Red me

admin  

Ik ben geen held. Laat ik dat vooropstellen. Dat ik nu over de Moors dwaal in mijn eentje – en in mijn pyjamabroek – heeft alles te maken met wat ik gisteren heb gezien. Al zolang ik me kan herinneren word ik uit mijn slaap gehouden door dezelfde droom. Tot voor kort bleven de beelden vaag, maar ze worden steeds sterker en sinds we gearriveerd zijn in Dartmoor lijkt het net alsof de realiteit naar een droom vervaagd en wat ik altijd gedroomd heb, echt wordt. 

Mijn voeten op het natte gras herken ik uit alle nachten dat ik wakker werd met het gevoel alsof ik iets heel stoms had gedaan. Meestal werd ik dan ook schreeuwend of huilend wakker. Nu stelt het me gerust. Ik ga ergens naartoe.

En als ik op de heuvel sta en in de verte het water bij de brug zie glinsteren in het maanlicht weet ik dat ik er bijna ben.

Nu stelt het me gerust. Ik ga ergens naartoe

Ieder jaar wordt er vanuit het jongerenwerk bij ons in de gemeente een vakantiereis georganiseerd voor jongeren die wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Met mijn zeventien en elf maanden, ben ik nog net zo’n ‘jongeren’. Als schoolvoorbeeld van hoe een systeem dat wel wil, maar niet kan, heb ik wel meer dan een steuntje in de rug nodig, maar het is leuk om er even tussenuit te zijn. Ik heb geen ouders waarmee ik op stap kan, en ook is er geen enkel familielid dat zich over me kan ontfermen. Ik weet niet eens of ik familie heb. Zoals ik al zei, ik ben het schoolvoorbeeld van hoe jeugdzorg faalt, ondanks het feit dat ze knetterhard hun best hebben gedaan. Jongens zoals ik zijn moeilijk te plaatsen. En zo voel ik me ook altijd: alsof ik nergens thuis hoor.

Tijdens de reis is dat ook niet heel veel anders. Er is me weleens gezegd dat ik niet goed genoeg mijn best doe, maar als je geen talent voor voetbal hebt, kom je ook nooit in het eerste. Ik heb geen talent voor mensen. Ik heb wel een grote bek, maar dat is meer om de lachers op mijn hand te krijgen. Niets is zo erg als ingedeeld worden bij het groepje ‘stille losers’. Maar zeggen waar het echt om gaat, of wat me dwars zit, kan ik niet. Zo interessant ben ik ook weer niet. Al denk ik dat wat ik in Dartmoor Prison heb gezien iedereen wel zou interesseren, mits ik het natuurlijk op een sappige manier vertel.

Met een zucht draai ik me om in bed. Het houten frame kraakt zoals zo’n beetje alles in deze B&B. In de verte klinkt een zacht getik, maar Kevin, de jongen die in het bed naast me slaapt, snurkt er vredig doorheen. Het is geen vervelend geluid en als ik er zo over nadenk zou ik er best aan kunnen wennen. Kevin draait zich om. Het licht van de gang valt op zijn gezicht.

‘Doe normaal, Jess.’ Een aangenaam gevoel kietelt onder mijn navel en ik draai me driftig op mijn buik. Ik probeer me te concentreren op dat vervelende getik in de verte. Misschien leidt het mijn gedachten af van vanmiddag en val ik alsnog in een ondiepe slaap. 

Eentje zonder dromen graag, want ze worden steeds heftiger en ik word er een beetje angstig van. Net of ik op het punt sta iets te besluiten wat onomkeerbaar is. De dood bijvoorbeeld. Zo voelt het namelijk als ik wakker word: alsof er iemand is doodgegaan. 

Misschien ben ik in een vorig leven wel een heel slecht iemand geweest. Een moordenaar ofzo. En word ik nu de rest van mijn leven geteisterd door de zielen van de mensen die ik om het leven heb geholpen.

‘Onzin Jesse.’ Trouwens, er is maar één gezicht dat steeds vaker terugkomt in mijn dromen. Het begint altijd hetzelfde. Ik loop door een lange gang in een landhuis, met mijn vingers ga ik langs de lambrisering. Ik ben niet bang, maar blij. Ineens klinken er harde stemmen. Iemand roept mijn naam en schreeuwt dat ik moet vluchten. Dan word ik wel bang. Ik vlucht het huis uit, de nacht in. Ik struikel, val en dan ineens is hij er en word ik wakker.

Ik draai weer op mijn rug. De gebeurtenis van vanmiddag zit me in de weg. Met al mijn macht probeer ik het te verdringen maar het kruipt weer onder mijn huid. Ik voel me uitgeput en rusteloos tegelijk. Heb ik hem gedroomd of was hij daar echt?

Hij zat in Dartmoor Prison. Omdat een groep pubers niet snel onder de indruk van een vervallen gebouw, had de tourguide bedacht dat we in het verboden gedeelte van de Victoriaanse gevangenis mochten. Echt indrukwekkend was het niet, eerder deprimerend. Vooral de authentieke cellen. Gruwelend van de benauwde ruimtes liep ik door de smalle gang. Bij de achterste deur stond het luikje open, ik gluurde naar binnen en schrok me vervolgens de pleuris. 

Hij zat er.

De man die ik zag in mijn dromen. Zijn baard bedekte grotendeels zijn gezicht en zijn halflange haar zat in een staartje. Hij had een brede neus, volle lippen en een lijf van een landwerker. Zo leek het tenminste, of het was die lange zware jas die hem zo breed maakte. Mijn geschokte ademhaling deed hem opkijken. Het groen van zijn ogen brandde in de mijne. Ik voelde een tinteling in mijn onderbuik, sloot mijn ogen en toen ik weer keek zag ik niemand meer.  

Dat was nog het engste. Dat hij er niet meer was. Had hij er nog gezeten, had ik er hard om moeten lachen en er verder niet meer bij nagedacht. Het had me niet verbaasd als het een acteur was geweest. Maar nu was hij weg. Als een geestverschijning die in mijn hoofd bleef spoken. 

Het getik wordt steeds harder. Net als de wind om het huis. Waarschijnlijk is het raampje in de badkamer opengewaaid, en klappert het open en dicht. Er is maar één manier om het irritante geluid te stoppen. Slapen gaat het nu toch niet meer worden. Ik zwaai mijn benen over de rand en rol uit bed. Op mijn blote voeten schuifel ik over de vloerbedekking. Ik voel de slijtplekken. In de badkamer knip ik het licht aan en zoek naar het raam. Een koude windvlaag, gevolgd door een harde knal is het antwoord.

‘Shit.’ 

Het badkamerraam is helemaal opengewaaid en knalt tegen de buitenmuur aan. Om erbij te komen moet ik half uit het raam hangen. Met een beetje pech – of misschien ook weer niet – val ik straks nog te pletter. 

Balancerend op de wc-pot rek mijn arm zover mogelijk uit. Bijna ben ik met mijn vingers bij het vermolmde kozijn als ik op de heuvels van de Moors een lichtje zie flikkeren. Blijkbaar ben ik niet de enige die wakker is. Het lichtje komt dichterbij en ik zie de schim die erachter loopt. Hij, aan zijn figuur gok ik dat het een hij is, draagt dezelfde lange jas als die man in Dartmoor Prison vanmiddag. Ik strek me nog iets verder uit. Hij komt deze kant op. Steeds dichterbij. Hij zoekt iets of iemand, want ik hoor hem roepen.

‘Jess. Jess!’

Oké, nu moet het ophouden. Zo ver als ik kan leun ik naar voren om dat verrekte kozijn te pakken, en net op dat moment kijkt hij mijn kant op.

‘Shit.’ Zijn groene ogen doemen weer in mijn herinnering op. 

Van schrik donder ik op de grond. Het raam valt met een klap dicht en net op tijd kan ik mijn armen voor mijn gezicht doen ter bescherming tegen het rondvliegende glas.

‘Auw!’ Ik bijt op mijn andere hand om het niet uit te schreeuwen. Een glasscherf steekt als een ninja ster uit mijn pols. Al dat bloed is niet goed voor mijn tere zieltje. Het zweet staat op mijn voorhoofd en ik begin te trillen. Ik kan niet tegen bloed. Snel kijk ik van de wond weg en overweeg mijn opties. De jongens op de slaapzaal wakker maken is voor mietjes. Dat doe ik niet. De begeleider laat ik ook maar slapen. In de keuken ligt een verbandtrommel. Daar kan ik vast wel mee uit de voeten.

Als ik het haal.

Trillend op mijn benen stommel ik de trap af, en sleep me door de gang heen naar de keuken. Het is eigenlijk een soort bijkeuken aan de achterkant van het huis. Er zijn twee grote ramen die als zwarte gaten staren in het niets en de buitendeur heeft verrassend veel overeenkomsten met een gammele schuurdeur. De wind heeft vrij spel om binnen te komen. Ik ril. Misschien had ik toch maar beter iemand wakker kunnen maken. Het bloeden gaat gestaag door. Ik kan het mij verbeelden, maar het lijkt alsof het er in kleine golfjes uitkomt. Zou ik een slagader geraakt hebben?

‘Open up!’ klinkt het buiten. De kreet gaat gepaard met een paar luide bonzen op de deur. 

‘Dat meen je niet.’ Die gek is hiernaartoe gekomen. Het liefst kruip ik onder de keukentafel, maar bedenk net op tijd dat die plek nog iets veiliger is met een wapen. Mijn bloed druipt ritmisch op de grond. De kou wordt meer intens, het kruipt in mijn botten, en ik moet regelmatig knipperen om de zwarte vlekken voor mijn ogen weg te krijgen.

‘Please!’

‘Rot op met je, please!’ 

Er ligt niets bruikbaars voor handen. In een van de lades vind ik wel een kurkentrekker, geen idee of ik er iets aan heb, maar mijn gemoed wordt wanhopig door de metalen punt die langs de deurpost naar binnen steekt. In ons dorp gebruiken inbrekers een pinpas om het slot open te krijgen, maar hier in het land waar de tijd chronisch heeft stil gestaan gebruiken ze blijkbaar een antiek mes. Het duurt niet lang voor hij bij de grendel is. Hij wrikt, ik twijfel en dan vliegt de deur open. 

‘There you are!’

De angst is weg. Een vreemd gevoel van rust overvalt me. Dat hier iemand uit het begin van de negentiende eeuw de keuken in komt stormen lijkt me allerminst te verbazen. Hij grijpt mijn arm, kijkt naar het glas en pakt het voorzichtig tussen zijn wijsvinger en duim. 

‘Don’t do this.’

Ik voel zijn andere hand om mijn arm. Zodra het glas mijn lichaam verlaat, zak ik weg. 

Ik voel me uitgeput en rusteloos tegelijk. Heb ik hem gedroomd of was hij daar echt?

Ik word wakker in een groot houten ledikant naast een wand met boeken. Op het nachtkastje staat een kaars. Het vlammetje danst op en neer. 

Raar, denk ik. Wie zet er nu een kaars naast zijn bed? Maar dan voel ik iemand op het bed zitten.

‘Je liet me schrikken.’ Met zijn vingers raakt hij voorzichtig mijn hand. De lange mantel is weg en in plaatst daarvan draagt hij een wijd overhemd dat netjes in zijn broek zit. Hij ziet er minder woest uit dan net. Ik gok dat hij maar een paar jaar ouder is dan ik. Zijn groene ogen fonkelen ‘Het was niet mijn bedoeling om je te laten schrikken.’

‘Waar ben ik?’ 

‘Dartmoor Hall.’

De naam komt me niet bekend voor, maar als hij had gezegd dat ik thuis was, had ik het ook geloofd. Zo voelt het tenminste. 

‘Heb je dorst?’ Hij houdt een kommetje met water omhoog. Ik knik, wil naar het kommetje grijpen, maar hij zet het al aan mijn lippen en houdt voorzichtig zijn andere hand onder mijn kin om het morsen te voorkomen. Aandachtig houdt hij zijn ogen gericht op het kommetje en mijn mond. Als ik klaar ben, veegt hij de druppel die langs mijn kin kruipt weg. De beweging is te traag en de reactie in mijn lijf is absurd. Onze blikken raken. Geen idee wat er aan de hand is, maar er lijkt een kortsluiting te ontstaan in mijn hoofd. Ik wil lachen en huilen tegelijk.

‘Sorry, als ik je – ’ De hand die net nog op mijn kin lag, haalt hij nu door zijn haar. ‘Ik dacht dat je, net als ik –  Het spijt me, ik wilde je niet in verlegenheid brengen.’ Alsof hij door iets gestoken wordt, staat hij op, veegt zijn handen af en zet het kommetje met water op een toilettafel. 

‘Rust maar uit, ik zie je morgen bij het ontbijt. Goedenacht.’ Hij geeft een kort knikje en stapt dan met korte stappen de kamer uit.

Right. Daar lig ik dan in een kamer die beter past in de vorige eeuw, of zelfs die daarvoor. Is dit echt, of wordt er een geintje met me uitgehaald. Ieder jaar doen ze iets zogenaamds lolligs met de gasten voor wie de trip de laatste keer is. Dit jaar is het dus mijn beurt. Het is alleen spooky hoe dicht ze in de buurt zijn gekomen van mijn eigen demonen.

 Ik werk me het bed uit, en zie tot mijn verbazing dat ik een lang overhemd draag als een soort nachthemd. Heeft die woesteling mij uitgekleed?

Nou ja, daar ga ik maar niet al te lang over na denken want ik merk dat ik het geen vervelend idee vind.

Met het kaarsje van het nachtkastje verken ik de kamer. Aan de muur hangen portretten en schilderingen van landschappen. Het parket voelt warm onder mijn voeten. In de gang gaat het parket gewoon door, maar in het midden ligt een lange loper. Ik blijf echter staan in de deuropening omdat ik deze plek herken.

Dit is de gang uit mijn dromen. Net als in mijn nachtmerrie ben ik op dit moment niet bang. Nog niet, maar het voelt alsof er een allesverwoestende storm aankomt. Toch stap ik over de drempel, de gang in. De wand hangt vol met schilderijen en tekeningen. Ik herken houtskool, potlood en een etstechniek. Een tijdlang blijf ik staan voor een potloodschets van een landschap met een klein stenen bruggetje.

‘Dit is bizar.’

Het bruggetje is een van de oudste bruggen die er hier in de omgeving te vinden is. Het is een Romeins bouwsel en hoewel het slechts een fietsbrug lijkt, kan er een vrachtauto – niet een heel brede uiteraard – overheen. Ik weet het, want ik heb thuis een foto van deze brug, en ik heb die vaak gebruikt als voorbeeld voor mijn tekeningen. In mijn tekenmap op de woongroep ligt precies dezelfde tekening als die hier aan de muur hangt.

‘Bizar.’ Ik buig wat dichterbij. De initialen JO, van Jesse Oden, zijn lachwekkend goed nagemaakt, en nu weet ik zeker dat dit een prank is. ‘Goed gedaan hoor, mensen,’ roep ik in willekeurige richting. Waarschijnlijk zitten ze allemaal te grinniken in de huiskamer. Met mijn vingers langs de lijsten volg ik de kunstwerken naar een grote overloop. Op de landing, waar de grote houten trap een draai maakt, hangt een portret van landheer. Zijn groene ogen lijken feller. 

Toch bizar dat ze een acteur hebben kunnen vinden die exact lijkt op de man uit mijn dromen. Voor zover ik weet heb ik er nog nooit iemand over verteld, maar dat wil niet zeggen dat ik me niets heb laten ontglippen op de moment dat ik dankzij de drank of drugs niet helemaal van deze wereld was.

Ik wil het van dichtbij bekijken, want de techniek is echt bijzonder, maar het open- en dichtslaan van een deur doet me stilstaan.

‘Jessmond!’ Vanuit een van de kamers komt een jonge vrouw mijn kant op. Haar lange jurk komt net tot haar enkels en haar kamerjas hangt er los overheen. Mijn vragende blik, zal wel de reden zijn voor de ongerustheid in haar ogen. Zij is wel heel bizar authentiek.

‘Heb je weer een nachtmerrie?’

‘Sorry?’ 

‘Sssst.’ Ze houdt haar vingers voor haar mond. Met haar hoofd iets schuin, luistert ze aandachtig naar de geluiden beneden. Ik doe met haar mee, maar heb geen idee wat ik moet horen.

Dan is er weer dat geschreeuw dat ik herken uit mijn dromen. Er klinkt gebons op de deuren en ramen alsof er een leger naar binnen wil.

‘De mannen van het dorp. Je moet vluchten Jessmond. Je moet. Als ze je hier vinden is alles verloren. Papa is woest en jouw vader is… het spijt me maar hij is meedogenloos.’ Ze trekt me aan mijn arm de gang in. ‘Het is gewoon niet eerlijk.’ 

‘Wat niet?’

‘Dat weet je best. Jij en Sebàstian.’

‘Ik en… Wat bedoel je nou?’

‘Daar hebben we nu geen tijd voor, Jess. Neem de diensttrap. Via de werkkamer kun je naar buiten, kijk niet om en ren naar de brug. Zo hard je kan. Wacht daar op me. Morgenochtend kom ik je halen.’

Veel tijd om te protesteren heb ik niet. Beneden bij de deur klinkt er gebrul, de voordeur wordt opengebroken en Sebàstian kan ze zo te horen niet tegenhouden. Ik krijg een duw de gang in en ren weg. Pas na drie deuren heb ik de ‘diensttrap’ gevonden.

Buiten kijk ik nog één keer om. Er staat een hele menigte voor het huis. Vier ruiters te paard staan om een grote zwarte koets heen. De twee paarden die daarvoor staan, schrapen ongeduldig met hun voorbenen. Sebàstian wordt met zijn handen geboeid naar buiten gesleurd. Mannen met fakkels joelen luid.

Ik twijfel want weggaan voelt zo verkeerd, maar tegen zoveel macht kan ik niet op. Ik zet het op een lopen. Geen idee waar ik heen moet. In het donker ren ik de heuvel over. Het water glinstert in het maanlicht en tot mijn grote opluchting zie ik het bruggetje. Rillend van de kou hurk ik ernaast. Met mijn handen om mijn knieën wieg ik heen en weer. Zoals gewoonlijk waak ik door de nacht heen. Pas als de schemer opkomt, vallen mijn ogen dicht.

Lees verder

Be the first to leave a comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *