Mijn woorden, zinnen en verhalen.

Vergiftigd

-1-

 
De dood herken je aan de lucht. Dit keer walmde er een penetrante stank doorheen die hij niet thuis kon brengen. Inspecteur Espen Elliot drukte zijn pols tegen zijn neus en ademde diep in. Zijn eigen aftershave voerde voor een fractie de boventoon, maar de zure geur van kots en uitwerpselen drongen zich op. Halverwege de gang zat een grote donkere vlek op het rode tapijt met in het midden iets wat leek op een uitgedroogde kattendrol. Bleekvlekken her en der konden niet verbloemen dat hij zojuist een levensgrote kattenbak was ingelopen. Alleen de lucht van absorberende steentjes ontbrak, die werd vervangen door een andere bekende lucht; ontbindend lijk. Het leidde hem naar de keuken.
    ‘Deze maand is het thema kat volgens mij.’ Dr. Bremmer leunde tegen het aanrecht. Zijn kleine gestalte was precies in verhouding met de nauwe keuken. Zijn assistent maakte foto’s van het lijk dat aan de keukentafel zat. Een ander teamlid deed een van de dode katten in een plastic zak. Espen bleef op de drempel staan. Het was al krap voor twee personen, laat staan voor een heel team, een slachtoffer en, als hij goed geteld had, zeven kattenlijken.
    ‘Hoe lang zit hij hier al?’
    ‘Een paar dagen,’ mompelde Bremmer zonder op te kijken.
    ‘Weet je al iets van de doodsoorzaak?’
    ‘Ik gok de vis.’
    De ondefinieerbare geur had vorm gekregen. Espen drukte nogmaals zijn pols tegen zijn neus. Dit keer hielp het niet. Bremmer grinnikte.
    ‘Kamfer of pepermuntolie werkt bij ons het beste. Maar tegen deze stankexplosie is alleen een niet werkend reukorgaan opgewassen. Met dat zonnetje op het raam wordt het ook niet beter.’
    ‘Rotte vis?’ Hij knikte naar het bord dat het hoofd van het slachtoffer droeg. De rest van het lijf hing als een zak vleessoep met botten tegen de tafel aan.
    ‘Ik denk eerder verkeerd klaargemaakte vis.’ Bremmer tuurde over een kleine bril naar zijn aantekeningen. ‘Zowel kat als eigenaar hebben gulzig gegeten van het maal. Blijkbaar smaakte het. Ze konden er een tweede keer van genieten.’ Hij maakte een overbodig gebaar naar het opgedroogde kots dat in een plasje naast het bord lag, en in druipsporen aan de tafelpoten geplakt zat. ‘Als het langer had geduurd, hadden de slachtoffers ook een nare vorm van buikloop ervaren, maar hier was het gif snel. Het verlamde alle spieren en zo ook die van het ademhalingssysteem. Met verstikking tot gevolg.’ De laatste kat ging in een plastic zak. Dr. Bremmer gaf het teken om de brancard naar binnen te brengen.
    ‘Verkeerd klaargemaakt als in kogelvis?’
    ‘Dat weet ik pas morgenmiddag als de resultaten binnen zijn.’
    ‘Dat maakt het moord.’
    ‘Of zelfmoord, of een dom ongeluk omdat meneer hier niet kon koken.’ Bremmer keek hem aan met zijn bekende ‘jij bent de detective’ blik. ‘Uw collega zit trouwens in de woonkamer. Ik heb de jongens van uniform erbij gezet om haar bij te staan. Kunnen ze gelijk kennismaken.’ Hij trok zijn mondhoeken op in een veelbetekenende glimlach. Dr. Bremmer was wat ze noemden een dinosaurus in het vak. Al tweeëntwintig jaar was hij het hoofd van de forensische pathologie en daar gedroeg hij zich ook naar. Iedere nieuweling, en dat was je de eerste vijf jaar van je carrière volgens hem, werd met een zekere mate van minachting behandeld.
De woonkamer rook anders dan de keuken en gang, maar frisser was niet het juiste woord. De zon die de achterkamer bescheen, warmde de lucht op tot een broeierig geheel van stof, etensresten en kat met nierfalen. Een aantal stankbronnen keken hem onverschrokken aan vanaf een houten tafel, maar het was duidelijk dat er nog meer rondscharrelden. Eentje schoot er tussen zijn benen door en het bewegen van het gordijn in de voorkamer verraadde dat er daar één of meerderen schuilgingen. Het roodbruine tapijt diende ook hier ter vervanging voor een kattenbak.
    Jitske Heijmans zat op het puntje van een lederen bank met haar hoofd tussen haar knieën. Kevin en Tanja stonden er verloren naast. Geen van beiden was op het idee gekomen om een glaasje water te halen. Of misschien waren ze wel op het idee gekomen, maar werden ze tegengehouden door wat er in de keuken was gebeurd.
   ‘Behoeft het tapijt inspectie?’ Zijn opmerking zou de situatie ongemakkelijker maken, maar meestal was dat de juiste remedie. Troost en medeleven waren nu niet van toepassing. Als ze niet tegen het leven kon, had ze maar voor een kantoorbaan moeten kiezen.
   ‘Sorry, ik werd even niet goed. Het is de eerste keer dat ik …’ Ze richtte haar hoofd op en keek hem met natte ogen aan, ‘Het is…’ Kokhalzend stond ze op, mompelde iets van sorry en rende toen naar de gang. Kevin haalde zijn schouders op.
   ‘Is er wat bekend van het slachtoffer?’ zuchtte Espen.
   ‘Het huis staat geregistreerd op naam van Robert Dicksen, een alleenstaande man van negenenzestig. Een buurvrouw klaagde over de stank.’
   ‘En wanneer heeft ze hem voor het laatst gezien?’
   ‘Dat is lastig te zeggen. Hij kwam niet veel buiten, haalde eens in de week boodschappen en voor de rest zat hij binnen in huis. Er wordt voornamelijk over hem geklaagd. We kregen iedere week wel een melding. Jitske is laatst nog geweest, zei ze.’
   ‘Waarvoor?’
   ‘Stank en de katten. Buurtbewoners waren bang dat hij ze verwaarloosde. Ze zouden onder de wormen en vlooien zitten.’ Hij wreef met de neus van zijn schoen langs zijn scheen. Espen voelde zelf ook wat kriebelen bij zijn enkels. Instinctief keek hij naar de vloer. Met een beetje fantasie zag hij een leger zwarte bloedzuigertjes zijn kant op marcheren, maar het tapijt was nog steeds roodbruin met vlekken. Alleen de slijtplekken leken op de verkeerd plaats te zitten.
   ‘Zijn de meubels verplaatst?’ Het tv meubel stond tegen de buitenmuur, maar verhulde niet dat er een kleiner meubel hoorde te staan. Voor het kastjes op de grond zaten slijtplekken van iets wat herhaaldelijk heen en weer was geschoven.

Meer lezen? Klik dan hier

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2018 woorden van Meij

Thema door Anders Norén