Als je me ziet

admin  

-1-

‘Je raadt het nooit,’ roep ik uitgelaten in mijn telefoon. ‘Ik ben toegelaten!’ Ik houd mijn linkerhand tegen mijn oor om het ronken van de bussen tegen te gaan, en met mijn andere hand druk ik zowat mijn toestel in mijn hoofd om verstaanbaar te zijn. De akoestiek is hier vreselijk. Het busplatform staat bekend als een tochtgat en iedere dag van welk jaargetijde dan ook loeit de wind onder de dakplaten door.  Tussen mijn benen houd ik een enorme shopper geklemd omdat de wind er anders mee vandoor gaat. 

‘Bas?’ 

Aan de andere kant van de lijn blijft het verdacht stil.

‘Jaja,’ mompelt hij. ‘Ik was even bezig, wat zei je?’

Hij zit waarschijnlijk posts te kijken op Instagram, maar ik heb nu de energie niet om er iets van te zeggen. Ik ben veel te blij met het nieuws dat ik zojuist heb gekregen. ‘Ik ben toegelaten,’ zeg ik nog een keer voor het geval hij het niet gehoord heeft. In de verte komt mijn bus al aan. Hij stopt eerst bij platform A om de passagiers eruit te laten, wacht daar een minuut of twee en komt dan later deze kant op, naar platform B, zodat iedereen kan instappen. 

‘Waar ben je toegelaten?’

‘West. End. Stage.’ Ieder woord zeg ik afzonderlijk, zodat hij het niet verkeerd kan horen. ‘The Summerschool in Londen waar ik het overhad. De workshops worden gegeven in de Guildhall school of Music and Drama.’ Ik kan gewoon nog steeds niet geloven dat ik ben toegelaten.  Het liefst doe ik een rondedansje hier op het platform. Maar ja, als je normaal doet, doe je al gek genoeg. Bovendien kost het jurkje dat ik zojuist heb opgehaald in de winkel net zo veel als een halve maand werken, dus is het maar beter dat ik spreekwoordelijk een gat in de lucht spring. 

‘Was dat niet ergens in augustus?’

‘Klopt.’ Ik knik enthousiast, wat dom is want dat ziet hij toch niet. ‘De tweede week van augustus.’

‘Daar was toch geen auditie voor?’

‘Nee, maar het was even afwachten of ik mocht komen, omdat ik natuurlijk een foreign student ben en ze misschien geen plek hadden.’ 

‘Zolang je betaalt, hebben ze altijd wel plek.’

‘Het is hoe dan ook een unieke kans.’ Ik ben veel te opgewonden om mijn vrolijke bui te laten vergallen door zijn donkere wolken van cynisme. ‘Misschien kun jij ook komen, dan plakken we er een weekend Londen aan vast.’

‘Lieve.’ De zucht die Bas slaakt aan de andere kant van de lijn is bijna te voelen tussen de bussen door. ‘Hier hebben we het al eerder over gehad. Bovendien, volgende week hebben we een gesprek met de arts en wie weet is het in augustus al zover.’

‘Maar dit is West End,’ fluister ik. ‘Aan het einde van de week treden we op in het West End Theatre, we krijgen les van professionele acteurs. Dit is een enorme kans.’

‘Een kans waarop, Lieve?’

Ik hoor aan de manier waarop hij zijn woorden zegt dat hij zijn hoofd schudt en met zijn duim en wijsvinger over zijn ogen, of net daarboven, strijkt. Als het even tegenzit, maakt hij straks nog een opmerking dat hij teleurgesteld is. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. ‘Ik wil dit echt ontzettend graag,’ zeg ik.

‘We hebben het er nog wel over.’ Bas zucht nog een keer. ‘Love you.’ Hij maakt nog een smakgeluid alsof hij een kus geeft, en dan verbreekt hij de verbinding. Even overweeg ik om mijn telefoon voor de bus te gooien, als een theatrale uiting van hoe ik omga met iedereen die mij tegenhoudt, maar als de bus stopt bij platform B kan ik niets anders dan instappen. Net als de rest van de passagiers die stonden te wachten. Mijn telefoon heb ik nog steeds in de hand. Geërgerd laat ik me op een van de stoelen achterin zakken. Waarom kan hij niet gewoon blij voor me zijn? 

Het piepen van mijn telefoon doet mijn hart weer opspringen. Bas staat er op het scherm. Het is een sms.

Hee Lieve, is dit echt een kans voor je of is dit het najagen van een tienerdroom? Het voelt voor mij een beetje als vluchtgedrag en dat snap ik ook wel. Het is heel logisch dat je bang bent, ik vind het zelf ook heel spannend, maar we mogen nu niet opgeven. Laten we ons maar focussen op een meer realistische toekomst. 

Het liefst wil ik mijn telefoon alsnog een gooi geven, maar de kans bestaat dat ik iemand raak en dat is ook weer zo lullig. De meeste mensen die instappen op dit punt ‘ken’ ik onderhand wel. Ze zijn net als ik vermoeid na een dag werken, al had ik vandaag maar een halve dag omdat ik nog even de stad in moest om mijn cadeautje op te halen.

Net op het moment dat de bus wil wegrijden, komt er nog iemand aangesneld. Hem miste ik al. Jack Sparrow. Zo noem ik hem altijd vanwege de dreads in zijn haar, en zijn toch wel wat bijzondere uiterlijk. Niet dat hij loopt alsof hij een halve fles rum achter de kiezen heeft, maar hij is echt zijn eigen persoon. Iemand die zich van niets of iemand iets aantrekt en zijn eigen ding doet. Ik mag dat wel in mensen. 

Zijn jeans is gescheurd en zijn trui zit vol met gaten. Zijn ogen zijn heel lichtblauw en die lange wimpers doen vermoeden dat hij mascara draagt. Dat zie ik Bas nog niet zo snel doen. Pas als al zijn grote voorbeelden het ook doen, gaat hij overstag, maar Bas zou nooit iets dragen wat uniek is, of anders dan normaal. Het is hoe hij is, en dat is goed, maar soms vind ik het ook een beetje jammer omdat je jezelf zo tekortdoet door niet je eigen smaak te proeven.

Jack, zo noem ik hem maar even, is ondertussen ingestapt en haalt zijn OV-kaart langs het apparaat. De chauffeur knikt hem vriendelijk toe. Er zijn nog maar een paar plekjes vrij, maar de vrouw die een paar banken voor me zit, zet demonstratief haar tas op de lege zitting. Een andere jongen gaat breeduit zitten. Iemand anders hoor ik zeggen dat haar collega bij de volgende halte instapt. 

Ondanks het feit dat het ronduit schofterig is, krijgt iedereen een begripvolle glimlach van ‘Jack’. Bij de vierde afwijzing gaat hij in dat speciale middengedeelte staan. Zijn tas, die er best zwaar uitziet, zet hij tussen zijn benen. Zoals altijd kijkt hij mijn kant op en glimlacht dan net ietsje breder dan naar de andere mensen. Of nou ja, dat beeld ik me waarschijnlijk in. De meeste mensen die mij zien, glimlachen uit medeleven. 

Ik glimlach terug en draai me dan om om te zien of er nog een plekje achter me is. Meestal gaat hij een bankje of twee achter me zitten, maar daar is nu ook geen plek. De harde wind, die de beginnende zomer wat herfstachtigs geeft, heeft iedereen het openbaar vervoer in geblazen. 

Alleen naast mij is nog plek. Zou ik het durven? Ik vind het altijd wel fijn om alleen te zitten. Als het echt moet, schuif ik wel op, maar dan wel zo dat degene naast me niet te veel van mijn gezicht ziet. Door mijn lange haar kan ik dat ook altijd wel voorkomen, maar ik ben bang dat als hij naast me gaat zitten, ik hem automatisch aan wil kijken. Of dat hij tegen me gaat praten. Zo’n type lijkt het me wel. En praten betekent oogcontact, en daarvoor moet ik dan toch echt mijn gezicht naar hem toedraaien. Dat gaat hem echt niet worden.

Lees verder

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *