altijd zou blijven sneeuwen. Ze zat naakt op het bed, haar linkerbeen onder haar lijf. We hadden sinds tijden weer seks gehad. Niet echt met elkaar, maar als twee lijven die een behoefte hadden. Ik stond voor het raam en keek naar buiten. Haar plan lag zojuist gelezen op de vensterbank.

 ‘Het stopt ergens, Milo. Ik kan me niet eeuwig verschuilen achter een burn out of een onvervulde kinderwens depressie. Het sneeuwt ook binnenin. Mijn hoofd dwarrelt langzaam uit elkaar en de mist wordt steeds dikker. Nu is het nog mijn besluit.’ 

Ik hoorde haar woorden, maar ze gleden langs me heen. Ze vroeg me waarom ik niets zei. Ik wilde vragen hoe ze het kon doen. Hoe ze stap voor stap haar einde en ook haar crematie tot de komma had kunnen uitwerken. Alles had ze beschreven; de muziek, de kleding en zelfs de plek van uitstrooien, tussen de sneeuwklokjes, krokussen, pioenrozen of paddenstoelen, naar gelang het seizoen. Maar zo was Annabel. 

Ik wist niet hoe, waar en wanneer. Alleen dat ik die avond weg zou gaan en niet meer terug zou komen naar ons thuis. Dat was wat ze wilde. Ze had het zelfs opgenomen in haar plan voor het geval ze het zou vergeten. Die avond verliet ik thuis, ik vergat mijn sleutel, mijn jas met telefoon en portemonnee. Toen het bericht kwam dat de treinen niet reden tussen Leiden en Haarlem wist ik genoeg. Annabel had haar leven in eigen handen gehouden.

Die avond verliet ik thuis, ik vergat mijn sleutel, mijn jas met telefoon en portemonnee.

‘Milo?’ In de wind hoor ik mijn naam. Ik glimlach, haal de brieven uit mijn jaszak en verscheur ze. De snippers dwarrelen naar beneden. Het sneeuwt weer. Ik sluit mijn ogen, stap in het veld met sneeuwklokjes en dans samen met Annabel tot de wind ons meeneemt.

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *